RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 mei 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag¸ het college
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/2914
(gemachtigde: mr. A. Ben Omar),
en
(gemachtigde: J.A. Bogaards).
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker om toelating tot de maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening af omdat er geen sprake is van een spoedeisend belang. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Verzoeker heeft zich op 25 februari 2026 gemeld bij het Daklozenloket in Den Haag met het verzoek om toelating tot de maatschappelijke opvang voor hem en zijn gezin. Met het bestreden besluit van 27 maart 2026 heeft het college de aanvraag afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, A.S. Choukti (tolk) en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Wat is er gebeurd?
3. Verzoeker, geboren op [geboortedatum 1] 1994, heeft de Marokkaanse nationaliteit. Verzoeker heeft een afgeleid verblijfsrecht via zijn partner, die de Spaanse nationaliteit heeft. Dit verblijfsrecht loopt tot 23 november 2028. Verzoeker en zijn partner hebben een dochter, geboren op [geboortedatum 2] 2023, met de Spaanse nationaliteit. Verzoeker en zijn gezin verblijven sinds 2023 in Nederland. Verzoeker werkte als schoonmaker, maar heeft eind 2024 een bedrijfsongeval gehad waardoor hij niet meer kan werken. Verzoeker ontvangt op dit moment een uitkering op grond van de Ziektewet. Verzoeker en zijn gezin hebben sinds hun aankomst in Nederland geen vaste woon- en verblijfplaats gehad. Zij hebben bij verschillende personen binnen hun netwerken tijdelijk onderdak gevonden.
Verzoeker en zijn gezin hebben zich op 25 februari 2026 bij het Daklozenloket in Den Haag gemeld. Bij besluit van 25 februari 2026 heeft het college voor de duur van het onderzoek opvang geboden in een hotel. Met het bestreden besluit is de aanvraag om toegang tot de maatschappelijke opvang afgewezen en is de tijdelijke opvang beëindigd per 8 april 2026.
Waar gaat deze zaak over?
4. Het college heeft de aanvraag afgewezen omdat verzoeker op meerdere leefgebieden zelfredzaam is en er geen beperkingen zijn die Wmo-ondersteuning noodzakelijk maken. Uit het onderzoek van het college volgt dat hij zijn hulpvraag voldoende kan oplossen vanuit zijn eigen kracht. Verzoeker kan zich staande houden in de samenleving en heeft anders dan zijn huisvestingsprobleem geen hulpvraag. Verzoeker kan zijn dagelijks leven in grote mate zelf regelen en weet welke stappen hij moet zetten om tot een oplossing te komen. De knelpunten die verzoeker ervaart kunnen worden opgelost met een behulp van reguliere voorzieningen. Ook is maatschappelijke opvang niet in het belang van zijn kind. Verblijf in een opvanglocatie is tijdelijk, er is weinig ruimte om te spelen en sociale interactie en er moet vaker worden verhuisd. Dit vergroot de stress en onzekerheid, en is niet bevorderlijk voor de ontwikkeling van verzoekers dochter. Ook biedt de maatschappelijke opvang geen grotere kans op duurzame uitstroom.
Verzoeker is het niet eens met dit besluit en hij wil met zijn verzoek bereiken dat zijn verblijf in de opvang wordt verlengd.
Is er spoedeisend belang?
5. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening wordt alleen getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift.
Verzoeker staat volgens de Basisregistratie Personen sinds 18 april 2026 ingeschreven op een adres in Voorburg. Ter zitting heeft verzoeker toegelicht dat hij op dit moment met zijn gezin bij een vriend in Voorburg kan verblijven. Desgevraagd heeft verzoeker nader verklaard dat zijn spoedeisend belang er momenteel in is gelegen dat hij slechts tijdelijk bij zijn deze vriend kan verblijven. Zijn vriend heeft ingestemd om onderdak te verlenen tot het moment dat de voorzieningenrechter uitspraak doet.
De voorzieningenrechter ziet hierin onvoldoende spoedeisend belang en zal daarom deze zaak niet inhoudelijk beoordelen. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe dat verzoeker sinds zijn aankomst in Nederland er telkens in is geslaagd om voor hem en zijn gezin onderdak te regelen binnen zijn netwerk. Ook nadat het college de tijdelijke opvang heeft beëindigd per 8 april 2026 is verzoeker erin geslaagd om een verblijfplaats te regelen. Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat het steeds tijdelijke oplossingen betreft, kan niet geoordeeld worden dat er momenteel sprake is van een acute situatie waardoor niet gewacht kan worden op een beslissing op bezwaar. De conclusie is daarom dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij de door hem gevraagde voorlopige voorziening.
Omdat een spoedeisend belang ontbreekt, kan de door verzoeker gevraagde voorziening alleen worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. De voorzieningenrechter is van oordeel dat daar geen sprake van is. Het college heeft in het bestreden besluit een uitgebreide motivering gegeven waarbij tevens de belangen van de kinderen zijn betrokken. De voorzieningenrechter ziet in het dossier voldoende aanknopingspunten dat verzoeker zelfredzaam is. Verzoeker betwist weliswaar dat hij zelfredzaam is omdat het hem niet is gelukt is om huisvesting te vinden, maar van een evident onrechtmatig besluit is geen sprake.
Conclusie en gevolgen
6. Omdat het spoedeisend belang ontbreekt, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek wordt daarom afgewezen. Dat betekent dat het bestreden besluit in ieder geval blijft gelden tot op het bezwaar is beslist. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: