[eiser],
geboren op [geboortedag] 1991, van Palestijnse nationaliteit, eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. A.J.M. Mohrmann),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. F. Gieskes).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 19 maart 2026 niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de rechtsgevolgen van het bestreden besluit op te schorten totdat op het beroep is beslist.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op
11 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Driessen als tolk in de taal Palestijns-Jordaans en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag niet in stand kan blijven. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. Eiser komt uit Gaza. Eiser heeft op 12 december 2025 in Nederland een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Uit het paspoort van eiser blijkt dat de autoriteiten van Duitsland een visum aan hem hebben verleend met een geldigheidsduur van 9 oktober 2025 tot 8 oktober 2026. De minister heeft daarom de autoriteiten van Duitsland verzocht om eiser over te nemen. Op 5 januari 2025 zijn de autoriteiten van Duitsland hiermee akkoord gegaan.
In het bestreden besluit heeft de minister vervolgens bepaald dat de asielaanvraag van eiser niet in behandeling wordt genomen op de grond dat Duitsland hiervoor verantwoordelijk is. De minister heeft verder geen reden gezien om de asielaanvraag van eiser alsnog in behandeling te nemen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij een broer in Nederland heeft van wie hij afhankelijk is. Ook de medische omstandigheden die eiser naar voren heeft gebracht zijn geen reden om de asielaanvraag in behandeling te nemen. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bijzonder kwetsbaar is. Tot slot heeft eiser geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht die maken dat overdracht aan Duitsland leidt tot onevenredige hardheid.
Visum
5. Eiser voert ten eerste aan dat de minister ten onrechte is uitgegaan van de geldigheid van het Duitse visum. Het visum is niet geregistreerd in EU-Vis. De minister had daarom nader onderzoek moeten doen naar de geldigheid van het visum. Dat er een claimakkoord tot stand is gekomen, betekent niet dat het visum geldig was. Het claimakkoord is mogelijk op grond van onjuiste informatie tot stand gekomen.
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister mocht uitgaan van de geldigheid van het Duitse visum. Dat het visum niet is geregistreerd in EU-Vis, maakt dit niet anders. Uit het paspoort van eiser, dat echt is bevonden, blijkt namelijk dat eiser met het visum Duitsland is ingereisd. Dat is voldoende om uit te gaan van de geldigheid van het visum. De beroepsgrond slaagt niet.
C.K.-arrest
7. Eiser voert verder aan dat de minister ten onrechte geen rekening heeft gehouden met zijn medische problemen en bijzondere kwetsbaarheid. Uit de overgelegde medische stukken blijkt dat eiser suïcidaal is en dat dit verband houdt met de dreiging van overdracht aan Duitsland.
8. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser met de medische stukken niet aannemelijk heeft gemaakt dat de overdracht aan Duitsland zal leiden tot een onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand. Niet is gebleken dat het suïciderisico bij eiser als reëel of hoog is ingeschat. De minister verwijst daarbij naar twee uitspraken van deze rechtbank, waarin volgens de minister sprake was van vergelijkbare feiten en waarin de rechtbank oordeelde dat niet aannemelijk was dat de overdracht zou leiden tot een onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand van de betrokkenen.
9. De rechtbank stelt vast dat uit de stukken die eiser heeft overgelegd onder andere het volgende blijkt over zijn gezondheidstoestand:
- Medisch dossier van de huisarts:
14 april 2026: ‘Status quo; nog veel stress en slaapproblemen. Met oxazepam kan wel iets beter slapen. Echter ziet vaak nachtmerries en herbelevingen van traumatische ervaringen toen hij in Gaza was. Altijd last gehad van deze klachten maar sinds een maand klachten erg toegenomen. Kreeg toen te horen dat hij terug naar Duistland moet en dat vindt hij heel erg. Heeft zijn familie verloren in Gaza tijdens de oorloog daar en heeft niemand behalve zijn broer in Groningen. Heeft suïcidale gedachten gehad en automutilatie 2-3 weken geleden, zie eerdere contacten. Nu geen suïcidale gedachten/ uitingen of actief doodwens.’
7 april 2026: ‘Spreekt spontaan over automutilatie: was niet de bedoeling maar kwam vanzelf door stress, slaapgebrek en sombere gedachten. Deheef heeft zich 2x gepijnigd met elektriciteit (littekens op onderarmen), maar is er pas achter gekomen toen zijn broer hem erop wees. Hij was 'buiten zichzelf' toen hij zichzelf pijnigde.
Het kantelmoment van zijn emoties is toen hij te horen kreeg dat hij terug naar Duitsland
moest via I&D op 19-03-2026. Deheer is enorm close met zijn broer en zeer afhankelijk van
hem, die momenteel in Groningen woont. De gedachte om ver van hem gescheiden te
moeten zijn geeft hem enorm veel pijn en stress. In mei volgt er nog een proces met een
advocaat, wat hem dus bezig houdt. Hij heeft nachtmerries en af en toe het gevoel dat hij een
paniekaanval krijgt. Met Oxazepam gaat het slapen beter, maar hij wil niet afhankelijk zijn van medicatie en wenst een gesprek met een psycholoog.
