ECLI:NL:RBDHA:2026:14774

ECLI:NL:RBDHA:2026:14774

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 01-06-2026
Datum publicatie 03-06-2026
Zaaknummer NL26.13085
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Dublin Kroatië; interstatelijk vertrouwensbeginsel; arrest C.K.; artikel 16 van de Dublinverordening; artikel 17 van de Dublinverordening; beroep ongegrond

Uitspraak

[eiseres], eiseres

(gemachtigde: mr. I.M. Hagg),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C. van Es).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van haar aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 3 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.

De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening eerder op de zitting van 14 april 2026 behandeld, waarbij de behandeling van het beroep is aangehouden en de voorlopige voorziening is toegewezen.

De rechtbank heeft de behandeling van het beroep voortgezet op de zitting van 18 mei 2026. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, R. Najjar als tolk in de Arabische (Syrisch-Libanees) taal en de gemachtigde van verweerder. Ook was de moeder van eiseres, [naam], aanwezig. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten, maar eiseres de gelegenheid gegeven om nog nadere medische stukken in te dienen. In dat geval zou de rechtbank het onderzoek heropenen.

Eiseres heeft op 22 mei 2026 nadere medische stukken ingediend. Verweerder heeft op 28 mei 2026 gereageerd. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek (opnieuw) gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het besluit van 3 maart 2026 aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Totstandkoming van het besluit

4. Eiseres is afkomstig uit Syrië. Zij is in oktober 2025 gevlucht. Het was haar bedoeling om naar Nederland te reizen, omdat haar moeder al eerder was gevlucht en in Nederland asiel heeft aangevraagd. De procedure van haar moeder loopt nog. Onderweg is eiseres in Kroatië aangehouden en gedwongen haar vingerafdrukken af te staan en een asielaanvraag in te dienen. Daarna is zij alsnog doorgereisd naar Nederland. Verweerder houdt Kroatië nu verantwoordelijk voor de behandeling van haar asielaanvraag.

5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek aanvaard.

Bespreking van de beroepsgronden

Interstatelijk vertrouwensbeginsel

6. Eiseres heeft aangevoerd dat dat ten opzichte van Kroatië niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Zij wijst daarbij op de manier waarop zij is behandeld door de autoriteiten van Kroatië en op het feit dat deze behandeling in lijn is geweest met landeninformatie zoals die blijkt uit het AIDA-rapport, update 2024 van augustus 2025. Uit het rapport volgt dat er nog altijd sprake is van pushbacks, die bovendien niet alleen aan de grens, maar ook dieper in Kroatië plaatsvinden. Nu eiseres als Dublinclaimant niet te onderscheiden is van andere asielzoekers, loopt zij aldus een reëel risico slachtoffer te worden van zo'n gewelddadige pushback. Ook blijkt uit het rapport dat de opvangvoorzieningen in Kroatië structureel ondermaats zijn en dat klagen zelfs kan leiden tot afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank overweegt dat uit de rechtspraak van de Afdeling volgt dat verweerder ten aanzien van Kroatië uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit beginsel betekent dat lidstaten erop mogen vertrouwen dat de andere lidstaten de vreemdeling in overeenstemming met het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en het Unierecht zullen behandelen. Het is daarom aan eiseres om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat zij bij overdracht aan Kroatië, als gevolg van het niet-nakomen van internationale verplichtingen door de Kroatische autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Daarvan kan pas sprake zijn als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken.

Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat ten aanzien van Kroatië nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat in Kroatië sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 9 oktober 2024 onder meer het AIDA-rapport over Kroatië, update 2023 betrokken. De Afdeling heeft overwogen dat er op een aantal momenten sprake was van overbezetting in de opvang, maar dat de Kroatische autoriteiten zich vervolgens actief hebben ingezet om te voorzien in de essentiële levensbehoeften en binnen enkele dagen alsnog in slaapplekken hebben voorzien. Hieruit blijkt niet dat Kroatië onverschillig staat tegenover incidentele tekorten in de opvang. Het door eiseres aangehaalde AIDA-rapport, update 2024, geeft geen wezenlijk ander beeld dan het AIDA-rapport, update 2023, waarover de Afdeling al heeft geoordeeld. Eiseres is er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat de situatie nadien in relevante mate is gewijzigd. Daarbij is van belang dat de Kroatische overheid met het claimakkoord garandeert dat eiseres als Dublinterugkeerder zal worden behandeld overeenkomstig de Europese richtlijnen. In het geval de Kroatische autoriteiten zich niet aan de Europese richtlijnen houden, is het aan eiseres om hierover aldaar te klagen. Niet is gebleken dat deze mogelijkheid voor eiseres niet bestaat.

Het arrest C.K.

7. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen medisch advies heeft ingewonnen, gelet op de psychische toestand van eiseres. Verweerder was gehouden het risico op een verslechtering van de gezondheidstoestand te laten onderzoeken door het Bureau Medische Advisering om zich ervan te vergewissen dat een situatie als in het arrest C.K zich niet voordoet.

Uit het arrest C.K. en de rechtspraak van de Afdeling volgt dat overdracht van een asielzoeker achterwege moet blijven als die overdracht zelf een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van haar gezondheidstoestand zou inhouden. Eiseres moet in dat verband objectieve gegevens overleggen die de bijzondere ernst van haar gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen waartoe een overdracht zelf zou kunnen leiden aantonen. De overgelegde stukken over haar medische toestand zijn hiervoor onvoldoende. Uit de overgelegde medische stukken blijkt enkel dat eiseres zich in maart 2026 bij de GZA heeft gemeld omdat het mentaal slecht met haar gaat en ze slecht slaapt. In april 2026 is eiseres bij de huisarts en de praktijkondersteuner GGZ geweest. Ze heeft daar melding gemaakt van benauwdheid, maagkrampen, bedplassen en hartkloppingen tijdens hevige angsten/paniekaanvallen. Eiseres heeft Oxazepam gekregen en er zijn nieuwe afspraken gepland. In mei 2026 heeft eiseres gemeld dat ze weinig effect merkt van de Oxazepam en nog steeds slecht slaapt door de continue spanning. Zij meldde nog steeds nachtmerries en zag geen uitweg meer, maar had geen suïcidale gedachten. Bij een tweede en derde afspraak in mei is Mirtazapine voorgeschreven en is eiseres doorverwezen naar de GGZ. Daar is nog geen behandeling gestart. De doktersassistent heeft op verzoek van de gemachtigde van eiseres het medisch dossier opgestuurd en daarbij geschreven dat de artsen nog niet veel kunnen zeggen. Uit deze informatie volgt niet dat de overdracht aan Kroatië voor eiseres een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van haar gezondheidstoestand zou inhouden. Verweerder was dan ook niet gehouden om in dit geval de gezondheidstoestand van eiseres te laten onderzoeken door het Bureau Medische Advisering. De beroepsgrond slaagt niet.

Artikel 16 van de Dublinverordening

8. Eiseres heeft aangevoerd aan dat verweerder ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 16 van de Dublinverordening. Eiseres heeft een dusdanige band met haar moeder, dat sprake is van een afhankelijkheidsrelatie tussen hen. Dit blijkt uit de brief van de GZA van 18 mei 2026, waarin staat dat het volgens hen uiteraard goed voor het mentale welzijn van eiseres zou zijn als zij haar moeder in de buurt heeft.

De rechtbank overweegt als volgt. Hoewel de band tussen moeder en dochter voorstelbaar is alsook dat verblijf bij haar moeder goed zou zijn voor het mentale welzijn van eiseres, is dat onvoldoende om aan te nemen dat eiseres dusdanig afhankelijk is van haar moeder dat zich een situatie als bedoeld in artikel 16 van de Dublinverordening voordoet. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Artikel 17 van de Dublinverordening

9. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte de asielaanvraag niet aan zich heeft getrokken. In het geval van eiseres is sprake van bijzondere individuele omstandigheden, namelijk de band met haar moeder en haar medische omstandigheden. Het bestreden besluit om haar over te dragen brengt veel stress met zich mee, waardoor haar medische situatie is verslechterd. Zonder haar moeder had eiseres het niet volgehouden. Het is in haar belang dat zij bij haar moeder blijft. Naast haar persoonlijke ervaringen over haar behandeling in Kroatië zijn er dus meer omstandigheden die een beroep op artikel 17 van de Dublinverordening rechtvaardigen.

Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening kan elke lidstaat besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen. Dit betreft een discretionaire bevoegdheid van de lidstaten. Verweerder heeft in het beleid neergelegd hoe hij van deze bevoegdheid gebruik maakt. In paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vc trekt verweerder een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.

De rechtbank stelt voorop dat het een keuze van verweerder is om terughoudend gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid. Verweerder heeft die keuze in redelijkheid kunnen maken. Tegen die achtergrond is de rechtbank van oordeel dat verweerder de door eiseres gestelde omstandigheden in redelijkheid niet heeft hoeven aanmerken als bijzondere individuele omstandigheden die maken dat haar overdracht aan Kroatië van onevenredige hardheid getuigt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat omstandigheden die op onderwerpen zien die van betekenis zijn voor de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in beginsel niet opnieuw hoeven te worden beoordeeld in het kader van de vraag of zich bijzondere individuele omstandigheden voordoen als bedoeld in paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje van de Vc. De persoonlijke ervaringen van eiseres in Kroatië zijn al beoordeeld in het kader van de vraag of van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Ook heeft verweerder in redelijkheid de band met haar moeder en haar medische omstandigheden onvoldoende mogen achten om de asielaanvraag aan zich te trekken. Zoals hiervoor overwogen is de band met haar moeder goed voorstelbaar, maar is niet onderbouwd of geconcretiseerd waaruit de afhankelijk van haar moeder bestaat. Ook is hiervoor overwogen dat de overgelegde medische gegevens inhoudelijk te summier zijn. Verweerder had daarom ook hierin in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om artikel 17 van de Dublinverordening toe te passen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

10. De beroepsgronden slagen niet. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, rechter, in aanwezigheid van mr.C.W. van der Hoek, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand