[naam 2], eiseres
V-nummer: [nummer 1],
mede namens haar minderjarig kind:
[naam 3], [nummer 2]
(gemachtigde: mr. M. Pater),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. J. Veendorp).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank heeft het beroep, tegelijk met het verzoek om voorlopige voorziening, op 1 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de tolk. Ook de dochter van eiseres is verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het besluit tot het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank concludeert in deze uitspraak dat het beroep gegrond is. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt en dat het besluit tot het niet in behandeling nemen van haar asielaanvraag niet in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland op 2 februari 2026 een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 20 februari 2026 aanvaard.
Standpunten van partijen
5. Eiseres heeft verwezen naar haar zienswijze en verzocht deze als herhaald en ingelast te beschouwen. Eiseres heeft aangevoerd dat de bestreden beschikking niet op juiste wijze is bekend gemaakt. De beschikking is in eerste instantie in het systeem geüpload, zonder dat de gemachtigde daarvan, zoals te doen gebruikelijk, een melding van heeft gekregen. De gemachtigde zag per toeval een week later dat er een besluit was genomen en heeft melding gemaakt van het ontbreken van een bericht. Het besluit is daarop op 13 april 2026 nogmaals geüpload, waarna de gemachtigde alsnog een melding heeft gekregen. Daarnaast meent eiseres, onder verwijzing naar rechtspraak, dat ten onrechte is volstaan met een standaard voornemen. Eiseres vindt bovendien dat niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Zij verwijst daarbij naar het AIDA-rapport 2024. Er is wel degelijk sprake van structurele tekortkomingen in Duitsland, als het gaat om de rechtsbijstand en opvang. Daarnaast is er verwezen naar stukken van de NOS en het Algemeen Dagblad, waaruit blijkt dat er sprake is van pushbacks en dat de autoriteiten gerechtelijke uitspraken naast zich neerleggen. Verder meent eiseres dat klagen bij de autoriteiten illusoir is wanneer rechtsbijstand ontbreekt. Te meer nu eiseres zelf de taal niet spreekt. Eiseres meent dat de minister op grond van artikel 17 van de Dublinverordening de aanvraag aan zich moet trekken. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom hij dit niet doet. Eiseres’ eerdere asielaanvraag is immers in Duitsland afgewezen. De overdracht is daarnaast in strijd met de rechten van het kind. Bovendien vreest eiseres haar broers en ex-partner in Duitsland. Ook geldt in Nederland veel gunstiger beleid ten aanzien van vreemdelingen die afkomstig zijn uit Gaza en is de overdracht in strijd met het beginsel van non-refoulement. Daarnaast vraagt eiseres individuele garanties zodat zij en haar dochter zo nodig adequaat zullen worden opgevangen in Duitsland. Dit gezien de tekortkomingen in de opvang.
Ten slotte heeft eiseres aangevoerd dat haar minderjarige dochter ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om haar mening te geven ten aanzien van de overdracht, ondanks het feit dat eiseres daarom nadrukkelijk heeft verzocht in de zienswijze. Dit is in strijd met de uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2025. Op de zitting heeft eiseres toegelicht dat het feit dat haar dochter slechts 5 jaar oud is hieraan niet af doet, omdat de minderjarige dochter haar mening kan geven op een manier die past bij haar eigen leeftijd en rijpheid.
6. De minister heeft het bestreden besluit gehandhaafd. De minister heeft aangegeven dat het bestreden besluit in eerste instantie wel degelijk op juiste wijze is bekendgemaakt. De minister stelt dit te kunnen aantonen met nog niet overgelegde ‘printscreens’. De minister geeft daarnaast aan dat op basis van uitspraken een standaard voornemen wel degelijk kan voldoen aan de voorwaarden van een zorgvuldigheid, zoals ook in deze zaak het geval is. Daarnaast meent de minister, onder verwijzing naar het bestreden besluit, dat voldoende is gemotiveerd waarom nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De minister stelt dat daarnaast voldoende is gemotiveerd waarom niet is overgegaan tot toepassing van artikel 17 van de procedurerichtlijn.
