ECLI:NL:RBDHA:2026:14556

ECLI:NL:RBDHA:2026:14556

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 01-06-2026
Datum publicatie 01-06-2026
Zaaknummer NL26.28486
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Eerste beroep bewaring – beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.28486

V-nummer: [V-nummer],

(gemachtigde: mr. J.W.F. Noot),

en

(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 18 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek niet gesloten om verweerder in de gelegenheid te stellen een nadere reactie over de juiste datum van het vertrekgesprek toe te voegen aan het digitale dossier. Verweerder heeft de gevraagde toelichting in het digitale dossier geplaatst op 28 mei 2026. Eiser heeft hierop gereageerd bij bericht van 29 mei 2026. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2003 en de Poolse nationaliteit te hebben.

Maatregel van bewaring

2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:

- 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; - 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; - 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; - 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;

en als lichte gronden vermeld dat eiser:

- 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; - 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; - 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

3. Eiser betwist alle zware en lichte aan de maatregel gelegde gronden. Wat betreft de zware grond 3b stelt eiser dat hij blijkens het dossier nog diverse keren is aangetroffen op straat, waarbij hem verteld is hij dat moet vertrekken. Hier ontbreken echter stukken van in het dossier. Eiser heeft zelf verklaard dat hij nog zeventig dagen in Nederland mocht blijven. De stelling dat hij zich aan het toezicht heeft onttrokken kan niet zonder nadere toelichting worden gevolgd. Dit geldt dan ook voor zware grond 3c.

4. Bij beschikking van 29 januari 2026 is vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland op grond van het Unierecht en dat hij het grondgebied binnen een maand moet verlaten. Uit het uitreikingsblad blijkt dat de beschikking in persoon is uitgereikt op 14 maart 2026, waarbij de strekking daarvan met behulp van een tolk Pools (met tolknummer 1328) aan hem is meegedeeld. Uit het daarbij opgemaakte proces-verbaal blijkt dat de verbalisant die de beschikking heeft uitgereikt aan eiser heeft uitgelegd wat de beschikking inhoudt en wat dit betekent voor eiser. Eiser heeft vervolgens verklaard dit te begrijpen. Dit maakt dat eiser op 14 maart 2026 bekend is geraakt met de beëindiging van zijn verblijfsrecht en dat de vertrektermijn van een maand op dat moment is aangevangen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de zware gronden 3b en 3c aan de maatregel ten grondslag heeft kunnen leggen. Eiser heeft Nederland niet verlaten en zijn illegale verblijf ook niet gemeld bij de autoriteiten. Eiser heeft zich dan ook onttrokken aan het toezicht en de zware grond 3b is daarmee feitelijk juist. Gelet op het feit dat hij geen gevolg heeft gegeven aan de beschikking van 29 januari 2026 is de zware grond 3c ook feitelijk juist. Deze zware gronden zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Verweerder heeft op grond hiervan terecht een risico aangenomen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Wat eiser voor het overige heeft aangevoerd over de zware en lichte gronden behoeft geen nadere bespreking, omdat dit niet kan leiden tot de conclusie dat de bewaring onrechtmatig is.

Voortvarend handelen

5. Eiser stelt dat op 26 mei 2026 een vertrekgesprek heeft plaatsgevonden. Dit is acht dagen na het opleggen van de maatregel van bewaring, wat maakt dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt.

6. Eiser is op 18 mei 2026 in bewaring gesteld. Uit de door verweerder gegeven nadere toelichting blijkt dat het vertrekgesprek op 22 mei 2026 heeft plaatsgevonden en dat de dagtekening in het verslag daarvan (namelijk 26 mei 2026) een kennelijke verschrijving is. De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Verder is op diezelfde dag de lp-aanvraag doorgezet naar DIA en is op 26 mei 2026 een T&O-aanvraag ingediend bij de Poolse ambassade. Eiser wordt daarom niet gevolgd in zijn standpunt dat niet voldoende voortvarend is gehandeld.

Ambtshalve toets

7. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de bewaring onrechtmatig moet worden geacht.

Conclusie

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 1 juni 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. K.M. de Jager

Griffier

  • mr. J. de Winter

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand