RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.28378
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),
en
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Procesverloop
Bij besluit van 6 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Essebai. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op
[geboortedag] 2002.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser is het niet eens met de maatregel van bewaring en heeft daartegen een aantal beroepsgronden aangevoerd. Volgens eiser heeft verweerder onvoldoende onderzoek verricht naar het beginsel van non-refoulement zoals dat volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026. De boordeling blijkt ook niet uit de motivering van het besluit tot oplegging van de maatregel. Dit leidt tot een motiveringsgebrek.
4. De uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026 gaat over de gevolgen van het arrest van het Hof van Justitie van 4 september 2025, Adrar, voor de nationale rechter (de bewaringsrechter) die de rechtmatigheid van de bewaring van een vreemdeling met het oog op diens uitzetting moet toetsen. De rechtbank leidt uit voornoemde uitspraak van de Afdeling af dat in het gehoor voorafgaand aan de bewaring actief concrete vragen gesteld moeten worden om binnen het kader van het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn te onderzoeken en te kunnen beoordelen of het beginsel van non-refoulement zich tegen de uitzetting verzet. Het resultaat van dit onderzoek en van de zorgvuldige voorbereiding moet blijken uit de motivering van het besluit tot bewaring. Als niet uitdrukkelijk in de maatregel is gemotiveerd dat er geen zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat betrokkene in het land van bestemming een reëel risico zal lopen op de door artikel 4 en artikel 19, tweede lid, van het EU Handvest verboden behandelingen, kan op grond van de bewoordingen van de motivering, waarin wordt verwezen naar het gehoor, worden aangenomen dat de beoordeling hierin besloten ligt en op die wijze voldoende kenbaar is.
5. In het gehoor voorafgaand aan de bewaring is het volgende aan eiser gevraagd:
V: Heeft u te vrezen voor vervolging en/of onmenselijke/vernederende behandeling waartegen de autoriteiten van uw land u niet beschermen? Zo ja, waaruit blijkt dat?
A: Ik heb geen idee.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee actief een concrete vraag heeft gesteld om binnen het kader van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn te onderzoeken en te kunnen beoordelen of het beginsel van non-refoulement zich tegen de uitzetting van eiser verzet. Nog daargelaten of eiser deze vraag wel heeft begrepen en of dit onderzoek van verweerder voldoende zorgvuldig en volledig is geweest, blijkt uit de maatregel vervolgens niet wat het resultaat is van het door verweerder verrichte onderzoek. Verweerder heeft zich in de maatregel niet op het standpunt gesteld dat er geen zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat eiser in het land van bestemming een reëel risico zal lopen op de door artikel 4 en artikel 19, tweede lid, van het EU Handvest verboden behandelingen. In de maatregel wordt überhaupt geen woord gewijd aan het beginsel van non-réfoulement. In de overwegingen met betrekking tot het zicht op uitzetting wordt niet verwezen naar het gehoor van eiser. De maatregel bevat ook geen conclusie aangaande het opleggen van de maatregel met een verwijzing naar de door eiser aangevoerde feiten en omstandigheden. De rechtbank concludeert dat uit de maatregel nergens is af te leiden dat verweerder de vereiste beoordeling heeft gemaakt, laat staan dat de motivering voldoende kenbaar is. Er is daarmee geen sprake van een situatie als bedoeld in de Afdelingsuitspraak van 12 februari 2026 onder rechtsoverweging 15.1.
7. Verweerder geeft ter zitting nog aan dat in de maatregel is opgenomen dat eiser uit een veilig land komt. Verweerder doelt hierbij op de volgende passage: “De vreemdeling is een veilige lander (…) Dit wil zeggen dat een aanvraag van een veilige lander op voorhand al geen kans van slagen heeft”. Volgens verweerder is het algemene uitgangspunt dat vreemdelingen uit veilige landen van herkomst niet te vrezen hebben voor de autoriteiten. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze algemene bewoordingen niet gelden als het resultaat van een door verweerder verricht onderzoek of het beginsel van réfoulement zich verzet tegen de uitzetting van eiser.
8. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn motiveringsplicht.
9. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 28 mei 2026. Omdat het beroep om deze reden gegrond is, behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking.
10. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 23 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 2 x € 160,- (verblijf politiecel) en 21 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 2.840,-.
11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 28 mei 2026;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 2.840,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
M.A. van Garder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.