Heeft nu geen actieve doodswens, wil juist iets doen aan zijn sombere gedachten en stress.’
3 april 2026: ‘Oxazepam heel goed geholpen goed geslapen. Kreeg 1 tablet mee moest er wel voor betalen. Wilt graag psychologisch hulp, eerder POH-GGZ gehad vond dit niet goed genoeg. Nu klachten van automutilatie en heeft het op dat moment niet door dat hij zichzelf iets aan doet. Verblijft met enige familielid, broer in Groningen. Heeft al op transfer gevraagd bij COA. Suicidaliteit is aanwezig maar niet actief. geen plan.’
2 april 2026: ‘TT ENG: 2M geleden een brief gehad i.v.m dublin claim 1e asiel aanvraag was in Duitsland. Deze brief wekt eerder trauma op, in GAZA is zijn familie omgekomen door een bombardement waarvan dhr de enige overlevende is. Dhr omschrijft zelf: de narigheid en het verlies wat hij heeft meegemaakt is onbeschrijfelijk, ik dacht dat ik sterk was. Door zijn trauma slaapt hij gemiddeld 3u per nacht, beschadigd zichzelf (neemt pillen in, naam niet bekend) of schokt zichzelf met elektriciteit (re pols). Ook is er sprake van zelfmoord gedachtes deze zijn vaker in de week aanwezig en heeft hier geen controle over, zegt nadrukkelijk dat hij niet kan beloven dat hij hiernaar niet handelt maar wilt zijn leven niet beindigen. Heeft houvast aan zijn geloof en voelt ook schaamte.’
28 maart 2026: ‘Dhr. belt en spreekt engels, abcd stabiel. Klacht: langer bestaande psychische klachten, HV: afspraak bij de psycholoog.
En hij wil graag praten. Slaapt heel slecht, omdat hij nachtmerries krijgt. Suicide gedachten: af en toe en eerder ook al poging gedaan. Nu geen actieve suicide gedachten. In principe gaat het iets beter, maar de klachten komen van tijd tot tijd steeds terug. Diabetes-, schedel
trauma-, momenteel niet alleen thuis maar bij een vriend.’
28 januari 2026: ‘Tt Arab(pal): POH-ggz intake; Kreeg laatst slecht nieuws over procedure dublin claim. Dhr. Is hiervoor in Dui geweest en moet terug. met advocaat besproken, die zegt dat kans aanwezig is dat het kan gebeuren. Is hierdoor overstuur, ziet nachtmerries, moet veel piekeren nu. heeft stress door ook in het verleden al zo vaak zichzelf verplaatst te hebben van ene naar andere plek. Heeft in het verleden wel eens passieve suicidale gedachten gehad. Nooit naar gehandeld. Heeft door oorlog heel zijn familie verloren, heeft hier wel een broer. Heeft het gevoel slecht behandeld te zijn door IND, die hebben nooit gevraagd naar zijn situatie en wat hij meegemaakt heeft.’
‘- Suicidale gedachten uitgesproken voor het eerst, passief of actief. Wat er precies in zijn
hoofd omgaat voor hij deze gedachtegang krijgt. Besproken ook afleiding te gaan zoeken,
invulling te krijgen. Gemotiveerd dat verandering ook vanuit dhr. zelf moet komen. Bij
opkomen suicidale gedachten die erger worden, PL bellen.
- POH-ggz intake: aangehoord, emoties en pijn ruimte gegeven. Heeft momenteel situationele stress vanuit uitspraak IND. Aangegeven dat deze stressvolle reactie begrijpelijk is bij dit slechte nieuws, hierover ging het stuk beter met dhr. Ruimte geven aan deze emoties en gedachten en er moet ook tijd overheen gaan om te verwerken.’
27 januari 2026: ‘pt belt via reg lijn: sinds paar dagen onwel gevoel, nachtmerrie, en eenzaam gevoel. Heeft 4 dagen niet goed geslapen. Ervaart deze gevoelens voor het eerst. Gebruikt geen medicijnen; niet bekend bij de psycholoog
HV: wilt een afspraak bij de psycholoog om uit te praten en hulp te zoeken
kortademig-, duizelig-, zweterig-
Soms suicidale gedachten, geen agressief gedrag, geen gevoel dat hij achtervolgd wordt,
geen alcohol/drugs gebruik, niet extreem ongerust of angstig, schedeltrauma-, diabetes-,
hallucinaties-, koorts-’
- Melding calamiteiten:
‘Suïcidedreiging’ ‘Betrokkene heeft tegenover praktijkondersteuner GGZ suïcidale
gedachten geuit’ ‘Datum incident: 28-01-2026)
- Verklaring van diagnostische bevindingen (op basis van intake):
‘Datum intake: 23-04-2026
Behandelaar: WO-psycholoog [naam 1]
Tolkontdersteuning: [naam 2]
Instelling: FSD GGZ
Opgesteld door: WO-psycholoog [naam 1]
Intakegegevens
Tijdens de intake is informatie verzameld over de huidige psychische klachten en voorgeschiedenis van cliënt. Cliënt rapporteerde ernstige stressklachten, slaapstoornissen en sombere gedachten. Daarnaast werden episodes van automutilatie beschreven, voorkomend in perioden van verhoogde spanning en emotionele ontregeling. Cliënt gaf aan dat deze episodes gepaard gingen met verminderd bewustzijn en beperkte herinnering achteraf.
Er is sprake van duidelijke emotionele stress rondom ingrijpende levensgebeurtenissen, waaronder een mogelijke gedwongen verhuizing in het kader van juridische/immigratieprocedures. Cliënt rapporteert een sterke emotionele afhankelijkheid van zijn broer, en geeft aan dat mogelijke scheiding van deze persoon leidt tot aanzienlijke angst en spanning.
Daarnaast worden de volgende klachten benoemd:
Nachtmerries
Paniekachtige klachten
Slaapproblemen
Aanhoudende stressklachten
Tijdelijke verbetering van slaap met Oxazepam, met voorkeur om medicatieafhankelijkheid te vermijden
Klinische indruk (op basis van intake)
Op basis van de intakegegevens wordt een voorlopige klinische indruk gevormd van:
Posttraumatische stressgerelateerde klachten (PTSS-kenmerken)
Angststoornis, ongespecificeerd
Behandelstatus
Cliënt is nog niet gestart met behandeling vanwege de tijdelijke afwezigheid van de arabische talige behandelaar tot 11 mei 2026.
Conclusie
Op basis van de intake is sprake van ernstige psychische klachten met kenmerken van angst, stress en traumagerelateerde problematiek.’
10. Op de zitting heeft eiser verklaard dat er met ingang van de datum van de zitting een behandeling opgestart wordt.
11. De rechtbank is van oordeel dat eiser met deze informatie de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen waartoe een overdracht zelf zou kunnen leiden, in ieder geval tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt. Volgens de informatie is er bij eiser sprake van zeer ernstige psychische klachten. Uit de informatie blijkt ook dat zijn klachten aanzienlijk zijn toegenomen sinds hij heeft gehoord dat hij terug moet naar Duitsland. Bovendien is er sprake van recente automutilatie. Vanwege deze automutilatie verschilt de situatie van eiser van die van de eisers in de uitspraken waarnaar de minister heeft verwezen.
12. Het voorgaande betekent in het licht van het arrest C.K. dat de vergewisplicht van de minister is geactiveerd. De minister moet de gerezen twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheid van eiser wegnemen. Daartoe dient de minister het BMA om een medisch advies te vragen. In het bijzonder wanneer er sprake is van een ernstige psychische aandoening, zoals bij eiser, mag daarbij volgens het arrest C.K. niet worden volstaan met te kijken naar de gevolgen van het fysieke vervoer van de betrokkene van een lidstaat naar een andere, maar moet rekening worden gehouden met alle aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen die uit de overdracht zouden voortvloeien.
13. De beroepsgrond slaagt. Dit betekent dat het beroep gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op om een nieuw besluit te nemen. Ten behoeve van de finale geschilbeslechting overweegt de rechtbank nog het volgende.
Afhankelijkheid van broer
14. Eiser voert verder aan dat hij afhankelijk is van zijn broer die in Nederland woont.
15. De rechtbank stelt vast dat eiser tijdens het gehoor heeft verklaard dat hij afhankelijk is van zijn broer, zowel financieel als mentaal. Hier zijn tijdens het gehoor geen nadere vragen over gesteld. De rechtbank stelt ook vast dat eiser zelf geen enkele gegevens van zijn broer heeft overgelegd. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser desgevraagd toegelicht dat alle energie in deze zaak is ingezet om de kwetsbare gezondheidstoestand van eiser te onderbouwen. De rechtbank constateert ook dat uit het in beroep overgelegde medisch dossier blijkt dat eiser bij de huisarts meermaals heeft aangegeven dat hij een broer heeft die in Groningen woont en van wie hij afhankelijk is.
16. Nu de minister een nieuw besluit moet nemen, ontstaat er ruimte voor eiser om nadere gegevens over zijn broer over te leggen en voor de minister om hier dan vragen over de stellen. De rechtbank moedigt partijen aan om hierover met elkaar in gesprek te gaan.
Bijzondere omstandigheden
17. Tot slot voert eiser aan dat de minister ten onrechte heeft betwist dat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Eiser verwijst naar zijn persoonlijke omstandigheden die onlosmakelijk verbonden zijn met de fysieke en psychische problemen in het geval van een overdracht naar Duitsland. Een en ander is in onvoldoende mate meegenomen in de besluitvorming.
18. De rechtbank komt gelet op haar oordeel onder 13 niet toe aan deze beroepsgrond.
Conclusie en gevolgen
19. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel, neergelegd in de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Dit omdat de minister het BMA om advies moet vragen.
20. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.
21. Nu het beroep gegrond is, bestaat er geen aanleiding meer om de gevraagde voorziening te treffen. De rechtbank wijst dat verzoek dan ook af.
22. Omdat het beroep gegrond is moet de minister de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer NL26.15516:
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer NL26.15517:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
De rechtbank, in beide zaken:
- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. C.S. Carella, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.