ECLI:NL:RBDHA:2026:14621

ECLI:NL:RBDHA:2026:14621

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 12-05-2026
Datum publicatie 01-06-2026
Zaaknummer 26/2056
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Voorlopige voorziening afgewezen. Jeugdwet. Verzoekster wil een hoger pgb ontvangen. Dit is een financieel belang en geeft geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Pgb is niet bedoeld als vorm van inkomstensondersteuning. Ophoging pgb is geen oplossing voor overbelasting.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 mei 2026 in de zaak tussen

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college.

Samenvatting

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 26/2056

[verzoekster], wettelijk vertegenwoordiger van [minderjarige], uit [woonplaats], verzoekster

(gemachtigde: [gemachtigde 1]),

en

(gemachtigde: [gemachtigde 2])

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de toekenning van jeugdhulp aan [minderjarige] op grond van de Jeugdwet (Jw). Verzoekster is het niet eens met de omvang en duur van het toegekende pgb voor individuele begeleiding. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.

De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af omdat er geen spoedeisend belang is bij het treffen van de voorziening die verzoekster heeft gevraagd. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt.

Procesverloop

2. Het college heeft met het bestreden besluit van 9 maart 2026 aan [minderjarige] een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend voor individuele begeleiding tegen het informele tarief van € 20,- per uur en voor 25 uur per week over de periode van 1 maart 2026 tot en met 31 mei 2026. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen die inhoudt dat een pgb voor 40 uur per week wordt toegekend, voor de periode van een jaar.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, en de gemachtigde van het college vergezeld door [naam].

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2015, is bekend met een autismespectrumstoornis, een ontwikkelingsachterstand en een laag IQ. Verzoekster is de primaire verzorger van [minderjarige]. [minderjarige] ging voorheen vijf dagen per week naar [zorginstantie]. Deze voorziening is bedoeld voor kinderen tot tien jaar oud. [minderjarige] heeft deze leeftijd inmiddels bereikt en de voorziening past niet meer bij zijn behoeften. [minderjarige] gaat daarom nog maar drie dagdelen per week naar [zorginstantie]. Verzoekster is al lange tijd op zoek naar een passende vervolgplek voor [minderjarige]. Om de toename van benodigde zorg voor [minderjarige] te ondervangen heeft verzoekster gevraagd om een ophoging van het pgb voor individuele begeleiding van 15 uur per week naar 40 uur per week.

Bij het bestreden besluit heeft het college een pgb voor individuele begeleiding toegekend van 1 maart 2026 tot en met 31 mei 2026 voor 25 uur per week. Blijkens het verweerschrift heeft het college aansluiting gezocht bij het door verzoekster overgelegde overzicht waaruit volgt dat zij 40 uur per week ADL-zorg verleent en persoonlijke begeleiding biedt aan [minderjarige]. Omdat verzoekster op dit moment niet werkzaam is ligt de draaglast anders. Het college erkent dat de zorg voor [minderjarige] veel van verzoekster vraagt en heeft daarom gekozen om, ondanks dat dit weinig bijdraagt aan de ontwikkeling van [minderjarige], de zorg bij [zorginstantie] te laten voortduren. Daarnaast merkt het college op dat de aanvraag bedoeld is om verzoekster te ontlasten. Het zou in strijd met de strekking van de aanvraag zijn een hoger pgb toe te kennen waarmee verzoekster juist meer wordt ingezet voor de zorg van [minderjarige]. Het toekennen van een pgb zou in dat geval uitsluitend een financieel doel zou dienen. Voor het verkrijgen van inkomsten bestaan echter andere voorzieningen. Het gegeven dat verzoekster om een pgb verzoekt om zelf voor [minderjarige] te zorgen impliceert volgens het college dat verzoekster thans op eigen kracht in staat is de zorg voor [minderjarige] te dragen, zonder dat er sprake is van overbelasting. De directe verzorging en opvoeding van [minderjarige] valt immers onder de eigen verantwoordelijkheid van de ouders en deze kosten komen in beginsel niet voor vergoeding in aanmerking, ook niet als er sprake is van bovengebruikelijke zorg. Er is bewust gekozen voor een verstrekking van drie maanden omdat het college verwacht dat [minderjarige] binnen deze termijn kan doorstromen naar een passende voorziening.

4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist

Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. De aard van een verzoek om een voorlopige voorziening veronderstelt een actueel spoedeisend belang; in dit geval moet bijvoorbeeld blijken dat niet kan worden gewacht op een beslissing op het bezwaarschrift. Pas als sprake is van spoedeisend belang komt de voorzieningenrechter toe aan een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Daarom zal de voorzieningenrechter eerst beoordelen of verzoekster een spoedeisend belang heeft bij het ingediende verzoek om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen spoedeisend belang is. Het volgende is hierbij van belang.

Verzoekster wil met haar verzoek in feite bereiken dat zij een hoger pgb ontvangt voor haar zorg voor [minderjarige]. Dit is dus een financieel belang. Het is vaste rechtspraak dat een financieel belang in de regel geen aanleiding geeft tot het treffen van een voorlopige voorziening. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt. Er zal dan geen voorlopige voorziening getroffen worden.

Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat een hoger pgb voor financiële zekerheid en meer rust en stabiliteit zou kunnen zorgen bij verzoekster, is niet gebleken dat een onomkeerbare situatie dreigt door acute financiële nood. Bovendien is een pgb op grond van de Jw niet bedoeld als een vorm van inkomensondersteuning. Voor het verkrijgen van inkomsten bestaan er andere voorzieningen. Voor zover verzoekster aanvoert dat er sprake is van jarenlange, structurele overbelasting door haar zorg voor [minderjarige] overweegt de voorzieningenrechter dat hij zich goed kan voorstellen dat verzoekster die overbelasting ervaart, maar het ophogen van het pgb kan dat probleem niet oplossen. De zorgbehoefte van [minderjarige] en de mate waarin verzoekster deze vervult blijft immers gelijk. Verder is tussen partijen niet in geschil dat [minderjarige] een grote zorgbehoefte heeft en dat de huidige voorziening niet passend is, zodat er zo snel mogelijk een geschikte vervolgplek voor hem moet worden gezocht. Zo’n plek is echter nog niet gevonden, en ook dat is een probleem dat met de door verzoekster gevraagde ophoging en verlenging van het pgb niet kan worden opgelost.

Nu er geen sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening, kan de door verzoekster gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of de besluiten in de bezwaarprocedure in stand blijven. Daarvan is de voorzieningenrechter in dit geval niet gebleken.

Conclusie

5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. F. Leichel

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand