RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , eiser/ verzoeker (hierna: eiser)
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.17704 (beroep) en NL26.17705 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
(gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn),
en
(gemachtigde: mr. C. van Es).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 23 maart 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en heeft verzocht om een voorlopige voorziening, ertoe strekkend dat hij niet wordt uitgezet totdat op zijn beroep is beslist.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft het beroep op
18 mei 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. B.M. van den Toorn-Volkers als waarnemer van de gemachtigde van eiser, A.P. Shanthan als tolk in de taal Tamil en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Achtergrond
3. Eiser heeft de Sri Lankaanse nationaliteit en is geboren op 2 november 2005. Hij heeft voor het eerst asiel aangevraagd op 13 november 2025, waaraan hij onder meer ten grondslag heeft gelegd dat hij problemen heeft ondervonden vanwege zijn relatie. Deze aanvraag is op 28 november 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond. Tevens is een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Het hiertegen ingestelde beroep is ongegrond verklaard op 9 februari 2026.
Het asielrelaas
4. Eiser heeft een opvolgende asielaanvraag ingediend, omdat hij documenten heeft die zijn eerdere asielrelaas onderbouwen. Het betreft een brief van de vredesrechter en van een priester, die verklaren over de problemen die eiser heeft ondervonden.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;2. problemen met de familie van eisers vriendin.
Verweerder acht het eerste asielmotief geloofwaardig, maar het tweede asielmotief niet. De documenten zijn geen objectieve documenten die het relaas volledig onderbouwen. Bovendien zijn ze tegenstrijdig met eisers eigen verklaringen. Daarbij zijn het kopieën die niet op echtheid kunnen worden onderzocht. Daarnaast zijn het verklaringen van derden die inhoudelijk niet te verifiëren zijn. Verder is de aangifte een eenzijdige verklaring die door iedere persoonlijk gedaan kan worden. De documenten wegen niet op tegen de tegenwerpingen in de vorige procedure. Het relaas van eiser is daarom niet samenhangend en aannemelijk. Daarom vindt verweerder het tweede asielmotief ongeloofwaardig. Verweerder concludeert daarom dat de asielaanvraag als kennelijk ongegrond kan worden afgewezen en het eerder opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod kunnen worden gehandhaafd.
Bespreking van de beroepsgronden
6. Eiser heeft op zitting aangevoerd dat hij originele documenten heeft die door Bureau Documenten dienen te worden onderzocht. Deze documenten onderbouwen namelijk het geloofwaardige relaas van eiser. De behandeling moet daarom worden aangehouden.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden. Verweerder heeft terecht gesteld dat de inhoud van de documenten tegenstrijdig is met de verklaringen van eiser. Zo staat in de brief van de vredesrechter dat eiser is ontvoerd, maar daarover heeft hij zelf helemaal niets verklaard. De rechtbank is daarom van oordeel dat de behandeling niet hoeft te worden aangehouden om de documenten te laten onderzoeken. Omdat verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen van eiser tegenstrijdig zijn, heeft verweerder het asielmotief niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht.
7. Eiser heeft verder aangevoerd dat een ambtshalve toetsing aan artikel 64 van de Vw op zijn plaats zou zijn geweest, gelet op zijn medische situatie Uit het patiëntendossier van 26 maart 2026 blijkt dat eiser last heeft van slaapproblemen, nachtmerries en veel stress. Verwezen wordt naar uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van respectievelijk 26 september 2025 en van 17 oktober 2025, waar het ook om een opvolgende aanvraag ging waarbij aan artikel 64 van de Vw diende te worden getoetst.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet was gehouden om een ambtshalve toets aan artikel 64 van de Vw te verrichten. Uit artikel 6.1e van het Vb en de Werkinstructie 2024/2 volgt dat er alleen een ambtshalve toetsing aan artikel 64 van de Vw plaatsvindt bij een eerste asielaanvraag en niet bij een opvolgende aanvraag. Daarbij was het medisch dossier van eiser ten tijde van het besluit niet overgelegd, zodat verweerder ook geen inzicht had in de medische situatie van eiser. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat uit het in beroep overgelegde medisch dossier niet volgt dat eiser onder behandeling staat of medicatie gebruikt. Het BMA kan daarom op de overgelegde stukken geen advies baseren. De rechtbank volgt verweerder hierin. De situatie van eiser is dus niet vergelijkbaar met de situatie in de aangehaalde rechtbankzaken. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet was gehouden om een BMA-advies op te vragen.
8. Eiser heeft tot slot aangevoerd dat hem niet kan worden verweten dat hij niet is teruggekeerd naar Sri Lanka. Hij kon immers niet via Abu Dhabi terugkeren vanwege de oorlog in het Midden-Oosten. Het terugkeerbesluit is dus niet uitvoerbaar. Dat maakt voortzetting van de grensdetentie onevenredig bezwarend.
De rechtbank is van oordeel dat eiser niet kan worden gevolgd in zijn standpunt. In het besluit heeft verweerder het eerder opgelegde terugkeerbesluit gehandhaafd omdat eiser niet aan dat besluit heeft voldaan. Hij is immers niet teruggekeerd naar Sri Lanka. Eiser heeft niet onderbouwd dat het voor hem onmogelijk was om terug te keren. Dat uitvoering van de removal order via Abu Dhabi (tijdelijk) niet mogelijk was, doet daar niet aan af. Eiser had immers ook zelfstandig, al dan niet met behulp van bijvoorbeeld het IOM, kunnen vertrekken en via een andere route kunnen terugkeren naar Sri Lanka, zoals ook op pagina 6 van het bestreden besluit is weergegeven.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
9. De beroepsgronden slagen niet. Het beroep is ongegrond. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt dus afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.17704:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.17705
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.