[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
het Centraal Administratiekantoor (CAK), verweerder
Inleiding
Eiser heeft tegen de brief van verweerder van 13 januari 2026 met kenmerk 62867172 (het bestreden besluit) beroep ingesteld.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
1. Uit de dossierstukken blijkt dat eiser onder bewind staat bij Fidinda CBM B.V. (hierna: Fidinda).
2. Uit het bewindregister blijkt dat de kantonrechter te Leiden op 18 maart 2015 een bewind heeft ingesteld over de (toekomstige) goederen wegens lichamelijke of geestelijke toestand.
3. Artikel 8:21, eerste lid, van de Awb bepaalt dat natuurlijke personen, onbekwaam om in rechte te staan, in het geding worden vertegenwoordigd door hun vertegenwoordiger naar burgerlijk recht. In artikel 8:21, tweede lid, van de Awb is bepaald dat de in het eerste lid bedoelde personen zelf in het geding kunnen optreden, indien zij tot een redelijke waardering van hun belangen in staat kunnen worden geacht. Artikel 1:441, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, bepaalt dat tijdens het bewind de bewindvoerder bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende in en buiten rechte vertegenwoordigt.
4. Eiser heeft zonder zijn bewindvoerder beroep ingesteld. Bij het instellen van het beroep is geen volmacht van zijn bewindvoerder overlegd.
5. De rechtbank heeft aan de bewindvoerder gevraagd of zij instemt met het beroep van eiser. Hierop heeft [naam] van Fidinda geantwoord dat geen toestemming is verleend en dat gezien de geestelijke toestand van eiser ook niet alsnog toestemming zal worden verleend. Dit betekent dat eiser niet over de vereiste toestemming van zijn bewindvoerder beschikt om te procederen.
6. Niet gebleken is dat eiser tot een redelijke waardering van zijn belangen in staat kan worden geacht. Omdat eiser onbekwaam is om beroep in te stellen en de bewindvoerder geen volmacht of toestemming heeft gegeven voor het indienen van het beroep, is het beroep kennelijk niet-ontvankelijk. De rechtbank verwijst daarbij naar haar eerdere uitspraak van 4 december 2025 over dezelfde opposant, waarin al is overwogen dat het instellen van beroep zonder toestemming van de bewindvoerder niet kan leiden tot een inhoudelijke beoordeling.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van S.C.M. Lodder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.