RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.12004
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. U.H. Hansma)
en
(gemachtigde: mr. M.R. Stuart).
Procesverloop
1. Bij besluit van 4 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister eiser in kennis gesteld van het feit dat hij, op grond van artikel 26 van de Dublinverordening, zal worden overgedragen aan de autoriteiten van Oostenrijk.
Eiser heeft op 4 maart 2026 beroep ingesteld tegen het overdrachtsbesluit.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister.
Op 15 mei 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en eiser in de gelegenheid gesteld een nadere onderbouwing te geven van zijn standpunt op zitting dat hij bij overdracht aan Oostenrijk risico loopt een schending van artikel 4 van het Handvest.
Op 21 mei 2026 heeft eiser een nadere onderbouwing gegeven.
De minister heeft hierop gereageerd op 29 mei 2026.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege kan blijven, nu partijen daarvoor toestemming hebben gegeven. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens op 2 juni 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het besluit van de minister om eiser over te dragen aan Oostenrijk. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, omdat de minister eiser ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld om zijn bezwaren tegen de overdracht kenbaar te maken. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. Eiser heeft op 26 februari 2026 bij de AVIM aangifte gedaan van mensenhandel. De minister heeft de door AVIM verstuurde kennisgeving, conform het beleid zoals neergelegd in B8/3.1 van de Vc 2000, ambtshalve aangemerkt als een aanvraag voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘tijdelijke humanitaire gronden’.
5. De minister heeft eerder op 19 februari 2026 aan de autoriteiten van Oostenrijk gevraagd om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening. Op diezelfde datum heeft Oostenrijk met het verzoek ingestemd op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening. Op 4 maart 2026 is er een overdrachtsbesluit tot stand gekomen. Het beroep tegen dat overdrachtsbesluit ligt in deze uitspraak voor.
6. Met het besluit van 13 maart 2026 is eisers aanvraag vervolgens afgewezen, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden zoals genoemd in B8/3 van de Vc 2000. De minister heeft overwogen dat, nu er op 4 maart 2026 een overdrachtsbesluit is opgelegd, eiser kan worden overgedragen aan Oostenrijk. Het overdrachtsbesluit
7. Eiser stelt dat hij voorafgaand aan, en ten tijde van, het bestreden besluit rechtmatig verblijf had. Vanuit het Openbaar Ministerie was ten tijde van de oplegging van het overdrachtsbesluit verder nog geen bericht ontvangen over het verloop van het onderzoek naar de mensenhandel, dus was er nog sprake van een lopend onderzoek. Volgens vaste jurisprudentie mag de minister wel een overdrachtsbesluit nemen tijdens het onderzoek naar mensenhandel, maar mag geen uitvoering worden gegeven aan dit besluit zolang het onderzoek nog loopt. Eiser moet verder, als slachtoffer van mensenhandel die aangifte heeft gedaan, in beginsel worden aangemerkt als kwetsbaar persoon. Het nemen van een overdrachtsbesluit verhoudt zich niet met het feit dat er rekening moet worden gehouden met het gegeven dat eisers aanwezigheid in Nederland noodzakelijk is voor het onderzoek. Eiser heeft hierbij verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 26 augustus 2024 waarin is overwogen dat eiser niet mocht worden overgedragen tot het onderzoek naar mensenhandel is afgerond. Eiser voert verder aan dat de minister ten onrechte niet in het besluit heeft overwogen dat eiser niet mocht worden overgedragen en dat de minister ten onrechte heeft overwogen dat eiser asiel heeft aangevraagd en dat Oostenrijk verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
8. De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat uit vaste jurisprudentie volgt dat de minister gedurende het onderzoek naar mensenhandel een overdrachtsbesluit mag nemen. De rechtbank ziet in het feit dat eiser rechtmatig verblijf zou hebben gehad, hij aangifte heeft gedaan tegen mensenhandel en in beginsel als kwetsbaar zou moeten worden aangemerkt en het feit dat het onderzoek naar mensenhandel nog liep ten tijde van het opleggen van het overdrachtsbesluit, geen aanleiding voor een ander oordeel. Uit vaste jurisprudentie volgt immers dat, zolang het onderzoek naar mensenhandel nog loopt, er geen uitvoering mag worden gegeven uit het overdrachtsbesluit. De verwijzing naar de uitspraak van 26 augustus 2024 leidt, gelet op het voorgaande, evenmin tot een ander oordeel. De rechtbank is verder van oordeel dat de verwijzing naar de asielaanvraag in het bestreden besluit evenmin maakt dat geen overdrachtsbesluit kon worden genomen. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser geen asielaanvraag heeft ingediend. Daarbij gaat het in deze procedure om de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat. Dat eiser nog geen asielaanvraag heeft ingediend, betekent dan ook niet dat de minister geen overdrachtsbesluit heeft mogen nemen. De rechtbank stelt verder vast dat in het overdrachtsbesluit is opgenomen dat de aangifte geen reden is om te wachten met beslissen en dat het overdrachtsbesluit geldig blijft, tenzij het Openbaar Ministerie beslist dat eiser in Nederland moet blijven voor onderzoek naar de aangifte voor mensenhandel of wanneer eiser een verblijfsvergunning krijgt als slachtoffer van mensenhandel. De rechtbank volgt de minister niet in het standpunt dat hieruit voldoende duidelijk volgt dat aan het overdrachtsbesluit (voorlopig) geen uitvoering zal worden gegeven. Hierbij acht de rechtbank van belang dat ten tijde van het overdrachtsbesluit onduidelijk was of eisers aanwezigheid noodzakelijk was voor het onderzoek naar mensenhandel. De rechtbank ziet echter aanleiding dit gebrek te passeren, omdat niet is gesteld noch gebleken dat eiser hierdoor in zijn belangen is geschaad.Artikel 4 van het Handvest en eisers persoonlijke omstandigheden
9. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden. Allereerst is er geen rekening gehouden met het feit dat eiser aangifte heeft gedaan van mensenhandel. Daarnaast heeft de minister eiser ten onrechte niet gehoord voorafgaand aan het opleggen van het overdrachtsbesluit, zodat het besluit niet zorgvuldig is genomen. De minister heeft ook niet op andere wijze, bijvoorbeeld door het uitbrengen van een voornemen, kennisgenomen van hetgeen eiser heeft meegemaakt in Oostenrijk. Eiser wijst in dit verband op artikel 5 van de Dublinverordening, waaruit volgt dat een persoonlijk onderhoud moet worden gehouden, voordat een overdrachtsbesluit wordt genomen.
