ECLI:NL:RBDHA:2026:14768

ECLI:NL:RBDHA:2026:14768

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 01-06-2026
Datum publicatie 03-06-2026
Zaaknummer NL25.18572
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om erkenning als referent voor het verblijfsdoel ‘uitwisseling.’ Deze erkenning is vereist om te mogen functioneren als bemiddelingsorganisatie voor buitenlandse au pairs. De minister wijst de aanvraag van eiseres af op grond van artikel 2e, eerste lid, aanhef en onder c van de Vw in samenhang met artikel 1.19 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Subsidiair wijst de minister de aanvraag van eiseres af op basis van artikel 2e, eerste lid, aanhef en onder e van de Vw, in samenhang met artikel 1.14 van het Vb. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit van de minister niet in stand kan blijven. De rechtbank overweegt dat noch uit de wettekst, noch uit de Memorie van Toelichting volgt dat twijfel aan het doel van de onderneming zou kunnen of moeten leiden tot twijfel aan de betrouwbaarheid van de onderneming als bedoeld in artikel 2e, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw. Eiseres stelt zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt dat de minister een afwijzingsgrond gebruikt, terwijl deze daar niet voor is bedoeld, gezien de uitwerking in artikel 1.19 van het Vb.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] (eenmanszaak [naam]), eiseres

de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister)

Samenvatting

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.18572

(gemachtigde: mr. E. Wolthuis),

en

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om erkenning als referent voor het verblijfsdoel ‘uitwisseling.’ Deze erkenning is vereist om te mogen functioneren als bemiddelingsorganisatie voor buitenlandse au pairs. Het bezwaar van eiseres tegen de afwijzing is door de minister ongegrond verklaard. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit van de minister.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit van de minister niet in stand kan blijven. Dat betekent dat het beroep gegrond is. Eiseres krijgt dus gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Eiseres heeft op 22 januari 2024 een aanvraag ingediend voor een erkenning als referent voor het verblijfsdoel au pair voor haar eenmanszaak [naam] (hierna: de onderneming).

Met het primaire besluit van 9 augustus 2024 heeft de minister de aanvraag van eiseres afgewezen.

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Met het bestreden besluit van 25 maart 2025 heeft de minister het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 4 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de vertegenwoordiger van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

De totstandkoming van het bestreden besluit

Uit het uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel blijkt

dat de onderneming op 1 januari 2020 is opgericht. Eiseres heeft bij de aanvraag de volgende stukken overgelegd:

Verklaring betalingsgedrag van 22 januari 2024 en 2 februari 2024;

Bedrijfspresentatie van het uitwisselingsprogramma voor au pairs;

Exploitatie- en liquiditeitsprognose 2024/2025;

Balans;

Omzet en omzetbelastingaangifte;

Arbeidsovereenkomst huidige werkgever RICOH;

Bankafschriften ING-bank (salarisstortingen);

Jaaropgaven 2021/2022/2023;

Salarisspecificaties 2023.

Op 28 mei 2024 heeft de minister naar aanleiding van de aanvraag van eiseres advies opgevraagd bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RvO). Op 8 augustus 2024 heeft de RvO negatief geadviseerd omdat de continuïteit en de solvabiliteit van de onderneming van eiseres onvoldoende zijn gewaarborgd.

De minister heeft de aanvraag van eiseres met het primaire besluit van 9 augustus 2024 afgewezen omdat eiseres niet voldoet aan artikel 2e, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw in de zin dat continuïteit en solvabiliteit van de onderneming volgens de minister onvoldoende zijn gewaarborgd. De RvO concludeert dat het niet aannemelijk is dat het ondernemerschap van eiseres en de invulling van alle bedrijfsactiviteiten gecombineerd kunnen worden met een fulltime loondienstverband. Ondanks de goede privé liquiditeitspositie is door de huidige kwetsbare absolute vermogenspositie van de eenmanszaak, de onduidelijkheid over de invulling van de werkzaamheden en het marktpotentieel van de (nieuwe) bedrijfsactiviteiten het continuïteitsperspectief van eiseres onvoldoende aannemelijk gemaakt.

Eiseres voert hiertegen in bezwaar aan dat, anders dan in het advies van RvO is overwogen, eiseres sinds januari 2024 niet meer in loondienst is. Zodra de onderneming is erkend als referent voor het doel uitwisseling, zal de focus van de onderneming verschuiven naar het faciliteren van uitwisselingsprogramma’s als au pair-bureau. Voor het overige verwijst zij naar het uitgebreide ondernemingsplan met daarin een analyse van de marktbehoefte, concurrentieanalyse, doelgroepomschrijving, prijsstelling, marktbewerking

en marketingactiviteiten. Ter onderbouwing overlegt zij de volgende aanvullende stukken:

Het ondernemingsplan;

Een begeleidende brief bij het ondernemingsplan;

Nieuwe exploitatie- en liquiditeitsprognoses 2024 t/m 2027 met toelichting op de omzetverwachting;

Aangiftes omzetbelasting 2024.

Uit de in bezwaar overgelegde stukken volgt volgens eiseres dat de continuïteit en solvabiliteit van de onderneming voldoende zijn gewaarborgd. De onderneming voldoet dan ook aan artikel 2e, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw in samenhang met artikel 1.13 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV).

Op 9 januari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Naar aanleiding van het ondernemingsplan en de hoorzitting, is er bij de minister twijfel ontstaan over het nastreven van een culturele doelstelling van eiseres en daarmee over de betrouwbaarheid van de onderneming.

Op 14 februari 2025 heeft de minister aan eiseres het voornemen bekend gemaakt het bezwaar ongegrond te verklaren omdat, ondanks de toelichting van eiseres tijdens de hoorzitting en de aanvullingen die zijn gedaan op 13 januari 2025, de twijfel over het doel van de organisatie niet is weggenomen. Uit de verklaringen die namens de onderneming zijn gedaan, maakt de minister op dat de focus van eiseres meer gericht is op het bieden van flexibele kinderopvang. Vanwege de kwetsbare positie van au pairs mag er geen ruimte zijn voor twijfel aan de doelstelling die wordt nagestreefd. De minister wijst de aanvraag van eiseres af op grond van artikel 2e, eerste lid, aanhef en onder c van de Vw in samenhang met artikel 1.19 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Subsidiair wijst de minister de aanvraag van eiseres af op basis van artikel 2e, eerste lid, aanhef en onder e van de Vw, in samenhang met artikel 1.14 van het Vb.

Eiseres heeft op 27 februari 2025 haar zienswijze ingediend.

Met het bestreden besluit van 25 maart 2025 heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard en is de minister bij het voornemen gebleven.

Betrouwbaarheid van de onderneming

Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Naast het feit dat in het voornemen van 14 februari 2025 een volstrekt andere afwijzingsgrond wordt genoemd dan in het primaire besluit, voert zij aan dat de minister op een onjuiste manier de betrouwbaarheid van de onderneming heeft beoordeeld. De minister stelt dat de onderneming van eiseres niet als hoofddoel culturele uitwisseling heeft en om die reden niet als betrouwbaar kan worden aangemerkt. Ter onderbouwing wordt verwezen naar de artikelen 2e, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw, in samenhang met artikel 1.19 van het Vb. Maar de afwijzingsgrond die in deze artikelen wordt genoemd, namelijk de betrouwbaarheid van de onderneming, heeft niets te maken met het al dan niet hebben van culturele uitwisseling als hoofddoel. Uit de wettekst en de wetgeschiedenis blijkt geenszins dat twijfel aan het hoofddoel van de onderneming zou moeten of kunnen leiden tot twijfel aan de betrouwbaarheid daarvan. Het besluit is op dit punt onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd en in strijd met artikelen 3:2 en 7:12 Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De rechtbank overweegt dat de minister in het bestreden besluit naar de volgende artikelen heeft verwezen ter onderbouwing van de afwijzing van de aanvraag van eiseres:

Artikel 2e, eerste lid, van de Vw

1. Onze Minister kan de aanvraag tot erkenning als referent of tot wijziging van de erkenning als referent afwijzen, indien:

a. de aanvrager, voor zover vereist op grond van de Handelsregisterwet 2007, niet is ingeschreven in het handelsregister, bedoeld in artikel 2 van die wet;

b. de continuïteit en solvabiliteit van de onderneming, rechtspersoon of organisatie onvoldoende is gewaarborgd;

c. de betrouwbaarheid van de aanvrager of van de direct of indirect bij die onderneming, rechtspersoon of organisatie betrokken natuurlijke of rechtspersonen of ondernemingen onvoldoende vast staat;

d. de erkenning als referent van de aanvrager of van de direct of indirect bij die onderneming, rechtspersoon of organisatie betrokken rechtspersonen of ondernemingen binnen een periode van vijf jaar direct voorafgaand aan de aanvraag is ingetrokken;

e. de aanvrager niet voldoet aan de vereisten die verband houden met het doel waarvoor de vreemdeling in Nederland verblijft of wil verblijven, waaronder in ieder geval kan worden verstaan de aansluiting bij en naleving van een gedragscode.

Artikel 1.19 van het Vb

1. Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de aanvrager worden in ieder geval betrokken:

a. uitgesproken strafrechtelijke veroordelingen, aanvaarde transacties en uitgevaardigde strafbeschikkingen ter zake van een misdrijf, strafbaar is gesteld in de titels I, V, VII, VIII, IX, X, XI, XII, XIII, XIV, XVIII, XXIII, XXIV, XXV, XXVI, XXVIII, XXX en XXXA van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Opiumwet en de Wet wapens en munitie;

b. opgelegde boetes terzake van een op grond van de artikelen 67d, 67e en 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, artikel 55a van de Vreemdelingenwet 2000, artikel 18 van de Wet arbeid vreemdelingen en artikel 18b van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag beboetbaar feit;

c. op grond van artikel 28 van de Wet op de loonbelasting 1964 opgelegde verplichtingen tot het doen van een eerstedagsmelding.

2. Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de aanvrager wordt tevens betrokken dat hij onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van een eerdere aanvraag tot het verlenen, verlengen of wijzigen van een visum of een verblijfsvergunning hebben geleid of zouden hebben geleid van een vreemdeling voor wie als referent werd opgetreden.

In de Memorie van Toelichting bij de Wet Modern Migratiebeleid staat, voor zover hier relevant, het volgende (onderstreping door de rechtbank):

Betrouwbaarheid van de potentiële referent is essentieel voor de erkenning. De minister (IND) moet immers kunnen vertrouwen op de juistheid en volledigheid van de eigen verklaring, die de erkende referent in het kader van de versnelde procedure overlegt en waarop beslissingen over de toelating en het verblijf van vreemdelingen in Nederland worden gebaseerd. Daarom wordt de potentiële referent voorafgaand aan de erkenning op zijn betrouwbaarheid beoordeeld. In het algemeen zal de betrouwbaarheid van een referent worden beoordeeld aan de hand van onder meer de historie van belasting- en premieafdrachten, de mate waarin vreemdelingenrechtelijke verplichtingen zijn nageleefd en eventuele strafrechtelijke antecedenten van de bestuurders en andere bij de organisatie betrokken personen.

(...)

Het gaat bij de betrouwbaarheidbeoordeling uiteraard niet louter om strafrechtelijke antecedenten. Ook indien voor de minister (IND) op grond van andere feiten onvoldoende vaststaat dat de potentiële referent zich na de erkenning als referent ook daadwerkelijk zal houden aan de verplichtingen als erkende referent, moet erkenning en daarmee de toegang tot de versnelde procedure kunnen worden onthouden. Daarbij zal de minister (IND) onder meer rekening houden met strafrechtelijke feiten, die ten aanzien van de onderneming of de daarbij betrokken personen bekend zijn, en met bestuurlijke boetes die zijn opgelegd terzake van bijvoorbeeld de Wet arbeid vreemdelingen, de Wet op het minimumloon en de minimumvakantietoeslag of de fiscale wetgeving. Schending van andere informatie-

of administratieplichten dan op grond van de Vreemdelingenwet 2000 kan immers ook leiden tot het oordeel dat er goede redenen aanwezig zijn om aan te nemen dat de referent ook zijn verplichtingen op grond van de Vreemdelingenwet 2000 niet zal nakomen.

Het moet in dit verband gaan om zodanige feiten, dat de minister (IND) er niet zonder meer van uit kan gaan dat de eigen verklaringen van de referent juist, volledig en tijdig zijn. Een enkele forse snelheidsovertreding door een leidinggevende van een onderneming is daarvoor bijvoorbeeld niet voldoende, aangezien die niet relevant is voor de betrouwbaarheid van die onderneming als referent. Uiteraard moet de weigering van de erkenning als referent naar behoren worden gemotiveerd. (…)

Verderop op pagina 75 in de Memorie van Toelichting staat:

De hierbedoelde betrouwbaarheidsbeoordeling staat in het teken van de vraag of de minister (IND) in voldoende mate zal kunnen vertrouwen op de juistheid van de eigen verklaringen van degene, die voor erkenning als referent in aanmerking wenst te komen. Bij die beoordeling kunnen strafrechtelijke antecedenten een belangrijke indicatie vormen, uiteraard voor zover de aard van die antecedenten verband houdt met de betrouwbaarheid van de eigen verklaringen van de betrokkene. (…)

De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat er geen sprake is van de situaties als bedoeld in artikel 1.19 van het Vb. De minister heeft op de zitting bevestigd dat er geen sprake is van opgelegde boetes, strafrechtelijke veroordelingen, of andere relevante overtredingen van de wet. Het is ook niet in geschil dat eiseres geen onjuiste informatie heeft gegeven of zelf onbetrouwbaar is gebleken tijdens het verschaffen van informatie. Ook dit punt is door de minister bevestigd op de zitting.

De rechtbank overweegt dat noch uit de wettekst van de bovengenoemde artikelen, noch uit de Memorie van Toelichting volgt dat twijfel aan het doel van de onderneming zou kunnen of moeten leiden tot twijfel aan de betrouwbaarheid van de onderneming als bedoeld in artikel 2e, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw. Eiseres stelt zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt dat de minister een afwijzingsgrond gebruikt, terwijl deze daar niet voor is bedoeld, gezien de uitwerking in artikel 1.19 van het Vb. Het besluit is daarom in strijd met het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, en zal door de rechtbank worden vernietigd.

Doel van de onderneming

Wat betreft de subsidiaire afwijzingsgrond van het bestreden besluit dat de onderneming van eiseres onvoldoende culturele doelstelling nastreeft in de zin van artikel 2e, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw in combinatie met artikel 1.14 van het Vb, kan eiseres zich ook met deze afwijzingsgrond niet verenigen. Eiseres voert hiertegen aan dat de onderneming wel degelijk een culturele doelstelling heeft, zoals ook in haar uitwisselingsprogramma uitgebreid naar voren is gekomen. Het uitwisselingsprogramma vormt de kern van de onderneming. Maar noch uit het verslag van de hoorzitting, noch uit het besluit blijkt dat de minister het uitwisselingsprogramma van eiseres kenbaar heeft betrokken bij de beoordeling. Eiseres meent dat minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zij de culturele doelstelling van haar onderneming onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt gezien de stukken die zij heeft overgelegd, de zienswijze die zij heeft ingediend en haar mondelinge toelichting op zitting.

De rechtbank overweegt dat de minister aan eiseres in het primaire besluit heeft tegengeworpen dat de continuïteit en solvabiliteit van de onderneming onvoldoende waren gewaarborgd. Om die reden is tijdens de hoorzitting met name het financiële verdienmodel van eiseres (de rol van de au-pairs als alternatief voor kinderopvang) besproken. In de beslissing op bezwaar wijzigt de minister de afwijzingsgrond naar van sub b naar sub c: het in twijfel trekken van de betrouwbaarheid van eiseres omdat zij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar onderneming een culturele doelstelling nastreeft. Vervolgens kiest de minister ervoor om eiseres met deze nieuwe afwijzingsgrond niet nogmaals te horen, maar om aan haar een voornemen kenbaar te maken. Hierop is door eiseres uitvoerig gereageerd in de zienswijze, waarbij is verwezen naar het uitwisselingsprogramma.

De rechtbank overweegt dat het niet in geschil is dat een onderneming meerdere doelen kan nastreven. De enkele omstandigheid dat de onderneming van eiseres als doel nastreeft een alternatief voor de kinderopvang te bieden, hoeft niet af te doen aan het doel van de onderneming van eiseres als uitwisselingsprogramma. Eiseres heeft hierover verklaard dat de focus op au-pairs als alternatief voor de kinderopvang noodzakelijk is om haar onderneming rendabel te maken. De rechtbank overweegt daarnaast dat in het bestreden besluit niet kenbaar is ingegaan op de bezwaren van eiseres dat zij wel degelijk een culturele doelstelling nastreeft zoals in de zienswijze naar voren is gebracht. In het bestreden besluit wordt door de minister verwezen naar het voornemen, maar in het voornemen of ergens anders in de besluitvorming, wordt het uitwisselingsprogramma van eiseres nergens genoemd. Het standpunt van de minister tijdens de zitting dat het uitwisselingprogramma wel is betrokken bij de beoordeling en dat de rechtbank dit in de bestreden besluitvorming moet inlezen, kan de rechtbank niet volgen. Dit klemt des te meer omdat tijdens de hoorzitting weinig aan eiseres is gevraagd met betrekking tot de culturele doelstelling van de onderneming. De rechtbank constateert dat er slechts één vraag is gesteld over de culturele doelstelling, waarop eiseres uitvoerig heeft geantwoord, maar waarna de minister heeft nagelaten om hierop door te vragen. Om die reden kan het standpunt van de minister dat door eiseres niet aannemelijk is gemaakt dat zij met haar onderneming een culturele doelstelling nastreeft, geen stand houden. Ook op dit punt is het besluit onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.

Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 25 maart 2025;

- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194, - aan eiseres moet vergoeden;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868, - aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van

mr. W.L. van der Pijl, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.B. de Boer

Griffier

  • mr. W.L. van der Pijl

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand