[naam] , eiser,
geboren op [geboortedatum] ,
van Algerijnse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. D. de Vries),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 23 maart 2026 niet in behandeling genomen, omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Awb uitspraak zonder zitting.
Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen staat geregistreerd onder het zaaknummer NL26.16093. Hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat mede aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
3. De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het besluit tot het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De EU heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland op 2 maart 2026 bij Zwitserland een verzoek om terugname gedaan. Zwitserland heeft dit verzoek op 4 maart 2026 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening.
Zienswijze
5. Eiser verwijst in de beroepsgronden allereerst naar hetgeen in deze procedure reeds naar voren is gebracht. De rechtbank begrijpt deze beroepsgrond zo dat de inhoud van de zienswijze als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. De rechtbank oordeelt dat dit onvoldoende is om aan te merken als een beroepsgrond waar de rechtbank over moet beslissen. De minister is in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd ingegaan op de zienswijze van eiser. De rechtbank zal daarom de stellingen in de zienswijze, waarvan eiser in beroep niet concreet heeft aangegeven waarom de reactie van de minister daarom volgens hem niet juist of niet toereikend is, niet bespreken.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. Eiser stelt dat ten aanzien van Zwitserland niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, nu hij daar hoogstwaarschijnlijk geen opvang zal krijgen en op straat zal belanden. De minister heeft onvoldoende gewicht toegekend aan de wijze waarop Zwitserland asielzoekers huisvest, of beter gezegd niet huisvest. Eiser stelt verder dat hij geen kans zal krijgen om zijn asielaanvraag verder toe te lichten in Zwitserland. Eiser verwijst hiervoor naar de statistieken van Zwitserland, zoals volgt uit AIDA-rapport Zwitserland, update 2024.
7. De rechtbank stelt voorop dat de minister in zijn algemeenheid ten aanzien van de lidstaten in beginsel mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling heeft in meerdere uitspraken geoordeeld dat ten aanzien van Zwitserland kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het AIDA-rapport (update 2023) van juli 2024 en het meest recente (in de beroepsgronden genoemde) AIDA-rapport (update 2024) van mei 2025 zijn daarbij meegewogen. Dit betekent dat de minister er in beginsel van mag uitgaan dat Zwitserland zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van eiser in Zwitserland niet in strijd zal zijn met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Zwitserland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Zwitserse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Zwitserland overleggen of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen daarmee. Van een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest zal, in het geval eiser aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken.
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat in Zwitserland sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen waardoor hij bij overdracht aan Zwitserland een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van
het Handvest. De beroepsgrond dat eiser in Zwitserland hoogstwaarschijnlijk geen opvang zal krijgen en hij daar niet de mogelijkheid zal krijgen om zijn asielaanvraag verder toe te lichten, is onvoldoende voor het oordeel dat in Zwitserland sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. Eiser heeft in dat verband ook niet toegelicht dat de door hem gestelde problemen van toepassing zijn op Dublinclaimanten. De Zwitserse autoriteiten hebben met het claimakkoord gegarandeerd dat zij de asielaanvraag van eiser in behandeling zullen nemen, in overeenstemming met de verdragsverplichtingen. Mocht eiser toch problemen ervaren in het kader van de asielprocedure en/of de opvangvoorzieningen, dan ligt het op zijn weg om daarvoor de autoriteiten van Zwitserland te benaderen. Niet is gebleken dat klagen of het vragen van hulp bij de Zwitserse autoriteiten voor eiser niet mogelijk zal zijn. Het voorgaande betekent naar het oordeel van de rechtbank ook dat de minister erop mag vertrouwen dat de Zwitserse autoriteiten het risico op refoulement in overeenstemming met de eisen van het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en het Handvest zullen beoordelen.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.