[opposant] , V-nummer: [V-nummer] , opposant
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. Bij besluit van 21 januari 2026 heeft verweerder de aanvraag van opposant tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, omdat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Opposant heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Het beroep is bij uitspraak van 2 maart 2026 (de bestreden uitspraak) buiten zitting kennelijk ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft opposant verzet gedaan.
De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. Op grond van artikel 8:55, tweede lid en artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb bevat het verzetschrift gronden van verzet.
3. Op grond van artikel 8:55, tweede lid en artikel 6:6 van de Awb kan het verzet niet-ontvankelijk worden verklaard, indien niet is voldaan aan artikel 6:5, mits de indiener van het verzetschrift de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een daartoe hem gestelde termijn.
4. Opposant heeft op 3 maart 2026 tegen de bestreden uitspraak van 2 maart 2026 verzet ingediend. Er zijn geen gronden bij het verzet ingediend. Opposant is door de rechtbank op 2 april 2026 in de gelegenheid gesteld dit verzuim uiterlijk 9 april 2026 te herstellen. Omdat niet gereageerd is op dit bericht, heeft de rechtbank op 16 april 2026 een rappel verzonden. Ook hier is niet op gereageerd.
5. Nu er geen gronden zijn ingediend is het verzet niet-ontvankelijk. Op grond van artikel 8:55, achtste lid, van de Awb blijft de bestreden uitspraak van 2 maart 2026 in stand.
Beslissing
6. De rechtbank verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Ramdihal, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.