[verzoeker 1],
[verzoeker 2] en
[verzoeker 3] ,
verzoekers
(gemachtigde: mr. B. Aydin),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Samenvatting
De voorzieningenrechter beslist in deze uitspraak dat verzoekers niet mogen worden uitgezet totdat de minister een beslissing heeft genomen op hun bezwaar tegen het besluit van 10 september 2024.
Inleiding
[verzoeker 1] (hierna: verzoeker) verblijft al ruim dertig jaar in Nederland. Hij heeft, na eerdere procedures, op 30 september 2022 een verblijfsvergunning aangevraagd voor het verrichten van arbeid als zelfstandige met zijn bedrijf [bedrijf]. [verzoeker 2] is zijn echtgenote. [verzoeker 3] is hun zoon, hij is geboren in Nederland en inmiddels 21 jaar oud. De echtgenote en zoon van verzoeker hebben op dezelfde datum een aanvraag ingediend voor verblijf bij hun echtgenoot/vader.
De minister heeft deze aanvragen in één besluit van 10 september 2024 afgewezen. Volgens de minister is de aanvraag van verzoeker onvoldoende onderbouwd, onder andere omdat het ondernemingsplan van [bedrijf] niet voldoet aan de documentatie-eisen. Daarom heeft de minister het ondernemingsplan niet laten beoordelen door de RVO. De aanvragen van de echtgenote en de zoon zijn afgewezen omdat die afhankelijk zijn van de aanvraag van verzoeker.
Verzoekers hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht te bepalen dat zij niet mogen worden uitgezet totdat op het bezwaar is beslist.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 26 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers, de gemachtigde van verzoekers, de heer M. Erbek als tolk Turks en de gemachtigde van de minister.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Dat betekent dat verzoekers niet mogen worden uitgezet totdat de minister op het bezwaar heeft beslist.
De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker in bezwaar elke zes à negen maanden stukken bij de minister heeft ingediend om te onderbouwen dat [bedrijf] een goedlopend bedrijf is. Zo heeft hij onder andere twee overeenkomsten van opdracht, diverse facturen en bankafschriften over de jaren 2022-2026 overgelegd. Ook heeft hij aangiftes IB, ZVW en BTW over diezelfde periode overgelegd, en een second opinion over het ondernemingsplan. De minister heeft voldoende gelegenheid gehad om naar deze stukken te kijken, maar heeft daarover nog geen inhoudelijk standpunt ingenomen, ook niet op de zitting. De voorzieningenrechter sluit dus niet uit dat het bezwaar kans van slagen heeft.
De voorzieningenrechter kan niet verder vooruitlopen op de uitkomst van de bezwaarprocedure. Wel kan de voorzieningenrechter een belangenafweging maken. Daarbij weegt de voorzieningenrechter het belang van verzoekers om het bezwaar in Nederland te mogen afwachten af tegen het belang van de minister om vreemdelingen die illegaal in Nederland verblijven uit te zetten.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de belangenafweging in het voordeel van verzoekers uitvalt. Het belang van de minister weegt minder zwaar omdat verzoekers al zeer lang in Nederland zijn en niet is gebleken dat de minister daadwerkelijk pogingen heeft ondernomen om hen uit te zetten. Ook op de zitting heeft de minister verklaard dat er geen concrete stappen worden gezet om verzoekers uit te zetten. Bovendien heeft de minister het bezwaar van verzoekers niet voortvarend opgepakt, dat bezwaar is al meer dan anderhalf jaar geleden ingediend en de minister heeft op de zitting geen inschatting kunnen geven hoe lang het nog zal duren voordat op het bezwaar wordt beslist. Tegen die achtergrond is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekers de beslissing op het bezwaar in Nederland mogen afwachten.
Conclusie en gevolgen
3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en bepaalt dat verzoekers niet mogen worden uitgezet totdat de minister op het bezwaar tegen het besluit van 10 september 2024 heeft beslist.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet de minister het griffierecht aan verzoekers vergoeden, voor zover zij dat hebben betaald.
De minister moet ook de proceskosten van verzoekers vergoeden. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen verzoekers een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
De voorzieningenrechter heeft partijen erop gewezen dat tegen deze uitspraak geen hoger beroep openstaat.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- bepaalt dat verzoekers niet mogen worden uitgezet totdat op het bezwaar tegen het besluit van 10 september 2024 is beslist;
- bepaalt dat, voor zover verzoekers griffierecht hebben betaald, de minister dit griffierecht aan hen moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekers.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2026 door mr. H.J. Schaberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van L. Fernandez Ferreiro, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.