RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.25349
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. G.A. Dorsman),
en
(gemachtigde: mr. B. Pattiata).
Procesverloop
Verweerder heeft op 4 december 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Overwegingen
1. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 10 april 2026 (in de zaak NL26.17412) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
2. De rechtbank maakt uit het dossier op eiser wisselend heeft verklaard of hij zelfstandig wil vertrekken met zijn paspoort. Verweerder heeft dan ook terecht gekozen om eiser door middel van escorts uit te zetten. Dit betekent dat de autoriteiten medewerking moeten verlenen voor het verkrijgen van een laissez-passer en visa voor de escorts. Verweerder heeft daarbij geen invloed op de diplomatieke vertegenwoordiging. De rechtbank concludeert dat op eiser de verplichting rust om zijn volledige en actieve medewerking aan het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit te verlenen. Nu eiser niet aan zijn meewerkplicht voldoet komt de lange duur van de bewaring voor zijn risico en kan volgens vaste jurisprudentie een redelijk vooruitzicht op verwijdering reeds daarom worden aangenomen. De rechtbank ziet geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt aan de uitzetting van eiser, gezien de mogelijkheden die verweerder heeft. Zeker gelet op het feit dat verweerder afhankelijk is van de medewerking van de Libische autoriteiten.
3. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de toepassing en het voortduren van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2026 door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van N. Mekenkamp, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.