[verzoeker], verzoeker
geboren op [geboortedag] 1998, van Congolese nationaliteit, verzoeker
(gemachtigde: mr. J.B. Bierbach),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. J. Amakodo).
Inleiding
1. Verzoeker heeft op 21 maart 2025 een aanvraag ingediend tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER.
De minister heeft de aanvraag van verzoeker om de afgifte van een verblijfsdocument EU/EER op 16 december 2025 afgewezen (het bestreden besluit). Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit op 9 januari 2026 bezwaar gemaakt.
Verzoeker heeft op 28 januari 2026 ook de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek strekt ertoe de minister te gelasten aan verzoeker een faciliterend visum te verlenen als gezinslid van een Unieburger.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 26 mei 2026 op een hybride-zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de minister. Verzoeker, referente en mevrouw N. Atanasova als tolk in de Engelse taal hebben middels een digitale verbinding deelgenomen aan de zitting.
Beoordeling van de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter dient eerst te beoordelen of het verzoek ontvankelijk is. Daarvoor is relevant of er wordt voldaan aan het connexiteitsvereiste in de zin van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.
3. Het connexiteitsvereiste heeft een materieel en een formeel aspect. Aan beide aspecten dient te worden voldaan om het verzoek om een voorlopige voorziening ontvankelijk te verklaren. Formele connexiteit houdt in dat een voorlopige voorziening kan worden getroffen indien er een bezwaar, administratief beroep of beroep aanhangig is. Het vereiste van materiële connexiteit houdt in dat het verzoek betrekking moet hebben op het connexe, in de hoofdzaak bestreden, besluit.
4. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is sprake van formele connexiteit nu er bezwaarprocedure loopt tegen het bestreden besluit.
De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat er geen sprake is van materiële connexiteit. De verzochte voorziening strekt ertoe de minister te gelasten aan verzoeker een faciliterend visum te verstreken als gezinslid van een Unieburger. De voorzieningenrechter stelt vast dat er (nog) geen lopende procedure is voor de afgifte van een faciliterend visum bij de Nederlandse ambassade. De connexe bezwaarprocedure is gericht tegen de afgifte van een verblijfsdocument EU/EER. De gevraagde voorziening heeft dus (inhoudelijk) geen betrekking op het bestreden besluit. Hetgeen verzoeker beoogt niet kan worden bewerkstelligd middels een voorlopige voorziening hangende de bezwaarschriftprocedure tegen het bestreden besluit.
Verzoeker heeft toegelicht dat hij in een moeilijke positie verkeert. Zijn aanvraag om een EU/EER-verblijfsdocument is afgewezen, omdat hij - in de visie van de minister - dat document slechts in Nederland kan aanvragen. Daartegen heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Om te kunnen voldoen aan de door de minister gestelde voorwaarde heeft verzoeker getracht een faciliterend visum aan te vragen om in Nederland de aanvraag te kunnen doen. In de republiek Congo is echter geen Nederlandse ambassade. Daarom heeft hij zich gewend tot het Franse consulaat-generaal, maar die aanvraag werd op 17 april 2025 afgewezen. Een medewerker van de IND heeft ten behoeve van verzoeker contact opgenomen met de Nederlandse ambassade in de Democratische Republiek Congo en gevraagd waar en op welke termijn verzoeker terecht kan voor een aanvraag. Verzoeker werd verwezen naar een website voor het maken van een afspraak. Op 24 maart 2026 heeft verzoeker tevergeefs geprobeerd om een aanvraag voor de afgifte van een faciliterend visum in te dienen bij de Belgische ambassade. Dit is niet gelukt, omdat er geen tijdsloten beschikbaar waren om een afspraak in te plannen. Uiteindelijk is het verzoeker gelukt om een afspraak te maken op 27 mei 2026 voor het aanvragen van een faciliterend visum bij de Nederlandse ambassade in Kinshasa in de Democratische Republiek Congo.
De voorzieningenrechter heeft begrip voor de spanning en frustratie bij verzoeker en zijn echtgenote vanwege de geschetste gang van zaken, maar ziet hierin geen materiële connexiteit. Verzoeker zich heeft ingespannen om een faciliterend visum te verkrijgen en doet daartoe het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoeker heeft echter pas op 27 mei 2026 een afspraak om het faciliterend visum aan te vragen, zodat van een connexe bezwaar- of beroepsprocedure nog geen sprake is. Mocht de aanvraag om een facilitair visum onverhoopt worden afgewezen, dan kan verzoeker daartegen bezwaar maken en - connex aan die bezwaarprocedure - opnieuw een voorlopige voorziening vragen. De voorzieningenrechter wijst er ten behoeve van verzoeker op dat in dat geval ook sprake moet zijn van een spoedeisend belang, dat doorgaans niet wordt aangenomen op de enkele omstandigheid dat besluitvorming langer heeft geduurd.
5. Dat er geen sprake is van materiële connexiteit leidt tot de conclusie dat het verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Hoewel verzoeker en referente al lange tijd bezig zijn om naar Nederland te komen, ziet de voorzieningenrechter geen ruimte om in dit geval anders te concluderen.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R. Hol, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.