[verzoeker] e.a., uit Gaza, verzoekers
(gemachtigden: mr. E.E.M. Bezem en mr. W. Eikelboom),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
(gemachtigden: mr. J.V. de Kort en mr. E.C. Pietermaat).
Voor de zaaknummers en gegevens van de in totaal 37 betrokkenen (waarvan 21 minderjarig) wordt verwezen naar de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Inleiding
1. Verzoekers hebben een verzoek om het verlenen van consulaire bijstand gedaan, met de bedoeling om Gaza te kunnen verlaten. Verweerder heeft deze verzoeken afgewezen. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft de bezwaren van verzoekers niet-ontvankelijk verklaard. Verzoekers hebben hiertegen afzonderlijk beroep ingesteld, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening geldt als een verzoek hangende het beroep bij de rechtbank.
Verweerder heeft op een aantal verzoeken gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak te doen op de verzoeken om een voorlopige voorziening.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaan deze zaken over?
2. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft in soortgelijke zaken bij uitspraken van 16 februari 2026 twee beroepen ongegrond verklaard en de samenhangende verzoeken om een voorlopige voorziening afgewezen. In die zaken hebben de betreffende verzoekers bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van hun verzoek om consulaire bijstand te verlenen bij het verlaten van Gaza. De bezwaren van die verzoekers zijn niet-ontvankelijk verklaard, omdat volgens verweerder geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb waartegen bezwaar/beroep open staat. De voorzieningenrechter heeft het standpunt van verweerder in die zaken gevolgd en de verzoeken afgewezen.
Tegen voornoemde uitspraken is hoger beroep ingesteld bij de Afdeling. De zitting van deze hoger beroepen is volgens verweerder gepland op 2 juni 2026. Hangende deze hoger beroepen heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling bij uitspraken van 19 maart 2026 de verzoeken om een voorlopige voorziening van de betreffende verzoekers toegewezen in die zin dat verweerder zich moet inspannen om ervoor te zorgen dat die verzoekers Gaza kunnen verlaten om de toegekende mvv’s (machtiging tot voorlopig verblijf) op te halen.
Nu de voorzieningenrechter van de Afdeling de verzoeken bij de uitspraken van 19 maart 2026 heeft toegewezen hangende de hoger beroepsprocedure, en de inhoudelijke rechtsvragen aan de orde komen tijdens de behandeling van die hoger beroepen op de zitting van de Afdeling van 2 juni 2026, heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank op 30 april 2026 aanleiding gezien de soortgelijke verzoeken om een voorlopige voorziening van 46 verzoekers toe te wijzen, gelet op de onverwijlde spoed en de betrokken belangen van verzoekers.
3. Deze uitspraak ziet eveneens op soortgelijke verzoeken om het verlenen van consulaire bijstand bij het verlaten van Gaza. De onderhavige verzoeken zien op 37 betrokkenen in totaal, waarvan een deel minderjarig is. De voorzieningenrechter doet vandaag ook uitspraak in zaaknummer SGR 26/3610 (vijf betrokkenen), en in zaaknummer SGR 26/4133 (twee betrokkenen).
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
4. Verzoekers verblijven in Gaza en willen naar Nederland komen voor gezinshereniging of studie. De minister van Asiel en Migratie heeft voor alle verzoekers een toewijzend besluit genomen op hun aanvraag voor een mvv, waarbij hij de Nederlandse ambassade in Caïro, Egypte, en in Amman, Jordanië, heeft gemachtigd om een mvv te verlenen. Dit betekent dat verzoekers een mvv kunnen afhalen bij de Nederlandse ambassade in Caïro dan wel Amman. Zij hebben zes maanden de tijd om bij de ambassade een afspraak te maken. Na aankomst van verzoekers in Nederland zal de IND een verblijfsvergunning verlenen. Het is volgens verzoekers niet mogelijk om zonder hulp van verweerder de grens van Gaza over te steken. Zij hebben verweerder daarom verzocht om consulaire bijstand, zodat zij Gaza kunnen verlaten.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen consulaire bijstand hoeft te worden verleend omdat geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb waartegen bezwaar/beroep open staat. Verzoekers kunnen zich tot de burgerlijke rechter wenden en een kortgedingprocedure starten. Verweerder kan zich niet vinden in de overwegingen van de voorzieningenrechter van de Afdeling in de uitspraken van 19 maart 2026, en van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag in de uitspraak van 30 april 2026. Verweerder wijst in de onderhavige zaken ook op het arrest van het Hof van Justitie van 26 maart 2026 in zaak C-819/25 PPU (Gonrieh), ECLI:EU:C:2026:252.
De voorzieningenrechter van de rechtbank ziet geen aanleiding om in deze uitspraak anders te oordelen dan zij in haar uitspraak van 30 april 2026 heeft gedaan. Zij overweegt daartoe het volgende.
De voorzieningenrechter van de Afdeling heeft in haar uitspraken van 16 maart 2026 geen voorlopig rechtmatigheidsoordeel gegeven, maar de verzoeken afgedaan aan de hand van een belangenafweging. Dit betekent dat de belangen van de betrokken partijen tegen elkaar worden afgewogen. De principiële vraag of verweerder een publieke taak aan zich heeft getrokken zal de Afdeling in de bodemprocedures beantwoorden.
De voorzieningenrechter van de Afdeling heeft in die uitspraken verder overwogen dat verweerder er weliswaar terecht op wijst dat er in de Nederlandse wet geen recht op consulaire bijstand staat en dat verweerder in beginsel veel ruimte heeft om te bepalen hoe en onder welke omstandigheden hij consulaire bijstand verleent. Echter, ziet de voorzieningenrechter van de Afdeling toch aanleiding om de verzoeken om een voorlopige voorziening toe te wijzen. De voorzieningenrechter van de Afdeling is namelijk van oordeel dat de door verzoekers voorgedragen belangen bij het ontvangen van consulaire bijstand zwaarder wegen dan de belangen van verweerder. Vast is komen te staan dat verzoekers zonder consulaire bijstand niet of zeer moeilijk Gaza kunnen verlaten om hun mvv op te halen. Verzoekers hebben dan ook een groot belang bij consulaire bijstand. Daarbij is ook gewezen op de schrijnende situatie in Gaza.
De voorzieningenrechter volgt in deze uitspraak het oordeel van de Afdeling in de uitspraken van 19 maart 2026, en is van oordeel dat de door verzoekers voorgedragen belangen bij het ontvangen van consulaire bijstand zwaarder wegen dan de belangen van verweerder. Daarbij vindt de voorzieningenrechter vooral van belang dat het enige tijd kan duren voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist. Hierdoor bestaat het risico dat verzoekers bij een eventuele voor hen positieve uitkomst in de bodemprocedure niet meer in staat zullen zijn om de mvv op te halen. Dit geldt in ieder geval voor verzoeker in zaak SGR 26/3767 waarvan de mvv-aanvraag op basis van studie is ingewilligd.
De verwijzing door verweerder naar het recente arrest Gonrieh van het Hof maakt dit oordeel voor de overige verzoekers, die een mvv op basis van gezinshereniging hebben aangevraagd, niet anders.
In het arrest Gonrieh spelen soortgelijke omstandigheden als voor deze verzoekers. De echtgenoot, woonachtig in België, en zijn echtgenote en vier van hun kinderen, woonachtig in de Gazastrook, hebben het verzoek gedaan de Belgische staat te gelasten zorg te dragen voor de evacuatie van de echtgenote en kinderen, of andere maatregelen te nemen die hun vertrek uit Gaza met het oog op gezinshereniging vergemakkelijken. Aan de echtgenote en in totaal vijf kinderen zijn visa met het oog op gezinshereniging toegekend onder de opschortende voorwaarde dat er verificatie plaatsvindt van de identiteit van betrokkenen en de echtheid van de bij hun verzoeken om toegang en verblijf gevoegde documenten. Om deze verificatie te kunnen uitvoeren moeten de betrokkenen in persoon verschijnen bij een Belgische ambassade of Belgisch consulaat.
Het Hof heeft in haar arrest van 26 maart 2026 onder punt 61 overwogen dat artikel 13, eerste lid, van Richtlijn 2003/86 (inzake het recht op gezinshereniging), gelezen in samenhang met de artikelen 2, 4, 7 en 24 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat een lidstaat – in het geval van een derdelander aan wie met het oog op gezinshereniging een visum is toegekend onder voorbehoud van verificatie van zijn identiteit en de echtheid van de documenten die bij zijn op afstand ingediende visumaanvraag zijn gevoegd, waarbij voor deze verificatie vereist is dat hij in persoon verschijnt op een Belgische diplomatieke of consulaire post – niet gehouden is om de overbrenging van deze persoon naar die plaats te organiseren en te verzekeren, of om contact op te nemen met een of meer derde landen teneinde die overbrenging te vergemakkelijken, in een situatie waarin het voor die persoon onmogelijk is om zich naar die plaats te begeven.
De voorzieningenrechter overweegt dat weliswaar uit dit arrest volgt dat voor lidstaten geen Unierechtelijke verplichting uit de Gezinsherenigingsrichtlijn volgt om bijvoorbeeld contact op te nemen met een of meer derde landen. Dit arrest zal echter moeten worden betrokken bij de rechtsvraag die in de bodemprocedure zal moeten worden beantwoord. Op dit moment ziet de voorzieningenrechter hierin geen aanleiding om de belangenafweging anders uit te laten vallen. De voorzieningenrechter acht de tijdsduur van de behandeling van de hoger beroepen doorslaggevend, waardoor het risico dat verzoekers bij een eventuele voor hen positieve uitkomst in de bodemprocedure niet meer in staat zullen zijn om de mvv op te halen. Ook acht de voorzieningenrechter het van belang dat de te treffen voorlopige voorziening een inspanningsverplichting betreft en geen resultaatsverplichting. Verweerder moet zich inspannen om ervoor te zorgen dat verzoekers Gaza kunnen verlaten om de mvv op te halen. En tot slot laat de voorzieningenrechter de rechtsgelijkheid meespelen in deze zaken. Er is sprake van gelijke gevallen als in de eerdere vovo-uitspraken, dus ook hierom valt de belangenafweging ook in deze zaken in het voordeel van verzoekers uit.
Verweerder betoogt verder onder meer dat hij het niet eens is met de uitkomst van de belangenafweging omdat het doen van een verzoek om een gunst bij een derde staat (ten behoeve van betrokkenen die geen eigen onderdanen zijn) van invloed is op het geheel van wederzijdse betrekkingen tussen de betrokken staten. Verweerder heeft echter niet inzichtelijk gemaakt op welke wijze een dergelijk verzoek van (negatieve) invloed is op deze wederzijdse betrekkingen. Dat het belang van de Staat gezien de invloed op de wederzijdse betrekkingen dusdanig zwaar weegt dat dit belang zou moeten prevaleren boven het individuele belang van verzoekers om Gaza te kunnen verlaten zodat zij de mvv kunnen ophalen, kan dus niet zonder meer worden gevolgd.
De voorzieningenrechter merkt nog op dat het verweerder vrij staat te verzoeken de getroffen voorlopige voorziening op te heffen. Niet is gebleken dat verweerder een dergelijk verzoek heeft gedaan.
De beroepen (bodemprocedures) van verzoekers worden vooralsnog aangehouden in afwachting van de uitspraak van de Afdeling in hoger beroep. In de beroepen van verzoekers kan het oordeel van de Afdeling dan worden betrokken.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
5. Gelet op de zeer bijzondere omstandigheden van deze zaken, die gelijkluidend zijn met die van de eerder getroffen voorzieningen, treft de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening dat verweerder zich moet inspannen om ervoor te zorgen dat verzoekers Gaza kunnen verlaten om de mvv op te halen. Hoe verweerder precies invulling geeft aan deze opdracht om consulaire bijstand te verlenen, is aan hem.
6. Verweerder zal worden veroordeeld in de door verzoekers gemaakte proceskosten, met inachtneming van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De verzoeken die gelijktijdig zijn ingediend en gevoegd zijn behandeld door de voorzieningenrechter voldoen aan de voorwaarden om als samenhangende zaken te worden aangemerkt. Volgens de Bijlage bij het Bpb, onder C2, wordt voor vier of meer samenhangende zaken een wegingsfactor van 1,5 toegepast. De totale proceskostenvergoeding voor de twaalf verzoeken (dit betreft de onderhavige zaken en de zaak met nummer SGR 26/4133) voor de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand bedraagt dan € 1.401,-. (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 934,-. Wegingsfactor 1 (C1) wordt vermenigvuldigd met wegingsfactor 1,5 (C2).)
7. Er is geen griffierecht verschuldigd in deze zaken. Voor vergoeding van het griffierecht bestaat dus geen aanleiding.
De voorzieningenrechter:
- treft inzake deze elf zaken de voorlopige voorziening dat verweerder zich moet inspannen om te zorgen dat verzoekers Gaza kunnen verlaten om de mvv op te halen;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.401,- aan proceskosten aan verzoekers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Bijlage bij deze uitspraak met namen van de betrokken verzoekers en de registratienummers van de verzoeken om een voorlopige voorziening
SGR 26/3701
SGR 26/3747
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
SGR 26/3748
[…]
[…]
[…]
[…]
SGR 26/3750
[…]
[…]
SGR 26/3751
[…]
SGR 26/3753
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
SGR 26/3756
[…]
[…]
SGR 26/3767
[…]
SGR 26/3944
[…]
[…]
[…]
[…]
SGR 26/3946
[…]
[…]
SGR 26/3947
[…]
[…]
[…]