ECLI:NL:RBDHA:2026:14684

ECLI:NL:RBDHA:2026:14684

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 21-05-2026
Datum publicatie 02-06-2026
Zaaknummer 26/2658
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Vovo afgewezen. Geen spoedeisend belang. Aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van woninginrichting is afgewezen. Verzoekster heeft een verhuiskostenvergoeding op grond van de Wmo ontvangen. Ook heeft het college uit coulance de verhuiskosten en de eerste maand huur vergoed. Niet aannemelijk waarom deze bedragen onvoldoende zijn om (een gedeelte van) de nieuwe woning in te richten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college

Samenvatting

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 26/2658

(gemachtigde: mr. H. Polat),

en

(gemachtigde: J.A. Bogaards).

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekster om bijzondere bijstand voor de kosten van woninginrichting. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.

De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening af omdat er geen sprake is van een spoedeisend belang. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Verzoekster heeft op 8 februari 2026 een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor de kosten van woninginrichting. Met het bestreden besluit van 6 maart 2026 heeft het college de aanvraag afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster, [naam] (dochter van verzoekster) en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?

3. Verzoekster, geboren op [geboortedatum] 1950, heeft op 8 februari 2026 een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend in verband met haar verhuizing naar een andere woning. De verhuizing is vanwege medische redenen. Verzoekster heeft verzocht om vergoeding van de kosten die zien op woninginrichting van haar nieuwe woning, waaronder de kosten van de verf, vloerbedekking, verlichting en raambekleding.

Met het bestreden besluit heeft het college de aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van woninginrichting afgewezen. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de kosten waar verzoekster bijzondere bijstand voor heeft aangevraagd reeds zijn bekostigd door middel van een verhuisvergoeding op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) ter hoogte van € 3.100,-. De verhuisvergoeding is een voorliggende voorziening voor de kosten van de verhuizing en de inrichtingskosten.

Verzoekster is het niet eens met dit besluit en wil met haar verzoek bereiken dat de voorzieningenrechter bij wijze van voorschot bijzondere bijstand voor woninginrichting verstrekt totdat op het bezwaar is beslist.

Spoedeisend belang

4. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening wordt alleen getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift.

Verzoekster heeft in dit kader aangevoerd dat zij op 31 maart 2026 haar oude woning moest verlaten, terwijl zij haar nieuwe woning niet kan betrekken omdat deze nog niet is voorzien van de noodzakelijke basisvoorzieningen. Omdat haar aanvraag om bijzondere bijstand is afgewezen beschikt verzoekster niet over de financiële middelen om deze voorzieningen zelf te bekostigen. Als gevolg hiervan is verzoekster samen met haar zoon, die het syndroom van down heeft en is gediagnosticeerd met autisme, aangewezen op kort verblijf bij personen binnen haar netwerk. Dit terwijl de verhuizing noodzakelijk werd geacht vanwege de gezondheidssituatie van verzoekster.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij een spoedeisend belang heeft bij het treffen van de gevraagde voorziening. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat verzoekster reeds een bedrag van € 3.100,- van het college heeft ontvangen in verband met haar verhuizing naar een geschikte woning. Daarbij heeft het college met het besluit van 6 maart 2026 bijzondere bijstand toegekend als gift voor de eerste maand huur ter hoogte van € 821,49. Ook heeft het college een bedrag van € 1.479,- als gift toegekend voor de kosten van de verhuizing. Het college heeft deze bedragen uit coulance verstrekt, aangezien het standpunt van het college is dat de verhuisvergoeding die verzoekster vanuit de Wmo heeft ontvangen een voorliggende voorziening is. Verzoekster is er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat deze bedragen onvoldoende zouden zijn om (een gedeelte van) haar nieuwe woning gereed te maken voor bewoning. Dat zij er voor heeft gekozen de verhuiskostenvergoeding aan te wenden voor de oplevering van haar oude woning is, wat hier verder ook van zij, een keuze geweest van verzoekster. Ook heeft verzoekster niet aannemelijk gemaakt met objectieve en verifieerbare gegevens dat het niet mogelijk was om spullen uit haar oude woning te gebruiken voor haar nieuwe woning. Daarbij vindt de voorzieningenrechter het niet aannemelijk dat er geen andere mogelijkheden zijn om de periode tot aan de beslissing op het bezwaar te overbruggen, al dan niet hulp van derden.

Rechtmatigheid besluit

5. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft, kan een voorlopige voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het bestreden besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat op basis van de nu overgelegde stukken niet evident is dat het bestreden besluit geen stand zal kunnen houden.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Dit betekent dat het bestreden besluit ongewijzigd in stand blijft. Voor een vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. F. Leichel

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand