RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [nummer], eiseres
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.4029
(gemachtigde: mr. S.R. Nohar),
mede namens haar minderjarige kind:
[naam] , V-nummer: [nummer]
en
(gemachtigde: mr. D. Post).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de herhaalde asielaanvraag van eiseres. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij heeft daarom beroep ingesteld. De rechtbank beoordeelt het beroep mede aan de hand van de beroepsgronden.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven, omdat de minister de gestelde seksuele gerichtheid van eiseres niet geloofwaardig kon vinden. De minister hoefde ook geen risicoanalyse te maken naar aanleiding van de gestelde vrees van eiseres voor de mensenhandelaar. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 28 oktober 2024 opnieuw een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aangevraagd. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 16 januari 2026 in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3. De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Voorgeschiedenis
4. Eiseres heeft op 14 november 2017 voor de eerste keer asiel aangevraagd. De minister heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen, omdat Italië verantwoordelijk was voor de behandeling daarvan. De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, heeft het beroep van eiseres bij uitspraak van 20 februari 2018 ongegrond verklaard.
5. De minister heeft eiseres op 18 mei 2018 laten weten dat zij wordt opgenomen in de nationale procedure. Eiseres heeft vervolgens op 19 juli 2018 opnieuw asiel aangevraagd. Zij heeft aan deze aanvraag ten grondslag gelegd dat zij vreest voor een jongen die wilde dat zij lid zou worden van de geheime sekte ‘Baby bird’ en voor de familie van de mensenhandelaar die haar naar Italië heeft gebracht. De minister heeft deze aanvraag afgewezen. Deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, heeft het beroep van eiseres op 22 februari 2019 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat eiseres geen consistente verklaringen heeft afgelegd over de sekte en dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij te vrezen heeft voor de mensenhandelaar of diens familieleden in Nigeria. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij als alleenstaande vrouw persoonlijk te vrezen heeft voor een situatie die in strijd is met artikel 3 van het EVRM, dat zij in Nigeria een broer en zus heeft, bij wie zij kon wonen en dat zij in staat was om in haar levensonderhoud te voorzien door het verkopen van vis op de markt.
6. Eiseres heeft op 30 november 2020 voor de derde keer asiel aangevraagd. Eiseres heeft hieraan ten grondslag gelegd dat zij vreest voor de jongen die wilde dat zij lid zou worden van de sekte en voor de mensenhandelaar. De minister heeft deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiseres geen nieuwe elementen of bevindingen aan haar asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd. Eiseres heeft het beroep dat zij tegen dit besluit had ingesteld op 15 februari 2021 ingetrokken.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
7. Eiseres heeft op 28 november 2024 de onderhavige asielaanvraag gedaan. Zij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat zij te vrezen heeft voor de Aye sekte, wat volgens eiseres dezelfde sekte is als ‘Baby bird’. Eiseres stelt dat zij ook te vrezen heeft voor de mensenhandelaar. Verder heeft eiseres naar voren gebracht dat zij een alleenstaande vrouw is. Tot slot heeft eiseres verklaard dat zij op vrouwen valt en dat zij daardoor te vrezen heeft voor vervolging bij terugkeer naar Nigeria.
Het bestreden besluit
8. De minister heeft de aanvraag van eiseres afgewezen. De minister heeft de vrees voor de Aye sekte en de vrees voor de mensenhandelaar niet opnieuw getoetst, omdat eiseres heeft verklaard dat zij over die onderwerpen geen relevante en nieuwe elementen toe te voegen heeft. De eerdere beoordeling van deze motieven staat in rechte vast. Verder blijkt uit het relaas van eiseres niet dat zij een alleenstaande vrouw is. Zij heeft familie in Nigeria bij wie zij kan verblijven.
De minister vindt verder de gestelde seksuele gerichtheid van eiseres niet geloofwaardig. De verklaringen van eiseres daarover vormen volgens de minister geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eiseres heeft volgens de minister algemeen verklaard over haar realisatie dat zij op vrouwen valt en heeft weinig inzicht gegeven in haar gedachtegang over of zij zich wel of niet vervloekt voelde en over haar gedachten over haar buurmeisje. Verder valt niet in te zien dat eiseres er pas in 2023 achter kwam dat haar gestelde gerichtheid toegestaan is in Nederland, heeft eiseres tegenstrijdig verklaard over de vader van haar kind en heeft zij wisselend verklaard over de mening van haar moeder over haar dromen. Tot slot heeft eiseres volgens de minister vaag verklaard over het moment dat zij haar gerichtheid begon uit te dragen naar anderen en zijn haar verklaringen over haar ervaringen in Nederland vaag en wisselend. De schriftelijke verklaring van de gestelde partner van eiseres is een korte verklaring van een onbekend e-mailadres. De verklaring weegt ook niet op tegen de ontoereikende verklaringen van eiseres.
Vrees voor mensenhandelaar
9. Eiseres voert aan dat zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij nog steeds risico loopt van het netwerk van mensenhandelaars. De minister heeft ten onrechte geen risicoanalyse gemaakt, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 29 juli 2025.
10. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt allereerst vast dat deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, in de uitspraak van 22 februari 2019 heeft geoordeeld dat de minister niet ten onrechte heeft gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij te vrezen heeft voor de mensenhandelaar en diens familieleden. De rechtbank heeft daarbij betrokken dat het verzwijgen van de informatie over de mensenhandelaar tijdens de Dublinprocedure ernstig afbreuk doet aan de geloofwaardigheid ervan in de asielprocedure. Deze uitspraak staat in rechte vast. De rechtbank stelt verder vast dat eiseres tijdens de onderhavige procedure heeft verklaard dat zij op het gebied van de mensenhandel niets nieuws heeft toe te voegen. Gelet daarop heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank kunnen afzien van het maken van een risicoanalyse. Uit de rechtspraak van de Afdeling volgt namelijk dat de minister daartoe gehouden is als sprake is van een geloofwaardig bevonden relaas over mensenhandel. Daarvan is in het geval van eiseres geen sprake.
Seksuele gerichtheid
11. Eiseres voert aan dat zij haar seksuele gerichtheid aannemelijk heeft gemaakt. Zij heeft in lijn met Werkinstructie 2019/17 verklaard. Zij heeft haar persoonlijke verhaal naar voren gebracht, zij heeft contact met LHBTI-organisaties en zij heeft een partner. De minister stelt volgens eiseres ten onrechte dat zij algemeen heeft verklaard over haar realisatie dat zij op vrouwen valt. Eiseres heeft verklaard dat zij over meisjes droomde en zich daardoor realiseerde dat zij op meisjes viel. Eiseres heeft ook aangegeven welke gevoelens en gedachten zij had toen zij tot de realisatie van haar seksuele gerichtheid was gekomen. De minister heeft volgens eiseres verder ten onrechte overwogen dat niet valt in te zien dat zij er pas in 2023 achter kwam dat haar seksuele gerichtheid in Nederland is toegestaan. Eiseres had in Nederland een geïsoleerd leven doordat zij weinig contact met anderen had door de ziekte van haar kind. Eiseres vindt verder dat zij niet tegenstrijdig heeft verklaard over de vader van haar kind. Het ging om een afhankelijkheidsrelatie en niet om een liefdesrelatie en daarom heeft zij verklaard dat zij geen relatie had met de vader van haar kind. Eiseres voert verder aan dat de minister ten onrechte heeft tegengeworpen dat zij te weinig inzicht heeft gegeven in haar gedachtegang over of zij zich vervloekt voelde, dat zij oppervlakkig is gebleven in haar gedachten over haar buurmeisje en dat zij vaag zou hebben verklaard over het moment dat zij haar gerichtheid begon uit te dragen naar anderen. Eiseres vindt dat haar verklaringen over haar ervaringen in Nederland niet vaag en wisselend zijn. Tot slot stelt eiseres zich op het standpunt dat de minister onvoldoende waarde heeft gehecht aan de verklaring van haar partner. De minister stelt ten onrechte dat het e-mailadres onbekend is, want dit is zichtbaar op de verklaring. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar relatie en seksuele gerichtheid in beroep een aanvullende verklaring van haar partner overgelegd.
12. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de gestelde seksuele gerichtheid van eiseres niet ten onrechte niet geloofwaardig gevonden. De minister heeft er daartoe allereerst op kunnen wijzen dat het zwaartepunt van de beoordeling op grond van Werkinstructie 2019/17 ligt bij de eigen ervaringen en persoonlijke beleving van eiseres met betrekking tot haar seksuele gerichtheid. De minister heeft in dat kader niet ten onrechte overwogen dat eiseres algemeen en oppervlakkig heeft verklaard over haar realisatie dat zij op meisjes viel, over of zij zich vervloekt voelde, over haar gedachten over haar buurmeisje en over hoe het voor haar was op het moment dat zij haar gerichtheid in Nederland begon uit te dragen. Eiseres heeft geen inzicht gegeven in haar gedachtegang op deze punten door uitsluitend feitelijke beschrijvingen te geven en in algemene bewoordingen over haar gedachten en gevoelens te verklaren. De rechtbank vindt daarbij van belang dat eiseres al sinds 2017 in Europa verblijft en dat zij heeft verklaard dat zij inmiddels met mensen en organisaties heeft gesproken over haar gerichtheid. Daarom mag van haar worden verwacht dat zij meer inzicht kan geven in de beleving van haar seksuele gerichtheid in Nigeria en de ontdekking en acceptatie daarvan. De minister heeft verder niet ten onrechte overwogen dat niet valt in te zien dat eiseres er pas in 2023 achter kwam dat haar gestelde gerichtheid is toegestaan in Nederland. Dat eiseres weinig contact had met anderen door de ziekte van haar zoon, is daarvoor mede gelet op het feit dat eiseres al sinds 2017 in Europa verblijft geen toereikende verklaring.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister verder aan eiseres kunnen tegenwerpen dat zij tegenstrijdig heeft verklaard over haar relatie met de vader van haar zoon. Eiseres heeft namelijk tijdens haar eerdere asielprocedure herhaaldelijk verklaard dat zij een relatie met hem had, terwijl zij tijdens het gehoor opvolgende aanvraag heeft verklaard dat zij geen relatie had. In de zienswijze stelt eiseres vervolgens dat zij een relatie met hem had uit praktische overwegingen. Eiseres heeft geen plausibele verklaring voor deze tegenstrijdigheden gegeven.
De rechtbank is tot slot van oordeel dat de minister in de verklaring van de gestelde partner van eiseres geen aanleiding hoefde te zien om tot een andere beoordeling van de geloofwaardigheid van de gestelde seksuele gerichtheid van eiseres te komen. De minister heeft daartoe kunnen overwegen dat de verklaring niet opweegt tegen de ontoereikende verklaringen die eiseres heeft afgelegd over haar gestelde seksuele gerichtheid.
Alleenstaande vrouw
13. Eiseres voert aan dat zij een alleenstaande vrouw en alleenstaande moeder is zonder beschermend netwerk in Nigeria. Zij komt bij terugkeer in een kwetsbare positie. Uit het Algemeen Ambtsbericht Nigeria van januari 2023 blijkt dat de situatie voor alleenstaande vrouwen en moeders die terugkeren naar Nigeria precair is. Eiseres heeft geen contact meer met haar familie in Nigeria en haar ouders zijn overleden.
14. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank verwijst allereerst naar het oordeel van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 22 februari 2019 over de situatie van eiseres. Dit oordeel staat in rechte vast. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in wat eiseres in de onderhavige procedure naar voren heeft gebracht geen aanleiding hoeven zien om tot een andere conclusie te komen. De enkele stelling van eiseres dat zij geen contact meer heeft met haar familie is daarvoor niet voldoende, temeer omdat eiseres geen pogingen heeft gedaan om het contact te herstellen. Verder heeft eiseres zelf verklaard dat zij bij haar familie zou kunnen verblijven als zij niet lesbisch zou zijn. Zoals de rechtbank hierboven heeft overwogen, heeft de minister de gestelde seksuele gerichtheid niet ten onrechte niet geloofwaardig geacht, waardoor niet valt in te zien waarom eiseres geen ondersteunend netwerk zou hebben en zou moeten worden aangemerkt als alleenstaande vrouw of alleenstaande moeder.
Conclusie en gevolgen
15. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.C. Drenten - Boon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Deze datum staat hierboven. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.