Ten aanzien van eisers beroepsgrond dat haar minderjarige dochter in de gelegenheid gesteld had moeten worden om haar mening te geven over het overdrachtsbesluit stelt de minister dat in het bestreden besluit voldoende is uitgelegd waarom de minderjarige dochter niet in de gelegenheid is gesteld om zich uit te laten over het overdrachtsbesluit. Terecht is in het bestreden besluit overwogen dat de dochter vijf jaar oud is en dat bovendien van belang is dat het in de Dublinprocedure slechts gaat om welk land verantwoordelijk is voor de asielaanvraag.
Onzorgvuldige motivering
7. De rechtbank ziet aanleiding om allereerst in te gaan op de grond of de minderjarige dochter in de gelegenheid had moeten worden gesteld haar mening te geven over een mogelijke overdracht naar Duitsland. Dit omdat de mening van het minderjarig kind, als de rechtbank tot het oordeel komt dat het kind in de gelegenheid gesteld had moeten worden om deze te uiten, door de minister betrokken zal moeten worden bij de beoordeling van de asielaanvraag en de vraag of de aanvraag al dan niet in behandeling genomen had moeten worden.
8. Op grond van artikel 24, tweede lid, van het EU-Handvest, gelezen in samenhang met artikel 3, eerste lid, van het Kinderrechtenverdrag, vormen de belangen van het kind een eerste overweging bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen. Op grond van artikel 24, eerste lid, van het EU-Handvest, gelezen in samenhang met artikel 12, eerste lid, van het Kinderrechtenverdrag, hebben kinderen die in staat zijn hun mening te vormen het recht om hun mening vrijelijk te uiten in alle aangelegenheden die het kind betreffen, waarbij aan de mening van het kind passend belang wordt gehecht in overeenstemming met zijn of haar leeftijd en rijpheid. Het kind wordt hiertoe op grond van artikel 12, tweede lid, van het Kinderrechtenverdrag met name in de gelegenheid gesteld door te worden gehoord in iedere gerechtelijke en bestuurlijke procedure die het kind betreft, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van een vertegenwoordiger of een daarvoor geschikte instelling, op een wijze die verenigbaar is met de procedureregels van het nationale recht.
Volgens artikel 14, eerste lid, van de Procedurerichtlijn kunnen lidstaten in hun nationale wetgeving voorschrijven in welke gevallen een minderjarige, in het licht van een verzoek om internationale bescherming, de gelegenheid moet krijgen voor een persoonlijk onderhoud.
In haar uitspraak van 20 augustus 2025 overweegt de Afdeling dat er geen verplichting bestaat om een minderjarige zonder asielmotief altijd te horen, maar dat er wel een verplichting bestaat voor de minister om begeleide minderjarige vreemdelingen, die in staat zijn hun mening te vormen, in de gelegenheid te stellen om hun mening vrijelijk te uiten in alle aangelegenheden die hen betreffen, waarbij aan de mening van het kind passend belang wordt gehecht in overeenstemming met zijn leeftijd en rijpheid. De Afdeling heeft daarbij verwezen naar de arresten Sagrario en Aguirre Zarraga, waarin is overwogen dat het aan de lidstaten is om door middel van procedures en wettelijke voorwaarden mogelijk te maken dat het kind in staat is zijn mening vrijelijk te geven en dat van deze mening kennis wordt genomen en om alle passende maatregelen te nemen om dat kind een daadwerkelijke en effectieve mogelijkheid te bieden om te worden gehoord in overeenstemming met zijn leeftijd of rijpheid. Hierbij moet erop worden gewezen dat de mogelijkheid om te worden gehoord in dit geval niet per definitie fysiek horen betekent.
De Afdeling overweegt in een andere uitspraak, eveneens van 20 augustus 2025, die specifiek ziet op een Dublinzaak, dat het aan de minister is om te bepalen of zij een begeleide minderjarige vreemdeling in staat acht om zijn of haar mening te vormen en zo ja, om vervolgens deze vreemdeling in de gelegenheid te stellen zijn of haar mening vrijelijk te uiten.
9. De minister heeft op zitting desgevraagd laten weten dat het feit dat een kind vijf jaar oud is niet per definitie betekent dat het daarom niet in de gelegenheid zal worden gesteld om zijn of haar mening te geven, maar dat een en ander individueel moet worden beoordeeld op basis van de leeftijd en rijpheid van het kind. De minister heeft daarbij bevestigd dat het aan de minister is om te motiveren of en waarom een kind al dan niet in staat zal worden gesteld om zijn of haar mening te geven. De minister meent evenwel dat de combinatie van het feit dat het hier om een Dublinprocedure gaat en het feit dat de dochter vijf jaar oud is voldoende aanleiding vormen om in het bestreden besluit te concluderen dat de zienswijze van eiseres, waarin zij oproept haar dochter in de gelegenheid te stellen haar mening kenbaar te maken, niet behoeft te leiden tot een andere conclusie dan zoals opgenomen in voornemen, namelijk dat Duitsland verantwoordelijk is voor de afdoening van de asielaanvraag van eiseres en haar minderjarige dochter. De minister heeft op zitting verder toegelicht dat wanneer eiseres daadwerkelijk had gewild dat haar dochter werd gehoord het op haar weg dan wel op de weg van haar gemachtigde had gelegen om op een eerder moment dan in de zienswijze hier al om te verzoeken. De minister meent dat de verantwoordelijkheid daartoe bij eiseres en haar gemachtigde ligt, zeker gezien de korte termijnen in Dublinprocedures.
10. Onder verwijzing naar de door eiseres aangevoerde grond, zoals is weergegeven onder 5.1, moet de rechtbank zich uitlaten over de vraag of de minister gezien hetgeen is aangevoerd in de zienswijze de minderjarige dochter in de gelegenheid had moeten stellen om haar mening vrijelijk kenbaar te maken of dat kon worden volstaan met de overweging zoals opgenomen in het bestreden besluit en weergegeven onder 6.1.
11. De rechtbank beantwoordt deze vraag als volgt. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende gemotiveerd is ingegaan op het verzoek van eiseres, zoals gedaan in de zienswijze, om haar minderjarige dochter in de gelegenheid te stellen haar mening kenbaar te maken.
Zoals door de minister op de zitting is aangegeven is het enkele feit dat de minderjarige dochter slechts vijf jaar oud is niet de reden geweest om haar niet in de gelegenheid te stellen om haar mening vrijelijk te uiten. De minister heeft evenwel juist aangegeven dat nu er geen beleid is voor kinderen onder de twaalf jaar, elke zaak op individuele merites moet worden beoordeeld om te zien of een minderjarige begeleide vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld om zijn mening te geven, op welke wijze dan ook. De rechtbank is van oordeel dat dit in het bestreden besluit niet is gebeurd. De minister heeft niet, dan wel onvoldoende, uitgelegd waarom er in het geval van dit minderjarig kind geen aanleiding bestond om haar in staat te stellen haar mening vrijelijk te uiten. De minister heeft immers erkent dat dit oordeel niet enkel is gelegen in het feit dat zij slechts vijf jaar oud is.
Daarbij acht de rechtbank de aanvullende opmerking in het bestreden besluit dat “bovendien van belang is dat het in de Dublinprocedure slechts gaat om welk land verantwoordelijk is voor de asielaanvraag”, evenmin voldoende motivering om te komen tot het oordeel dat het minderjarige kind in dit geval niet in de gelegenheid gesteld had behoeven te worden om, ondanks haar nadrukkelijk verzoek daartoe, haar mening vrijelijk te geven. De rechtbank merkt op dat, hoewel de Dublinprocedure wezenlijk verschilt van de asielprocedure, dit niet maakt dat alleen daarom al kan worden geconcludeerd dat een begeleid minderjarig kind in het geheel niet in de gelegenheid behoeft te worden gesteld om zijn mening vrijelijk te uiten. Dit volgt in tegenstelling tot hetgeen de minister heeft aangevoerd ook niet uit de uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2025.De rechtbank verwijst hierbij ook op rechtsoverweging 11.2, waarin juist wordt bevestigd dat de Dublinprocedure een efficiënte inrichting van het proces van horen vraagt en aangeeft dat dit de verantwoordelijkheid van de minister is.
12. Gezien het voorgaande concludeert de rechtbank tot een motiveringsgebrek. Het beroep van eiseres is gegrond. De overige gronden van eiseres behoeven daarom geen bespreking meer.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is gegrond, omdat sprake is van een motiveringsgebrek. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
14. Omdat het beroep gegrond is, veroordeeld de rechtbank de minister in de door eiser gemaakte proceskosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,00 en wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van
E.S. Tiggelaar, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.