RECHTBANK DEN HAAG
[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.22203
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. J. van Appia),
en
(gemachtigde: mr. M.P. Gaal - De Groot).
Procesverloop
De minister heeft op 23 mei 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
De minister heeft op 22 april 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is niet verschenen. Zijn gemachtigde is niet verschenen en heeft zich ook niet afgemeld voor de zitting. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Overwegingen
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 16 maart 2026 (in de zaak NL26.10664) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
3. De rechtbank stelt vast dat in het inleidende beroepschrift van 20 april 2026 geen beroepsgronden tegen het voortduren van de bewaring zijn aangevoerd. De gemachtigde van eiser heeft niet gereageerd op de brief van 20 april 2026 waarin wordt gevraagd om een reactie op de namens de minister ingediende voortgangsrapportage. De gemachtigde van eiser heeft evenmin gereageerd op de brief van 29 april 2026 waarin is gevraagd om uiterlijk op 6 mei 2026 aan te geven of het beroep na de opheffing van de bewaring nog wordt gehandhaafd.
4. Direct voorafgaand aan de behandeling ter zitting heeft de griffier, zonder resultaat, geprobeerd de gemachtigde van eiser telefonisch te bereiken op beide bij de rechtbank bekende telefoonnummers. Ook de gemachtigde van de minister heeft aangegeven dat zij de gemachtigde van eiser telefonisch niet heeft kunnen bereiken.
5. Uit al het voorgaande volgt dat door of namens eiser geen gronden zijn aangevoerd tegen de voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel. Ambtshalve toetsend is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting, de toepassing noch de tenuitvoerlegging van de bewaring in strijd is geweest met de wet.
6. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
M.R. van Kerkwijk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.