[naam 1],
V-nummer: [nummer 1], eiseres
mede namens haar minderjarig kind:
[naam 2], [nummer 2]
(gemachtigde: mr. M. Pater),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. J. Veendorp).
Inleiding
1. De minister heeft op 7 april 2026 de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek en het beroep op 1 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de tolk. Ook de dochter van eiseres is verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Bij uitspraak van vandaag heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
3. Gelet op de uitkomst van de beroepsprocedure veroordeelt de voorzieningenrechter de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 934,-, omdat de gemachtigde van verzoeker een verzoekschrift heeft ingediend (1 punt).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.S. Tiggelaar, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.