[naam 1] , eiseres,
geboren op [geboortedatum 1] ,
V-nummer: [nummer 1] ,
mede namens haar minderjarige kinderen:
[naam 2] ,
geboren op [geboortedatum 2] ,
V-nummer: [nummer 2] ,
[naam 3] ,
geboren op [geboortedatum 3] ,
V-nummer: [nummer 3] .
allen van Nigeriaanse nationaliteit,
hierna: eisers,
(gemachtigde: mr. C.K.E.E. Fischer-Fuhler),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eisers tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de asielaanvraag met het bestreden besluit van 9 april 2026 niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Awb uitspraak zonder zitting.
Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen staat geregistreerd onder het zaaknummer NL26.20152. Hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eisers. Zij doet dat mede aan de hand van de beroepsgronden die eisers hebben aangevoerd.
3. De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en het besluit tot het niet in behandeling nemen van hun asielaanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De EU heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland op 2 februari 2026 bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek op 16 februari 2026 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. Eisers voeren aan dat ten aanzien van Frankrijk niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eisers verwijzen hiervoor naar het AIDA Country Report France, update 2024, waaruit volgt dat opvangvoorzieningen in Frankrijk kunnen worden geweigerd in geval van een opvolgende asielaanvraag. Er bestaat dus een reëel risico dat eisers bij overdracht aan Frankrijk geen toegang zullen krijgen tot opvangvoorzieningen. Dit is ook de eerdere ervaring van eisers geweest.
6. De rechtbank oordeelt dat de Franse autoriteiten met het claimakkoord in beginsel verantwoordelijk zijn voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van eisers. Dit is alleen anders als moet worden gevreesd dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk systeemfouten bevatten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest, waarbij een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid geldt. In de uitspraken van 4 september 2024 heeft de Afdeling geoordeeld dat het in de eerste plaats aan de vreemdeling is om het vermoeden te weerleggen dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
7. De rechtbank stelt voorop dat volgens Afdelingsrechtspraak ten aanzien van Frankijk nog altijd kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In de uitspraak van 5 april 2023 heeft de Afdeling geoordeeld dat alhoewel er wel kan worden aangenomen dat sprake was van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in Frankijk, niet is gebleken dat die problemen dusdanig structureel en ernstig zijn, dat bij overdracht aan Frankrijk op voorhand sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Het beroep van eisers op het meest recente AIDA-rapport (update 2024) van juni 2025 maakt dat niet anders. De Afdeling heeft bij uitspraak van 31 juli 2025 geoordeeld dat dit rapport geen wezenlijk ander beeld schetst dan de landeninformatie die de Afdeling bij de uitspraak van 30 augustus 2024 heeft betrokken. Als eiseres en haar minderjarige kinderen toch problemen ervaren in het kader van de asielprocedure en opvangvoorzieningen, dan ligt het op hun weg om daarover de Franse autoriteiten te benaderen. Niet is gebleken dat klagen of het vragen van hulp bij de Franse autoriteiten voor eisers niet mogelijk zal zijn. De enkele verklaring van eiseres tijdens het aanmeldgehoor dat zij in Frankrijk hulp heeft gezocht maar door niemand is geholpen, acht de rechtbank daartoe onvoldoende.
Arrest Tarakhel
8. Eisers voeren aan dat de minister onvoldoende is ingegaan op de kwetsbaarheid van het jonge gezin. De kwetsbaarheid van het jonge gezin, in samenhang met het gegeven dat sprake is van een opvolgende aanvraag, maakt dat de minister zonder nader onderzoek niet tot het bestreden besluit had kunnen komen.
9. Voor zover eisers met het voorgaande een beroep doen op het arrest Tarakhel, overweegt de rechtbank als volgt. In dit arrest heeft het Hof van Justitie overwogen dat de verzoekende lidstaat voor bijzonder kwetsbare personen voorafgaand aan de overdracht aanvullende garanties moet vragen aan de ontvangende lidstaat, als de vreemdeling aantoont dat hij zonder garanties geen toereikende zorg- en opvangvoorzieningen zal krijgen. Uit de Afdelingsuitspraak van 3 december 2015 volgt dat het Tarakhel-arrest ook van toepassing kan zijn op andere personen die bijzonder kwetsbaar zijn als aannemelijk is gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden, waarbij het geslacht, de leeftijd en de gezondheidstoestand van de vreemdeling van belang kunnen zijn. De bewijslast dat er sprake is van deze bijzondere kwetsbaarheid ligt bij de vreemdeling. Eiseres heeft aangevoerd dat zij met haar getraumatiseerde minderjarige kinderen in Frankrijk op straat is gezet. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gebleken dat er in het geval van eisers sprake is van bijzondere kwetsbaarheid als bedoeld in het Tarakhel-arrest. Eiseres heeft niet met concrete bewijzen aannemelijk gemaakt dat zij en haar minderjarige kinderen, zonder het verkrijgen van aanvullende garanties, in Frankrijk geen adequate zorg- en opvangvoorzieningen zullen krijgen. Zoals hiervoor onder 6 en 7 is overwogen mag er in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van worden uitgegaan dat eisers in Frankrijk zullen worden toegelaten tot de opvang en dat (noodzakelijke) medische/psychische zorg beschikbaar is. Onder deze omstandigheden zijn er geen individuele garanties van de Franse autoriteiten vereist voor de overdracht van eisers.
Belangen van de kinderen
10. Eisers voeren aan dat de belangen van het kind onvoldoende zijn meegewogen.
11. De rechtbank is van oordeel dat de minister de belangen van de minderjarige kinderen voldoende bij de besluitvorming heeft betrokken. Er zijn geen omstandigheden gebleken waaruit blijkt dat een overdracht naar Frankrijk onevenredige nadelige gevolgen heeft voor de minderjarige kinderen. Zo heeft eiseres niet onderbouwd dat een overdracht aan Frankrijk de ontwikkeling en gezondheid van haar kinderen negatief zal beïnvloeden. De enkele stelling dat haar kinderen in Frankrijk traumatische ervaringen hebben beleefd, acht de rechtbank daartoe onvoldoende.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.