RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.28300
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en
(gemachtigde: mr. H. Toonders).
Procesverloop
Verweerder heeft op 8 april 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
Verweerder heeft desgevraagd op 27 mei 2026 een verweerschrift ingediend en op diezelfde dag de bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 27 mei 2026 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1990 en de Burkinese nationaliteit te hebben.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 21 april 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom ziet de beoordeling nu op het voortduren van de maatregel van bewaring sinds 15 april 2026 tot aan het moment van opheffen.
4. Eiser stelt dat er geen zicht op uitzetting naar Burkina Faso bestaat. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat, volgens instructies uit de hoofdstad Ouagadougou, de ambassade geen reisdocumenten mag afgeven voor gedwongen terugkeer. DT&V heeft op 16 april 2026 een verzoek ingediend bij het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken, om deze zaak te bespreken met de Burkinese migratiedienst en autoriteiten. Dit verzoek is direct doorgezet naar de Nederlandse ambassade in Ouagadougou. Eiser meent dat het pure speculatie is om te denken dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken de Burkinese autoriteiten kan overtuigen om deze ambtsinstructie te wijzigen. Ook zijn er sindsdien al vijf weken verstreken. Hij vraagt zich af hoe lang verweerder al bekend is met deze ambtsinstructie uit Ouagadougou.
5. In het verweerschrift heeft verweerder toegelicht dat de door eiser aangehaalde passage uit de voortgangsrapportage berust op een misverstand. Het is wel degelijk mogelijk om gedwongen uitzettingen naar Burkina Faso te realiseren. Verweerder verwijst hierbij naar de website van DT&V. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat zicht op uitzetting naar Burkina Faso in zijn algemeenheid aanwezig is. Niet is gebleken dat dit voor eiser anders was. Verweerder moet dan ook de tijd gegund worden om een lp-traject af te wachten. Wel kunnen bijzondere omstandigheden ertoe leiden dat aan de belangen van de vreemdeling, ook al is de zes maandentermijn nog niet verstreken, een groter gewicht toekomt dan aan de belangen van verweerder. In het aanvullend verweerschrift heeft verweerder uiteengezet dat hij andere omstandigheden heeft laten meewegen die hebben geleid tot het toepassen van een lichter middel en daarin aanleiding gezien om de maatregel van bewaring op te heffen. Gelet op het voorgaande wordt geen reden gezien voor het oordeel dat verweerder de maatregel van bewaring eerder had moeten opheffen.
6. Verder leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van opheffen onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 2 juni 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.