ECLI:NL:RBDHA:2026:14740

ECLI:NL:RBDHA:2026:14740

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 29-05-2026
Datum publicatie 02-06-2026
Zaaknummer NL24.13209 en NL24.13210 en NL25.9940
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

MK-uitspraak: artikel 12,vierde lid, IVBPR heeft rechtstreekse werking. Het betreft een onvoorwaardelijk recht en de bepaling is voldoende nauwkeurig om als eenieder verbindende bepaling aan te merken. De beroepen zijn gegrond. De minister moet alsnog beoordelen of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsrecht, ontleend aan deze bepaling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[eiser], eiser en verzoeker, hierna: eiser,

Samenvatting

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummers: NL24.13209 (beroep intrekking)

NL24.13210 (voorlopige voorziening intrekking)

NL25.9940 (beroep wijziging verblijfsdoel)

V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de meervoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

(gemachtigde: mr. A.M.J.M. Louwerse),

en

de minister van Asiel en Migratie ,

(gemachtigde: mr. J. van Dam).

1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van eisers verblijfsvergunning en de afwijzing van zijn aanvraag om wijziging van de beperking van zijn verblijfsvergunning. Eiser is het met beide besluiten niet eens en voert een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank beide beroepen.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat beide besluiten in rechte geen stand kunnen houden. Eiser krijgt dus gelijk en de beroepen zijn gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Onder 2 staat het procesverloop in de zaken. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Daarbij gaat de rechtbank eerst in op het beroep dat in het kader van beide procedures is gedaan op artikel 12, vierde lid, van het IVBPR. Vervolgens zal de rechtbank ingaan op het beroep dat is gedaan op artikel 8 van het EVRM. Tot slot zal de rechtbank ingaan op de hoorplicht. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser is geboren op [geboortedag] 1958 en heeft de Surinaamse nationaliteit.

Eiser is op 22 april 2022 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met als doel ‘verblijf bij familie- of gezinslid [naam]’. Bij besluit van 13 september 2023 (het primaire besluit 1) heeft de minister deze verblijfsvergunning ingetrokken met terugwerkende kracht per 22 augustus 2022. Het hiertegen ingediende bezwaarschrift is bij besluit van 28 februari 2024 ongegrond verklaard (het bestreden besluit 1). Op 25 maart 2024 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Deze procedures zijn geregistreerd onder nummers NL24.13209 en NL24.13210.

Eiser heeft op 12 juli 2023 een aanvraag ingediend tot wijziging van de beperking van de aan hem verleende verblijfsvergunning in – zo begrijpt de rechtbank –de beperking ‘verblijf op grond van artikel 12, vierde lid, van het IVBPR’ dan wel de beperking ‘humanitair niet tijdelijk – artikel 8 van het EVRM privéleven’. Bij besluit van 12 maart 2024 heeft de minister deze aanvraag afgewezen (het primaire besluit 2). De minister heeft het hiertegen gerichte bezwaarschrift bij besluit van 3 februari 2025 (het bestreden besluit 2) afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft op 28 februari 2025 ook tegen dit besluit beroep ingesteld. Deze procedure is geregistreerd onder nummer NL25.9940.

De rechtbank heeft de zaken op 19 september 2025 enkelvoudig op de zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en mr. S. Imami namens de minister. Na de zitting heeft de rechtbank de zaken verwezen naar de meervoudige kamer voor verdere behandeling.

De meervoudige kamer van de rechtbank heeft de beroepen op 4 februari 2026 op de zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft na afloop van de zitting het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

3. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser niet langer voldoet aan de voorwaarden van de verblijfsvergunning met als doel ‘verblijf bij familie- of gezinslid’ en dat de intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht per 22 augustus 2022 op zichzelf terecht is. Wel worden partijen verdeeld gehouden over de vraag of eiser voorgezet verblijf toekomt. Zowel in de procedure omtrent de intrekking als in de procedure over de wijziging van de beperking van de verblijfsvergunning heeft eiser aangevoerd dat hem een verblijfsrecht toekomt op grond van artikel 12, vierde lid, van het IVBPR, dan wel op grond van artikel 8 van het EVRM. Verder is in geschil of eiser in de procedure omtrent de wijziging van de beperking van de verblijfsvergunning gehoord had moeten horen.

Slaagt het beroep op artikel 12, vierde lid, van het IVBPR?

4. Artikel 12, vierde lid, van het IVBPR bepaalt – kort gezegd – dat aan niemand willekeurig het recht mag worden ontnomen om naar zijn eigen land terug te keren

5. Eiser heeft zich primair op het standpunt gesteld dat hem een verblijfsrecht toekomt op grond van artikel 12, vierde lid, van het IVBPR. Volgens eiser heeft deze bepaling rechtstreekse werking. De intrekking van zijn verblijfsvergunning en de weigering om het verblijfsdoel te weigeren is in strijd met artikel 12, vierde lid, van het IVBPR omdat het gevolg van die beslissingen is dat eiser de toegang tot Nederland wordt ontzegd. Ter onderbouwing heeft eiser onder meer gewezen op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 1 september 2023. Deze uitspraak is in hoger beroep bevestigd door de Afdeling. Ook heeft eiser verwezen naar General Comment 27 van het VN-mensenrechtencomité over de betekenis van artikel 12, vierde lid, van het IVBPR, op een artikel van J-H Seelow in A&MR 2024/4 en naar een arrest van de Hoge Raad van 10 oktober 2014 waarin wordt uitgelegd wanneer een verdragsbepaling rechtstreekse werking heeft. De minister heeft gemotiveerd betwist dat aan artikel 12, vierde lid, van het IVBPR rechtstreekse werking toekomt en heeft om die reden niet getoetst aan deze bepaling.

6. De rechtbank overweegt het volgende.

In artikel 93 van de Grondwet staat dat bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, verbindende kracht hebben nadat zij zijn bekendgemaakt. Als nationale wettelijke voorschriften in strijd zijn met dergelijke een ieder verbindende bepalingen, heeft de verdragsbepaling voorrang, zo volgt uit artikel 94 van de Grondwet.

Om te bepalen of een verdragsbepaling een ieder verbindt, moet eerst worden nagegaan of rechtstreekse werking niet is uitgesloten door de verdragspartijen. Als dat niet het geval is, moet de rechter nagaan of een dergelijke verdragsbepaling door een burger of rechtspersoon kan worden ingeroepen. Dat hangt af van de inhoud van de bepaling en meer in het bijzonder van de vraag of de bepaling a) plichten oplegt of rechten toekent aan een burger of rechtspersoon, en b) onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is om door een rechter te worden toegepast.

De verdragspartijen bij het IVBPR hebben rechtstreekse werking niet uitgesloten. Aan de eerste hierboven genoemde voorwaarde om rechtstreekse werking aan te nemen wordt dan ook voldaan. Verder is het naar het oordeel van de rechtbank duidelijk dat artikel 12, vierde lid, van het IVBPR rechten toekent aan burgers, namelijk het recht om toegang te krijgen en te houden tot het eigen land. Dat dit een onvoorwaardelijk recht betreft, is ook duidelijk. Het uit artikel 12, vierde lid, van het IVBPR voortvloeiende recht op toegang tot het eigen land is niet gebonden aan enige voorwaarde, zo blijkt uit de formulering van het artikel. Verder is de rechtbank van oordeel dat deze bepaling ook voldoende nauwkeurig is om als een eenieder verbindende bepaling aan te merken. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in het arrest van de Hoge Raad van 24 november 2000, waarin de Hoge Raad zonder terughoudendheid toetst aan artikel 12, vierde lid, van het IVBPR. Dit oordeel is ook in lijn met de aangehaalde General Comments van het VN mensenrechtencomité. De conclusie is dan ook dat artikel 12, vierde lid, van het IVBPR een eenieder verbindende bepaling is als bedoeld in artikel 93 van de Grondwet die rechtstreeks doorwerkt in het Nederlandse recht.

Voor zover de minister nog heeft betoogd dat Nederland een voorbehoud heeft gemaakt bij het tekenen van het IVBPR dat de bepalingen alleen van toepassing zijn op het Europese deel van het Koninkrijk, slaagt dit betoog niet. Allereerst is van belang dat er geen specifiek voorbehoud is gemaakt voor Suriname bij de ondertekening van het IVBPR. Dat is ook logisch aangezien Suriname op dat moment geen onderdeel meer uitmaakte van het Koninkrijk. Dat voor de Nederlandse Antillen wel een voorbehoud is gemaakt, maakt dus niet dat hetzelfde zou moeten gelden voor Suriname. Het gemaakte voorbehoud is verder zonder relevantie voor de periode voor de ondertekening op 11 maart 1979. Belangrijker acht de rechtbank evenwel dat ‘het eigen land’ niet per definitie het land van nationaliteit hoeft te zijn. De omstandigheid dat eiser thans de Surinaamse nationaliteit heeft, is dan ook niet het doorslaggevende element in de beoordeling. Dat volgt ook uit de al aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad, nu daarin artikel 12, vierde lid, van het IVBPR onverkort is toegepast op iemand met de Surinaamse nationaliteit.

De conclusie is aldus dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat artikel 12, vierde lid, geen rechtstreekse werking heeft en dus ook ten onrechte niet beoordeeld of eisers beroep op artikel 12, vierde lid van het IVBPR kan slagen. Het besluit is op dit onderdeel onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd.

Slaagt het beroep op artikel 8 van het EVRM?

7. Eiser heeft in beide zaken ook nog een beroep gedaan op artikel 8 van het EVRM. De rechtbank stelt vast dat aan beide besluiten ook op dat onderdeel gebreken kleven. Zo heeft de minister ter zitting erkend dat de gehanteerde maatstaf niet klopt. De minister is er in de besluiten ten onrechte vanuit gegaan dat alleen in zeer uitzonderlijke omstandigheden tot verblijfsaanvaarding op grond van artikel 8 van het EVRM kan worden overgegaan. Dit miskent dat eiser enige tijd een verblijfsvergunning heeft gehad in Nederland die hem tot het uitoefenen van familie- en privéleven in staat stelde. De door de minister gehanteerde maatstaf is alleen van toepassing indien het familie- of privéleven gedurende niet rechtmatig verblijf is opgebouwd. Daarnaast heeft de minister een onjuist gewicht toegekend aan het beroep op het arrest Jeunesse van 3 oktober 2014 van het EHRM. Eiser heeft dit arrest aangehaald omdat daarin een groot belang toekomt aan de omstandigheid dat de hoofdpersoon in die procedure ex-Nederlander is, net zoals eiser. Die voor de beoordeling van artikel 8 van het EVRM relevante omstandigheid, heeft de minister onvoldoende kenbaar bij de beoordeling betrokken. Daarom zijn de besluiten ook op dit punt onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.

Slaagt het beroep op de hoorplicht?

8. De minister heeft in de procedure omtrent de wijziging van de beperking van de verleende verblijfsvergunning het bezwaar als kennelijk ongegrond afgewezen. Gelet op wat hiervoor is geoordeeld omtrent de beoordeling van eisers beroep op artikel 12, vierde lid, van het IVBPR en artikel 8 van het EVRM, heeft de minister niet tot een dergelijk oordeel kunnen komen. Nu het bezwaar niet als kennelijk ongegrond kon worden afgewezen, heeft de minister ook niet van het horen van eiser af kunnen zien. Het bestreden besluit 2 is dus ook in strijd met artikel 7:2 van de Awb.

Conclusie en gevolgen

9. De beroepen zijn gegrond omdat de bestreden besluiten in strijd zijn met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb en het bestreden besluit 2 ook met artikel 7:2 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van de besluiten in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. De minister zal namelijk in de zaak omtrent de wijziging van de beperking eiser moeten horen en deze feiten moeten betrekken bij het nemen van een nieuw besluit. Deze feiten kunnen ook in de andere zaak van belang zijn. Verder is het aan de minister om nu alsnog als eerste een standpunt in te nemen over de vraag of eiser rechten kan ontlenen aan artikel 12, vierde lid, van het IVBPR. Vervolgens zal dat oordeel ten volle kunnen worden getoetst door de rechtbank. De gemachtigde van eiser heeft te kennen gegeven een voorkeur te hebben voor een dergelijke afdoening van het beroep, ook om geen instantie te verliezen in deze procedure. De rechtbank ziet dan ook geen ruimte om finaal te beslissen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat het geen efficiënte en doelmatige afdoeningswijze zou zijn.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister nieuwe besluiten moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.

De rechtbank ziet verder aanleiding om de minister een aantal aandachtspunten mee te geven die relevant zijn bij de nog te verrichten beoordeling in het kader van artikel 12, vierde lid, van het IVBPR. Met betrekking tot de beoordeling zelf is van belang dat het VN-mensenrechtencomité in onder meer de zaak Warsame heeft toegelicht welke elementen relevant zijn bij de beoordeling van een beroep op artikel 12, vierde lid, van het IVBPR. Het comité verwijst onder meer naar het al eerder genoemde General Comment 27, waaruit volgt dat het begrip ‘het eigen land’ zoals genoemd in die bepaling breder is dan het land van iemands nationaliteit en dat moet worden gekeken naar factoren als langdurig verblijf, het spreken van de taal, hechte persoonlijke of familiebanden, het ontbreken van banden elders en de intenties om te blijven in het betreffende land. Mocht de minister na zijn beoordeling tot de conclusie komen dat eisers beroep op artikel 12, vierde lid, van het IVBPR slaagt, dan merkt de rechtbank op dat de minister op grond van de hem toekomende discretionaire bevoegdheid een verblijfsvergunning kan verlenen op een andere grond dan die zijn genoemd in artikel 3.4 van het Vb 2000. Uit de uitspraak van de Afdeling van 27 augustus 2025 volgt namelijk dat de minister nog steeds bevoegd is om ook buiten de gevallen genoemd in het eerste lid van dat artikel een verblijfsvergunning te verlenen op grond van de hem toekomende discretionaire bevoegdheid. Deze bevoegdheid volgt uit artikel 14, derde lid, van de Vw 2000. De afschaffing van artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000 – waarin de discretionaire bevoegdheid nader was ingevuld en geregeld – perkt deze wettelijke bevoegdheid niet nader in, zo volgt uit de uitspraak van de Afdeling.

Eiser heeft verzocht om een voorziening te treffen, inhoudende dat hij niet wordt uitgezet totdat is beslist op zijn beroepschrift. In dit geval is er geen aanleiding voor het treffen van de gevraagde voorziening, omdat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

Omdat de beroepen gegrond zijn moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 4.203,- (2 punten voor de beroepschriften, 1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank, in de zaken NL24.13209 en NL25.9940:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de besluiten van 28 februari 2024 en 3 februari 2025;

- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen op de bezwaarschriften met inachtneming van deze uitspraak.

De voorzieningenrechter, in de zaak NL24.13210:

- wijst het verzoek af.

De rechtbank/voorzieningenrechter, in alle zaken:

- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 575,- aan eiser moet vergoeden;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 4.203,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, voorzitter, tevens voorzieningenrechter, en mr. R.H.G. Odink en mr. H.B. van Gijn, leden, in aanwezigheid van L. Fernandez Ferreiro, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand