[eiser], eiser en verzoeker, hierna: eiser
(gemachtigde: mr. S.N. Ali),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. V.J.C.M. Tielemans).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser tegen de niet-ontvankelijk verklaring van zijn opvolgende asielaanvraag.
De rechtbank heeft het beroep van eiser op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, R. Baysal als tolk in de Turkse taal en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
2. De rechtbank beoordeelt of verweerder op goede gronden de opvolgende asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Achtergrond
4. Eiser is geboren op [geboortedag] 1968 en heeft de Turkse nationaliteit. Op 20 oktober 2020 heeft eiser zijn eerste asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 13 november 2020 niet-ontvankelijk verklaard, omdat Colombia voor hem als veilig derde land is aangemerkt en eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Colombiaanse autoriteiten hem niet meer zullen toelaten. Deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, heeft bij uitspraak van 6 januari 2021 het beroep van eiser tegen dit besluit gegrond verklaard. Verweerder is vervolgens in hoger beroep gegaan tegen deze uitspraak. De Afdeling heeft dit hoger beroep gegrond verklaard bij uitspraak 25 augustus 2021 en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 6 januari 2021 vernietigd. De afwijzing van de eerste asielaanvraag staat zodoende in rechte vast.
Eiser heeft vervolgens een tweede, opvolgende asielaanvraag ingediend op 18 september 2021, die door verweerder opnieuw niet-ontvankelijk is verklaard bij besluit van 23 oktober 2023, omdat Colombia voor eiser een veilig derde land is. Deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, heeft bij uitspraak van 3 januari 2024 het beroep van eiser tegen dit besluit gegrond verklaard. Verweerder is vervolgens in hoger beroep gegaan tegen deze uitspraak. De Afdeling heeft dit hoger beroep gegrond verklaard bij uitspraak van 28 februari 2025 en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 3 januari 2024 vernietigd. De afwijzing van de tweede asielaanvraag staat zodoende tevens in rechte vast.
Op 29 september 2025 heeft eiser de huidige, derde opvolgende asielaanvraag ingediend.
Het bestreden besluit
5. Verweerder heeft bij besluit van 31 oktober 2025 de derde opvolgende asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. Volgens verweerder heeft eiser namelijk in deze procedure geen nieuwe relevante elementen en bevindingen aangevoerd. Verweerder stelt zich dan ook op het standpunt dat hetgeen eiser heeft aangevoerd min of meer identiek is aan hetgeen hij in eerdere procedures heeft aangevoerd.
Toetsingskader
Nieuwe relevante elementen en bevindingen
6. Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat de ontvankelijkheid van een opvolgende asielaanvraag op grond van het arrest LH aan de hand van twee fasen moet worden beoordeeld. In de eerste fase moet worden onderzocht of er nieuwe elementen en bevindingen zijn die verband houden met de vraag of de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming. Voor de vraag wat ‘elementen en bevindingen’ zijn moet aansluiting worden gezocht bij artikel 4, tweede lid, van de Kwalificatierichtlijn. Uit dat artikel volgt dat onder nieuwe elementen en bevindingen moeten worden verstaan: ‘De verklaringen van de verzoeker en alle documentatie in het bezit van de verzoeker over zijn leeftijd, achtergrond, ook die van relevante familieleden, identiteit, nationaliteit(en), land(en) en plaats(en) van eerder verblijf, eerdere verzoeken, reisroutes, reisdocumenten en de redenen waarom hij een verzoek om internationale bescherming indient’.
In de tweede fase moet verweerder beoordelen of die nieuwe elementen en bevindingen de kans aanzienlijk groter maken dat de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming. Een nieuw element of bevinding is niet relevant als op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd, kan afdoen aan de overwegingen van het eerder genomen besluit.
Indien de vragen in beide fasen bevestigend zijn beantwoord, wordt toegekomen aan de tweede stap van de beoordeling van een opvolgende asielaanvraag, namelijk het ‘onderzoek ten gronde’, waarin die elementen en bevindingen inhoudelijk worden beoordeeld.
Veilig derde land
7. Verweerder kan een aanvraag niet-ontvankelijk verklaren als hij een derde land voor een vreemdeling als veilig derde land beschouwt. Verweerder moet daarvoor beoordelen of:
de vreemdeling een zodanige band met het derde land heeft, dat het voor hem redelijk is daar naartoe te gaan;
aannemelijk is dat de vreemdeling tot dit land wordt toegelaten; en/of
de vreemdeling in dit derde land volgens de beginselen genoemd in artikel 3.106a, eerste lid, van het Vb zal worden behandeld.
8. Gezien eisers eerdere asielprocedures staat in rechte vast dat Colombia als veilig derde land kan worden aangemerkt voor eiser. In deze procedure is tussen partijen in geschil of eiser nieuwe relevante elementen en bevindingen heeft aangevoerd die maken dat verweerder inhoudelijk had moeten beoordelen of Colombia nog wel als veilig derde land voor eiser kan fungeren. De rechtbank zal daarom per bovengenoemde voorwaarde beoordelen of verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser geen nieuwe relevante elementen en bevindingen heeft aangevoerd die aanleiding geven voor een hernieuwde beoordeling van de vraag of Colombia voor eiser nog als veilig derde land kan worden aangemerkt.
Standpunten en beoordeling door de rechtbank
Band met Colombia
9. Eiser voert aan dat dat hij slechts tijdelijk als Turkse onderdaan in Colombia verbleef en geen banden met dat land heeft.
10. De rechtbank is van oordeel dat dit punt reeds eerder in de beoordeling is betrokken en dat zodoende geen sprake is van een nieuw element en/of bevinding. Zo is in de uitspraak van de Afdeling van 25 augustus 2021, rechtsoverweging 8.1, in het kader van eisers eerste procedure, geoordeeld dat eiser banden heeft met Colombia, gelet op het feit dat hij sinds 2016 legaal in Colombia heeft verbleven en door de Colombiaanse autoriteiten in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning asiel. Ook is geoordeeld dat eiser in Colombia heeft gewoond en gewerkt en dat daarmee ook niet aannemelijk is gemaakt dat eiser geen sociaal netwerk in Colombia heeft opgebouwd.
De beroepsgrond slaagt niet.
Toelating tot Colombia
11. Eiser voert aan dat hij geen geldige verblijfsvergunning meer voor Colombia heeft en dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser daar opnieuw toegang zal krijgen, gezien het feit dat zijn Colombiaanse ‘travel document’ is verlopen en hij alleen een tijdelijk Turks paspoort heeft kunnen bemachtigen vanuit Colombia bij de Turkse ambassade. Verder is volgens eiser onvoldoende gemotiveerd door verweerder dat hij (opnieuw) een asielaanvraag kan doen in Colombia.
12. De rechtbank is van oordeel dat deze punten reeds eerder in de beoordeling zijn betrokken en dat zodoende geen sprake is van nieuwe elementen en/of bevindingen. Zo is in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 3 januari 2024, in het kader van eisers tweede asielprocedure, in rechtsoverweging 11, onder meer overwogen dat verweerder aannemelijk had gemaakt dat toelating tot Colombia voor eiser in beginsel mogelijk is, nu hij eerder toegang heeft gekregen tot Colombia. In de uitspraak van 3 januari 2024 is verder overwogen dat eiser onvoldoende twijfel heeft gezaaid dat hij geen toegang zal krijgen tot Colombia met de argumenten dat zijn ‘travel document’ inmiddels is verlopen en het feit dat zijn asielstatus is ingetrokken. De Afdeling heeft deze overweging in het hoger beroep onderkend, in haar uitspraak van 28 februari 2025, en heeft in rechtsoverweging 4 geoordeeld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij inspanningen heeft verricht om daadwerkelijk toegang tot Colombia te krijgen en dat hij niet heeft toegelicht waarom hij zijn asielstatus in Colombia niet opnieuw zou kunnen verkrijgen.
De beroepsgrond slaagt niet.
13. Eiser stelt verder dat hij in de onderhavige procedure een nieuw document heeft ingebracht waaruit blijkt aan welke voorwaarden hij dient te voldoen om terug te kunnen keren naar Colombia. Eiser stelt ook in bewijsnood te zijn. Zo heeft eiser een onbeantwoorde e-mail overgelegd van 10 april 2026, geadresseerd aan de Colombiaanse autoriteiten, waarin hij vraagt of hij nog zal worden toegelaten tot Colombia aangezien hij Colombia heeft verlaten en hij in Nederland verblijft.
Eiser verwijst verder naar de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2026, die is gedaan in het kader van zijn bewaringsprocedure. Daaruit blijkt volgens eiser dat het de KLM niet is gelukt om hem uit te zetten met een removal order naar Colombia, wat volgens eiser betekent dat het niet mogelijk is om toegang te verkrijgen tot Colombia.
14. De rechtbank is van oordeel dat de door eiser aangevoerde feiten en stukken weliswaar nieuwe elementen en bevindingen vormen, maar niet kunnen worden aangemerkt als relevante nieuwe elementen en bevindingen. Zo is het overgelegde nieuwe document afkomstig van een Colombiaans bedrijf dat professionele diensten aanbiedt op het gebied van het Colombiaanse immigratiebeleid en volgt hieruit enkel algemene informatie over het verkrijgen van een visum voor Colombia. Eiser heeft deze voorwaarden verder ook niet toegespitst op zijn zaak. Wat betreft de overgelegde e-mail van 10 april 2026 is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van bewijsnood. Daarbij betrekt de rechtbank dat niet is gebleken, aan de hand van schriftelijke bescheiden, dat eiser meerdere pogingen heeft gedaan om erachter te komen of hij nog toegang krijgt tot Colombia. Het versturen van een enkele mail naar de Colombiaanse autoriteiten hierover, acht de rechtbank in dit kader onvoldoende.
Ten aanzien van de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2026, in het kader van eisers bewaringsprocedure, is de rechtbank van oordeel dat hieruit niet blijkt dat eiser geen toegang zal krijgen tot Colombia. Uit de uitspraak volgt dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan eisers uitzetting naar Colombia en dat hij bij de KLM had kunnen rappelleren over het verzoek om te onderzoeken of eiser met een removal order naar Colombia kon worden uitgezet. Verweerder heeft ter zitting geen duidelijke verklaring kunnen geven waarom dit onderzoek door de KLM niet is verricht. Dat de KLM dit onderzoek niet heeft uitgevoerd, kan naar het oordeel van de rechtbank echter niet zonder meer leiden tot de conclusie dat het voor eiser onmogelijk is om opnieuw toegang tot Colombia te verkrijgen.
De beroepsgrond slaagt niet.
Veiligheid Colombia
15. Eiser stelt dat verweerder ten onrechte de problemen met de Turkse autoriteiten in Colombia niet als relevant element heeft aangemerkt. Eiser heeft Colombia verlaten omdat hij te vrezen had voor TİKA en als gevolg daarvan nu ook te vrezen heeft voor de Turkse én de Colombiaanse autoriteiten. Hij stelt door de Turkse autoriteiten te worden vervolgd. Eiser is van oordeel dat de reden van zijn vertrek uit Colombia bij de vorige aanvraag niet door verweerder is overwogen, hoewel dit juist de directe aanleiding was voor zijn problemen. Hieruit kan worden afgeleid dat eiser een legitieme reden had om Colombia te verlaten. Eiser verwijst ook naar gezaghebbende bronnen, daterend van 2017 tot en met 2020, waaruit blijkt dat de Turkse autoriteiten in het buitenland zeer actief opzoek zijn naar Gülenisten en waaruit blijkt dat Colombia in zijn algemeenheid niet kan worden aangemerkt als veilig derde land.
16. De rechtbank is van oordeel dat deze punten reeds eerder in de beoordeling zijn betrokken en dat zodoende geen sprake is van nieuwe elementen en/of bevindingen. De Afdeling heeft in de uitspraak van 25 augustus 2021 onder meer overwogen in rechtsoverweging 4.1 dat uit de overgelegde bronnen van eiser niet volgt dat Gülenisten in Colombia daadwerkelijk ernstige problemen ondervinden noch dat de Colombiaanse autoriteiten hen daadwerkelijk uitleveren aan Turkije. De rechtbank wijst verder op de uitspraak van de Afdeling van 28 februari 2025, rechtsoverweging 4, waarin is overwogen dat eiser eerder zonder problemen relatief snel een asielstatus heeft gekregen in Colombia en dat hij ook daarna als Turkse Gülenist daar geen problemen heeft ondervonden. De rechtbank wijst ook op rechtsoverweging 8 van deze uitspraak, waarin de Afdeling heeft overwogen dat eiser geen aanknopingspunten naar voren heeft gebracht waaruit volgt dat Colombia zijn verdragsverplichtingen jegens hem niet zal naleven, en Colombia ook in zijn algemeenheid zodoende als veilig derde land kan worden aangemerkt.
De beroepsgrond slaagt niet.
17. Eiser heeft daarnaast nog aangevoerd dat hij sinds oktober 2020 in Nederland woont en hier een sterk sociaal netwerk heeft, waardoor hijbanden met Nederland heeft en dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn gezondheidsklachten, nu het bij verweerder bekend is dat eiser suïcidaal is.
Ter zitting is gebleken dat eiser dit niet heeft aangevoerd met het oog op het aanvoeren van een nieuw relevant element, maar slechts ter inkleuring van de context van zijn zaak. De rechtbank laat dit daarom verder onbesproken.
18. Eiser heeft, tot slot, aangevoerd dat het terugkeerbesluit en inreisverbod ten onrechte zijn opgelegd.
De rechtbank stelt vast dat het terugkeerbesluit en inreisverbod in de eerdere asielprocedure zijn opgelegd, en daarmee in rechte vast staan. Indien eiser de rechtmatigheid van dat terugkeerbesluit en inreisverbod wil aanvechten, dient hij daar een verzoek tot opheffing voor in te dienen.
Conclusie en gevolgen
19. Verweerder heeft de opvolgende aanvraag van eiser op goede gronden niet-ontvankelijk verklaard, nu eiser daar geen nieuwe relevante elementen en bevindingen aan ten grondslag heeft gelegd.
20. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.
21. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om het verzoek tot een voorlopige voorziening verder te behandelen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
Beslissing
De rechtbank, in zaaknummer NL25.53830:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in zaaknummer NL25.53831:
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hayas, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, voor zover het de hoofdzaak betreft, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.