RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.29083
V-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),
en
(gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).
Procesverloop
Verweerder heeft op 23 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Verweerder heeft op 13 april 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
Verweerder heeft desgevraagd op 1 juni 2026 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 1 juni 2026 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1995 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is vanaf het moment van het sluiten van het onderzoek in het laatste beroep op 31 maart 2026.
4. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld en er geen zicht op uitzetting meer aanwezig was. De Marokkaanse autoriteiten hebben geweigerd hem te erkennen en acties richting de Algerijnse autoriteiten zijn zinloos, omdat eiser geen Algerijnse ingezetene is. Eiser meent dat verweerder hem ‘vergeten’ was. Er is op 12 maart 2026 voor het laatst gerappelleerd en de daaropvolgende dag is er voor het laatst een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Volgens eiser is er in ieder geval vanaf 28 maart 2026 onvoldoende voortvarend gewerkt aan zijn uitzetting en heeft de maatregel van bewaring vanaf die dag dan ook onrechtmatig voortgeduurd.
5. In het algemeen bestaat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije. Niet is gebleken dat dit voor eiser anders was. Verweerder moet dan ook de tijd gegund worden om een lp-traject af te wachten. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser zelf geen inspanning heeft verricht om mee te werken aan de afgifte van een lp. Er kan dan ook niet worden vastgesteld dat de Algerijnse autoriteiten ondanks een volledige medewerking van eiser niet bereid zullen zijn om binnen afzienbare tijd een lp af te geven. Verweerder heeft in de tussentijd echter wel voldoende voortvarend gehandeld door in de te beoordelen periode schriftelijk te rappelleren over de lp-aanvraag. Ook stond blijkens de voortgangsrapportage een vertrekgesprek gepland op 13 april 2026. Dit gesprek heeft echter geen doorgang kunnen vinden omdat de maatregel van bewaring werd opgeheven.
6. Op 13 april 2026 heeft verweerder namelijk een belangenafweging gemaakt, omdat eiser bijna zes maanden in bewaring verbleef. Verweerder heeft gemeend dat het belang van eiser bij zijn invrijheidstelling na bijna zes maanden vreemdelingenbewaring prevaleerde boven het belang bij het voortduren van de bewaring. De aanvraag om afgifte van een lp was nog in behandeling, maar heeft ondanks regelmatig rappelleren, niet geleid tot afgifte van een reisdocument dan wel de vaststelling van de nationaliteit en identiteit van eiser. Om die reden is de bewaring op 13 april 2026 opgeheven. In beginsel komt gedurende de eerste zes maanden van de bewaring meer gewicht toe aan de belangen van verweerder bij voortduring van de bewaring dan aan de belangen van eiser bij zijn invrijheidstelling. Wel kunnen bijzondere omstandigheden ertoe leiden dat aan de belangen van de vreemdeling, ook al is de zes maandentermijn nog niet verstreken, een groter gewicht toekomt dan aan de belangen van verweerder. Eiser heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die maken dat de belangenafweging eerder dan op 13 april 2026 had moeten worden gemaakt.
7. Verder leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van opheffen onrechtmatig was
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 2 juni 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.