RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.3869
geboren op [datum],
van Syrische nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en
(gemachtigde: mr. A.J. Rossingh).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens en heeft daarom beroep ingesteld. De rechtbank beoordeelt het beroep.
De rechtbank oordeelt dat de afwijzing van de asielaanvraag geen stand kan houden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 16 januari 2025 in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Daarbij is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hierop volgt afzonderlijk een uitspraak.
De rechtbank heeft het beroep op 17 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de waarnemer van de gemachtigde van eiser, mr. M. Pater, en de gemachtigde van de minister. Het onderzoek is op zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag van 10 december 2024 ten grondslag dat hij afstand heeft gedaan van de islam en is bekeerd tot het zoroastrisme. Eiser vreest bij terugkeer vanwege zijn geloofsovertuiging, dan wel omdat hij als afvallige wordt gezien. Ook vreest eiser vanwege zijn Koerdische afkomst en vanwege de algemene situatie in Syrië.
Het bestreden besluit
4. De minister heeft de volgende asielmotieven aangemerkt:
De minister acht het eerste en tweede motief geloofwaardig, maar onvoldoende zwaarwegend. Ook acht de minister de gestelde vrees wegens de Koerdische afkomst onvoldoende zwaarwegend. Eiser heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat hij ernstig in zijn bestaansmogelijkheden wordt beperkt. De minister acht de bekering tot het zoroastrisme niet geloofwaardig, omdat eiser wisselend heeft verklaard over het moment van bekering, oppervlakkig over zijn motieven en omdat hij weinig kennis heeft over het zoroastrisme. De activiteiten van eiser leiden de minister niet tot een andere conclusie, omdat deze niet specifiek verbonden zijn aan de geloofsovertuiging. Daarnaast is volgens de minister in Syrië sprake van een relatief laag niveau van willekeurig geweld. Ter onderbouwing is gewezen op het ambtsbericht van januari 2026 en rapporten van het EUAA. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege individuele omstandigheden een verhoogd risico loopt slachtoffer te worden van dit willekeurig geweld, aldus de minister. De minister concludeert dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een gegronde vrees op vervolging of dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade.
Beoordeling afvalligheid / bekering
5. Eiser heeft aangevoerd dat de bekering ten onrechte ongeloofwaardig is geacht. Volgens eiser maakt de minister ten onrechte een strikte scheiding tussen de afvalligheid en de bekering, terwijl sprake is van één proces. Door deze samenhang niet te erkennen is een onjuiste maatstaf gehanteerd. De minister heeft verder ten onrechte verklaringen uit de aanmeldfase tegengeworpen als tegenstrijdig. Dit is volgens eiser in strijd met artikel 3.108, vijfde lid, van het Vb. Eiser is afkomstig uit een omgeving waar bekering risicovol is, zodat hij een laatste stap pas in Nederland kon zetten. De minister verlangt daarom ten onrechte één concreet bekeringsmoment. Verder is de minister niet ingegaan op de persoonlijke betekenis van de video, die voor eiser een herkenningspunt was in zijn innerlijke proces. Ook is bij de beoordeling van de motieven onvoldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser. De minister stelt volgens eiser verder ten onrechte dat zijn verklaringen over het zoroastrisme onvoldoende onderscheidend zijn van andere geloofsovertuigingen, omdat het om de persoonlijke betekenis voor eiser gaat. Gezien zijn ervaringen met geweld in Syrië zijn de verklaringen in dit verband persoonlijk. Eiser heeft verder aangevoerd dat hij concrete kennis van het zoroastrisme heeft getoond en over kenmerkende elementen heeft verklaard in het nader gehoor. De minister heeft dit ten onrechte algemeen en oppervlakkig geacht en had moeten doorvragen. Verder heeft de minister ten onrechte geen gewicht toegekend aan de activiteiten en heeft de minister niet gemotiveerd hoe de verschillende elementen integraal zijn gewogen, in strijd met Werkinstructie (WI) 2025/9.
De rechtbank overweegt dat de minister volgens WI 2025/9 een geloofsovertuiging beoordeelt aan de hand van drie elementen, te weten (1) het proces en de motieven, (2) kennis en (3) uiting en activiteiten. Volgens deze gedragslijn dient ten aanzien van het proces en de motieven onderscheid gemaakt te worden tussen de beoordeling van de afvalligheid als onderdeel van een bekering en de zelfstandige beoordeling van de afvalligheid. Van deze laatste situatie is sprake als de afvalligheid niet gevolgd wordt door een nieuwe overtuiging of de motieven voor de bekering en de afvalligheid duidelijk te onderscheiden zijn. Ook moeten alle verklaringen en eventuele bewijsstukken in onderlinge samenhang worden gewogen en ligt in het algemeen het zwaartepunt op de verklaringen over de motieven voor en het proces waarop tot een overtuiging is gekomen.
De rechtbank is met eiser van oordeel dat de minister in zijn beoordeling ten onrechte een strikte scheiding heeft gemaakt tussen de afvalligheid – afstand van de islam – en de door eiser gestelde bekering tot het zoroastrisme. De minister heeft het eerste, de afvalligheid, zonder nadere motivering geloofwaardig geacht, maar het tweede, de bekering, niet. Eiser heeft echter verklaard dat hij in 2022 heeft besloten om afstand te doen van de islam en dat hij zich tot het zoroastrisme wilde bekeren, omdat hij van zijn vader heeft vernomen dat dit het geloof van zijn voorouders was. Ook heeft eiser verklaard dat hij een afkeer van de islam heeft gekregen vanwege het geweld in zijn naam en dat hij (onofficieel) bekeerd is tot het zoroastrisme, omdat dit volgens hem vredelievend is en tegen geweld. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de verklaringen van eiser niet dat sprake is geweest van twee duidelijk te onderscheiden fasen; een fase van afvalligheid en vervolgens een fase van bekering. Ook lopen de motieven voor het een en ander niet uiteen. Nu het proces en de motieven voor afvalligheid en de bekering met elkaar samenhangen heeft de minister niet zonder meer het eerste, de afvalligheid, geloofwaardig kunnen achten, maar het tweede, de bekering, niet. Dat betekent dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat de door eiser gestelde bekering tot het zoroastrisme niet geloofwaardig is. Dat geldt temeer gelet op het volgende.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser verder terecht gesteld dat de minister ten onrechte verklaringen uit de aanmeldfase heeft tegengeworpen als tegenstrijdig. De rechtbank overweegt dat de minister verklaringen uit de aanmeldfase mag betrekken in de geloofwaardigheidsbeoordeling, mits deze uit eigen beweging zijn afgelegd en worden voorgehouden in het nader gehoor. De minister heeft daarom mogen betrekken dat eiser in het aanmeldgehoor uit eigen beweging heeft verklaard dat zijn ouders zich niet lang geleden hebben bekeerd tot de islam. De minister heeft echter onvoldoende gemotiveerd waarom eiser daarmee tegenstrijdig heeft verklaard over de aanleiding tot het in aanraking komen met het zoroastrisme in 2022. Anders dan de minister stelt, heeft eiser in het aanmeldgehoor niet verklaard dat zijn vader ‘recentelijk’ of ‘kort/vlak daarvoor’ is bekeerd tot de islam, maar ‘niet lang geleden.’ Eiser heeft in het nader gehoor in dit verband toegelicht dat zijn voorouders zoroastristen waren, dat zijn vader was bekeerd tot de islam en in ieder geval in 2022 weer is bekeerd tot het zoroastrisme. Gelet op deze onderlinge samenhang, valt niet in te zien dat sprake is van tegenstrijdige verklaringen in dit verband.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is al om het voorgaande gegrond, vanwege motiveringsgebreken die de rechtbank niet kan passeren. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. De minister heeft de asielaanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond, omdat onvoldoende is gemotiveerd dat de bekering ongeloofwaardig is. Dat betekent dat ook ten onrechte een terugkeerbesluit is opgelegd. De overige beroepsgronden, onder meer over de vrees vanwege afvalligheid, de Koerdische afkomst en de algemene situatie in Syrië behoeven geen bespreking, omdat de minister eerst opnieuw de geloofwaardigheid van de bekering dient te beoordelen. Bij een nieuw te nemen besluit moet ook de situatie voor Koerden en de algemene situatie in Syrië opnieuw worden beoordeeld.
7. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, omdat dit in strijd is met artikel 3:46 van de Awb. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de aanvraag te nemen, omdat de minister opnieuw de geloofwaardigheid van het asielrelaas dient te beoordelen en de situatie bij terugkeer op dat moment moet onderzoeken. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om de gebreken gedurende deze beroepsprocedure te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus), omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
8. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
9. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van A.J. van Bruggen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudononimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.