RECHTBANK DEN HAAG
[eiseres] , geboren op [geboortedag 1] 1977, hierna: eiseres
de minister van Buitenlandse Zaken,
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.36374, NL25.36381 en NL25.36389
V-nummers: [v-nummer 1] , [v-nummer 2] en [v-nummer 3]
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser 1] , geboren op [geboortedag 2] 2002,
[eiser 2] , geboren op [geboortedag 3] 2004,
allen van de Marokkaanse nationaliteit, hierna gezamenlijk: eisers
(gemachtigde: mr. S. Karami),
en
(gemachtigde: mr. M.T.M. Hoppema).
Procesverloop
1. Eisers hebben een visum voor kort verblijf aangevraagd met het doel ‘verblijf bij [persoon] (referent).’ Zij willen namelijk hun zus/tante bezoeken in Nederland.
Met de primaire besluiten van 12 december 2024 heeft verweerder de aanvragen van eisers afgewezen. Met het bestreden besluit van 10 juli 2025 heeft verweerder het bezwaar van eisers kennelijk ongegrond verklaard.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. Eisers zijn wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
De rechtbank heeft de beroepen van eisers op 26 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van verweerder.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Beoordeling door de rechtbank
Vrijstelling van het griffierecht
2. Eisers hebben het verzoek gedaan om van de betaling van griffierecht te worden vrijgesteld. De rechtbank heeft dit verzoek voorlopig toegewezen. Eisers hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij voldoen aan de voorwaarden voor vrijstelling. Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht wordt daarom definitief toegewezen.
Beoordeling van de beroepen
3. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvragen voor een visum kort verblijf op goede gronden heeft afgewezen. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
Doel en omstandigheden van het voorgenomen verblijf
4. Eisers stellen dat verweerder ten onrechte stelt dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet zijn aangetoond. Eisers wensen referent en haar gezin te bezoeken. Het doel van het verblijf is dus een familiebezoek. Dat verweerder de aanvraag desondanks heeft afgewezen, toont aan dat de beslissing niet zorgvuldig is genomen.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat kan worden getwijfeld aan het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf. Verweerder geeft aan dat er op zich wel indicaties zijn voor een familieband, maar door de wijze waarop de namen van eiseres en haar zus zijn vertaald op hun identiteitskaarten (en de discrepanties op dat punt) bestaat er toch twijfel over de gestelde familieband. Deze twijfel had door eiseres weggenomen kunnen worden door nadere documenten over te leggen, maar zij heeft dat niet gedaan. Gelet op het karakter van een visumprocedure, is het aan de aanvragers om hun aanvraag met voldoende stukken te onderbouwen.
Economische en sociale band met Marokko
5. Eisers stellen zich op het standpunt dat zij over een sterke sociale en economische binding met Marokko beschikken. Eiseres heeft vijf kinderen. De drie minderjarige kinderen reizen niet mee naar Nederland en verblijven gedurende de afwezigheid van hun moeder bij hun oom en tante. Ook heeft eiseres wel degelijk een baan als schoonmaakster en een eigen inkomen in Marokko. [eiser 1] en [eiser 2] volgen allebei een studie en ontvangen studiefinanciering in Marokko.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers hun economische en sociale band met Marokko niet aannemelijk hebben gemaakt. De verstrekte informatie is naar het oordeel van de rechtbank te fragmentarisch. Zo ontbreken geboorteaktes van de gestelde overige kinderen, zijn er kennelijk wisselende verklaringen over het werk van eiseres, bieden de bankgegevens geen uitsluitsel over de inkomenspositie van eiseres, ontbreekt informatie over de studie van [eiser 1] en voldoende informatie over hoe de beide zoons hun studie financieren. Zoals gezegd is het aan eisers om hun aanvraag met voldoende stukken te onderbouwen. Indien eisers over nadere stukken beschikken op grond waarvan zij in aanmerking menen te komen voor een visum, dan kunnen zij een nieuwe aanvraag indienen.
Hoorplicht
6. Eisers stellen dat zij ten onrechte niet zijn gehoord in bezwaar. Tijdens een hoorzitting hadden eisers kunnen toelichten waarom deze stukken in bezwaar zijn ingebracht, welke inspanningen zij hebben verricht om de informatie tijdig te verkrijgen en over te leggen, en welke concrete belemmeringen daarbij hebben gespeeld. Verder had verweerder de twijfels omtrent het vestigingsgevaar nader kunnen uitvragen.
Verweerder mag op grond van artikel 7:3, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht slechts van het horen afzien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Dat is het geval als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de informatiepositie, met name het fragmentarische karakter van de overgelegde stukken, is de rechtbank van oordeel dat verweerder mocht concluderen dat een hoorzitting in het geval van eisers niet tot een andere uitkomst had geleid. Verweerder heeft dan ook mogen afzien van het horen van eisers.
Conclusie en gevolgen
7. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Zij krijgen daarom geen vergoeding van hun proceskosten.
8. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat, zoals weergegeven in de rechtsmiddelenclausule onderaan deze uitspraak.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2026 door mr. M.F.A.M. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.H. Gonera, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.