10. De rechtbank overweegt als volgt.
11. Uit de uitspraak van de Afdeling van 23 oktober 2024, waarnaar eiser eveneens heeft verwezen, volgt dat de minister ook bij een zelfstandig overdrachtsbesluit moet onderzoeken of een risico bestaat dat de overdracht van de vreemdeling in strijd is met artikel 4 van het Handvest. In dit kader had de minister eiser tijdens de besluitvormingsprocedure in de gelegenheid moeten stellen om zijn bezwaren tegen de overdracht kenbaar te maken. Dit heeft de minister niet gedaan, zodat het besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Het bestreden besluit komt daarom in aanmerking voor vernietiging. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de rechtsgevolgen van het besluit in stand kunnen blijven.
12. Eiser heeft op zitting zijn bezwaren tegen overdracht aan Oostenrijk toegelicht. De rechtbank heeft eiser vervolgens in de gelegenheid gesteld deze bezwaren nader te onderbouwen. Eiser heeft in dit kader verwezen naar de aangifte tegen mensenhandel, waarin hij heeft verklaard dat hij homoseksueel is. Eiser is verder slachtoffer geworden van discriminatoire behandeling in de opvang waar hij heeft verbleven. Eiser verwijst hierbij naar informatie van Human Rights Watch en Amnesty International, waaruit volgt dat eiser niet kan rekenen op een beoordeling van zijn asielaanvraag conform de geldende Europese normen. Daarbij geldt dat Oostenrijk zich niet heeft gehouden aan de verplichting om anti-discriminatie wetgeving aan te nemen en ten uitvoering te brengen. Daarnaast is er een golf van hate crimes, in het bijzonder gericht tegen LHBTI-mensen. Eiser is daarnaast slachtoffer geworden van mensenhandel. Bij terugkeer vreest hij wederom slachtoffer te worden van zijn mensenhandelaar. Nu eiser in zijn aangifte heeft verklaard waarvoor hij vreest, ligt het voor de hand dat de minister hem daarover bevraagt.
13. De rechtbank is van oordeel dat de minister in zijn reactie van 29 mei 2026 voldoende heeft gemotiveerd dat de bezwaren van eiser niet leiden tot het oordeel dat de overdracht in strijd zou zijn met artikel 4 van het Handvest. In dit kader heeft de minister terecht overwogen dat niet is gebleken dat eiser heeft geklaagd bij de Oostenrijkse autoriteiten over de discriminatoire behandeling die hij heeft meegemaakt of dat dit op voorhand zinloos zou zijn. Uit de door eiser aangehaalde bronnen blijkt evenmin dat de Oostenrijkse autoriteiten zich niet houden aan hun internationale verplichtingen. De rechtbank stelt vast dat één van de artikelen spreekt over een golf aan hate crimes tegen LHBTI-personen gerapporteerd in maart 2025. De minister heeft er in dit verband terecht op gewezen dat de golf van hate crimes om verschillende incidenten gaat en dat hieruit niet volgt dat overdracht in geval van eiser zou leiden tot een schending van artikel 4 van het Handvest. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser zijn vrees om (opnieuw) slachtoffer te worden van mensenhandel in Oostenrijk niet nader heeft onderbouwd. Evenmin is gebleken dat hij zich niet tot de Oostenrijkse autoriteiten zou kunnen wenden. De rechtbank overweegt tot slot dat de aangifte van mensenhandel de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat niet anders maakt.
13. Nu eiser zijn bezwaren alsnog kenbaar heeft gemaakt en de minister alsnog heeft beoordeeld of de overdracht in strijd is met artikel 4 van het Handvest, ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is gegrond, omdat het besluit niet zorgvuldig is genomen en onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, maar ziet wel aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. Dat betekent dat de minister geen nieuw besluit hoeft te nemen.
13. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.335,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het op verzoek van de rechtbank indienen van een nadere reactie met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;- vernietigt het bestreden besluit;- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.335,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.