RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [v-nummer], eiseres
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.23346
(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),
en
(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).
Procesverloop
Bij besluit van 22 april 2026 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft de vrijheidsontnemende maatregel op 6 mei 2026 opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Eiseres is, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiseres heeft de Colombiaanse nationaliteit. Zij is geboren op [geboortedag] 2002.
2. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
3. Omdat de maatregel is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiseres schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiseres een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
4. Eiseres betoogt dat het opleggen van de bestreden maatregel onrechtmatig was, omdat voor de minister al van meet af aan duidelijk had moeten zijn dat haar asielaanvraag zich niet leende voor afdoening in de grensprocedure. Eiseres wijst in dat verband op de samenhang met de asielprocedure van haar verloofde, die al in Nederland verbleef en verblijft. In zijn beroepszaak is om uitstel van de mondelinge behandeling gevraagd en dat heeft hij ook gekregen. Als het beroep van haar verloofde gegrond zou worden verklaard, zou dit invloed hebben op de procedure van eiseres. Immers, volgens de minister zijn de zaken van eiseres en haar verloofde met elkaar verweven, aldus eiseres.
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt. Uit vaste rechtspraak volgt dat de minister een redelijke termijn moet worden gegund om onderzoek te verrichten naar het asielverzoek en of dit verzoek zich leent voor afdoening in de grensprocedure. Onder dat onderzoek valt onder meer dat een vreemdeling dient te worden gehoord over het asielverzoek. Juist in de grensprocedure beoordeelt de minister of één van de afdoeningsgronden kan worden toegepast; een ‘pré-toets’ voorafgaand aan de toepassing daarvan is niet vereist. De vraag of een asielverzoek zich leent voor verdere afdoening in de grensprocedure beantwoordt de minister in beginsel na het nader gehoor omdat dan alle relevante feiten bekend zijn. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als in een eerder of later stadium relevante informatie voorhanden is. Dit betekent dat de minister op elk moment, dus ook later na het nader gehoor, kan concluderen dat het asielverzoek zich niet leent voor een behandeling in de grensprocedure. In het geval van eiseres heeft de minister na het ontvangen van de zienswijze geoordeeld dat het asielverzoek zich niet langer leent voor afdoening in de grensprocedure. Een dag later is de bewaring opgeheven. De minister heeft toegelicht dat die beslissing los staat van de aanwezigheid van een verloofde. Ook verder is niet gebleken dat al eerder duidelijk was dat de zaak van eiseres zich (evident) niet leende voor behandeling in de grensprocedure.
5. Eiseres betoogt verder dat het voortduren van de bestreden maatregel onrechtmatig is geweest vanwege haar medische problematiek. Eiseres heeft herhaaldelijk om medische hulp gevraagd, maar haar is te kennen gegeven dat vanwege de (mogelijk) korte duur van de maatregel, geen behandeling zou worden gestart. Medische hulp is eiseres derhalve onthouden.
De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond ook niet slaagt. De rechtbank stelt voorop dat eiseres haar medische problematiek niet heeft toegelicht of met stukken heeft onderbouwd. Uit het feit dat kennelijk over een mogelijke behandeling is gesproken met eiseres, leidt de rechtbank af dat zij in ieder geval haar klachten naar voren heeft kunnen brengen bij de medische dienst. Dat daarbij door de medische dienst de afweging zou zijn gemaakt om niet te starten met een medische behandeling, maakt op zichzelf niet dat het voortduren van de grensdetentie op enig moment onevenredig bezwarend of anderszins onrechtmatig was. Niet is immers gebleken dat eiseres direct een behandeling nodig had. Ook is van belang dat niet is gebleken dat eiseres de medische dienst heeft gevraagd dat besluit te heroverwegen dan wel dat zij daarover een klacht heeft ingediend.
6. De rechtbank ziet ambtshalve ook geen aanleiding om het opleggen of voortduren van de bestreden maatregel onrechtmatig te achten. Het beroep is daarom ongegrond en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
B.S. Beens, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.