RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , verzoeker
de Minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister)
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.31788
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. B. Snoeij),
en
(gemachtigde: mr. S.H.M. Maas).
Procesverloop
1. Verzoeker heeft op 15 juni 2022 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning als zelfstandige.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 19 juli 2024 afgewezen.
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 29 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, zijn gemachtigde en de gemachtigde van de minister. Als tolk was aanwezig T. Cetinkaya.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. De voorzieningenrechter is, anders dan de minister, van oordeel dat er wel sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Dat er nog geen concrete plannen voor uitzetting bestaan, is niet relevant. Het feit dat verzoeker verwijderbaar is, brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter al mee dat sprake is van een spoedeisend belang.
4. De voorzieningenrechter ziet zich dan voor de vraag gesteld of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.
5. Verzoeker heeft in bezwaar aangevoerd dat uit de beschikking blijkt dat hij al sinds 2012 in Nederland werkzaam is. Uit dat tijdsverloop blijkt volgens verzoeker voldoende dat zijnbedrijf levensvatbaar is en ook van belang is voor Nederland. Ook doet verzoeker een beroep op het driejarenbeleid.
6. De minister heeft zich schriftelijk op het standpunt gesteld dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. Naar het voorlopig oordeel van de minister komt verzoeker niet op grond van het driejarenbeleid in aanmerking voor een verblijfsvergunning, omdat géén sprake is van relevant tijdsverloop.
7. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Uit de enkele omstandigheid dat uit de inschrijving van de onderneming in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel blijkt dat de startdatum van de onderneming 18 januari 2012 is, kan niet de conclusie worden getrokken dat het bedrijf van verzoeker aan de voorwaarden voldoet. De voorzieningenrechter stelt vast dat de aanvraag van verzoeker is afgewezen omdat hij volgens de minister niet voldoet aan het documentatievereiste. De minister heeft daarbij onder andere gewezen op ontbrekende stukken. De voorzieningenrechter merkt op dat verzoeker in bezwaar enkel twee aanslagen van de Belastingdienst uit 2018 en 2019 heeft overgelegd. Op de zitting heeft verzoeker verklaard dat hij alle stukken aan zijn gemachtigde heeft gegeven en dat zijn onderneming heel goed draait. De gemachtigde van verzoeker heeft desgevraagd bevestigd dat in de voorliggende bezwaarprocedure, afgezien van de belastingaanslagen, nog geen nadere stukken zijn ingediend. De voorzieningenrechter concludeert dat dus geen sprake is van een situatie dat verzoeker de volgens de minister ontbrekende stukken (grotendeels) heeft overgelegd. Bij deze stand van zaken is de voorzieningenrechter het met de minister eens dat nu er te weinig ligt om te twijfelen aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
8 Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft ook het beroep op het driejarenbeleid geen kans van slagen. De aanvraag van verzoeker van 15 juni 2022 is binnen drie jaar, namelijk met het primaire besluit van 19 juli 2024, afgewezen. Sindsdien is verzoeker niet meer in onzekerheid over de uitkomst van de procedure. Uit het primaire besluit volgt dat verzoeker het besluit op zijn bezwaarschrift niet in Nederland mag afwachten. Verzoeker heeft daarom sinds het primaire besluit geen rechtmatig verblijf meer in de zin van artikel 8, aanhef en onder f, g of h, van de Vreemdelingenwet 2000. Dat verzoeker op 12 augustus 2024 tegen dit besluit bezwaar heeft gemaakt en daarbij een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend, maakt niet dat hij sindsdien wel rechtmatig verblijf had.
9. De voorzieningenrechter concludeert op basis van het voorgaande dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. Het verzoek wordt afgewezen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
mr. W.L. van der Pijl, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.