[naam], V-nummer: [v-nummer], eiser,
(gemachtigde: mr. J.J. de Vries),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 20 februari 2026 niet in behandeling genomen omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.
Op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat vindt eiser?
3. Eiser stelt dat de minister het besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid en ondeugdelijk heeft gemotiveerd. De minister baseert het besluit grotendeels op het feit dat eiser niet is komen opdagen bij de gehoren. Door de minister is niet onderzocht waarom eiser afwezig was tijdens de gehoren. Zoals in de zienswijze al genoemd, is niet vastgesteld of eiser de uitnodiging voor de gehoren wel zou hebben ontvangen. Daarnaast is door de minister niet vastgesteld of de uitnodiging eiser heeft bereikt in begrijpelijke taal en of hij in de gelegenheid is gesteld om van AZC Sneek naar AZC Ter Apel te reizen. Er kan om deze reden niet worden vastgesteld of eiser zou hebben getekend voor ontvangst van de uitnodigingen. De minister heeft ten onrechte afgezien van het opnieuw horen van eiser.
Eiser stelt verder dat de minister onvoldoende motiveert waarom van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. De minister had moeten beoordelen of de door eiser aangevoerde informatie, in samenhang bezien, aanleiding geeft om te twijfelen aan de daadwerkelijke toegang tot bescherming in Zwitserland, mede in het licht van het X-arrest, het Jawo-arrest en artikel 4 van het Handvest. Eiser heeft in de zienswijze aangevoerd dat overdracht aan Zwitserland zal leiden tot een reëel risico op refoulement. De minister heeft dit standpunt ten onrechte verworpen door enkel te stellen dat Zwitserland zijn Verdragsverplichtingen naleeft. Daarmee miskent de minister dat niet alleen moet worden gekeken naar het formele asielsysteem, maar ook naar de individuele gevolgen voor eiser.
Volgens eiser heeft de minister onvoldoende onderkend dat klagen in Zwitserland niet effectief is. In het kader van artikel 3 EVRM en artikel 4 Handvest dient de minister te beoordelen of rechtsmiddelen in de verantwoordelijke lidstaat daadwerkelijk toegankelijk en effectief zijn. Feitelijk ontbreekt rechtshulp en er is sprake van de taalbarrière en een gebrek aan een sociale kring. Wanneer eiser wel rechtshulp zou willen, zou hij tijdens de procedure in eerste aanleg de advocaat zelf moeten betalen.
Tot slot stelt eiser dat onvoldoende is gemotiveerd waarom eiser zijn bijzondere individuele omstandigheden geen aanleiding vormen voor de minister om de asielaanvraag in behandeling te nemen.
Oordeel rechtbank
4. De rechtbank overweegt dat eiser tweemaal is uitgenodigd voor een gehoor en tweemaal niet is verschenen. De minister heeft in het bestreden besluit toegelicht dat de uitnodigingen beide keren aan eiser zijn overhandigd. Met hetgeen eiser heeft aangevoerd is niet aannemelijk gemaakt dat de uitnodigingen hem nooit hebben bereikt en eiser stelt dit bovendien ook niet. Er moet daarom vanuit worden gegaan dat de uitnodigingen eiser hebben bereikt en hij desondanks niet op de gehoren is verschenen. Daarbij rust er geen plicht op de minister om te onderzoeken waarom eiser niet is verschenen. Als eiser hier een goede reden voor had, had het op zijn weg gelegen om die aan de minister kenbaar te maken. Eiser heeft noch tijdens de besluitvorming noch tijdens de beroepsprocedure een dergelijke reden naar voren gebracht. De minister heeft eiser daarom ook niet nogmaals hoeven uitnodigen voor een gehoor.
Daarnaast overweegt de rechtbank dat de minister in zijn algemeenheid ten aanzien van de lidstaten mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling heeft in meerdere uitspraken geoordeeld dat ook ten aanzien van Zwitserland kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is daarom aan eiser om aannemelijk te maken dat sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem die structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken in de zin van het arrest Jawo. Op hetgeen eiser in dit kader heeft aangevoerd is gereageerd door de minister en in zoverre is er daarom geen motiveringsgebrek. Omdat eiser in beroep niet onderbouwt op welk punt de motivering van de minister niet toereikend is, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat die motivering ontoereikend is of dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat ten aanzien van Zwitserland uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De minister mag ervan uitgaan dat Zwitserland zijn verdragsverplichtingen naleeft en eiser loopt daarom geen risico op een behandeling in strijd met het beginsel van non-refoulement.
Daaruit volgt eveneens dat eiser kan klagen bij de Zwitserse autoriteiten en effectieve rechtsbescherming geniet. Er rustte daarom geen plicht op de minister om aanvullend onderzoek te doen. In zoverre de eiser stelt dat hij hierin beperkt wordt door een taalbarrière en een gebrek aan een sociale kring, overweegt de rechtbank dat zij niet twijfelt aan de moeilijke situatie van eiser maar dat hiermee niet is komen vast te staan dat er sprake is van een structureel systeemfalen in Zwitserland. Dat eiser eventueel zelf een advocaat moet betalen, verandert het oordeel van de rechtbank ook niet. De Procedurerichtlijn voorziet immers niet in een onvoorwaardelijk recht op gratis rechtsbijstand en vertegenwoordiging in asielprocedures. Uit de artikelen 20 en verder van de Procedurerichtlijn volgt dat kosteloze rechtsbijstand niet onbeperkt is en dat daaraan voorwaarden mogen worden gesteld. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat Zwitserland in strijd met deze richtlijn handelt en dat eiser in Zwitserland een effectief rechtsmiddel wordt onthouden.
Voorts is de rechtbank van oordeel dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet gesproken kan worden van onevenredige hardheid waardoor artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening zou moeten worden toegepast. De minister heeft in het besluit gereageerd op hetgeen door eiser in dit kader naar voren is gebracht en eiser heeft niet onderbouwd waarom deze reactie ontoereikend is. De enkele stelling dat dit het geval is, is onvoldoende.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser mag worden overgedragen aan Zwitserland. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.