RECHTBANK DEN HAAG
[eiseres] ,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.36982 (beroep) en NL23.36984 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
geboren op [geboortedag] 1962, van Turkse nationaliteit, verzoekster/eiseres, hierna: eiseres
(gemachtigde: mr. B. Aydin),
en
(gemachtigde: mr. M.T.M. Hoppema).
Procesverloop
1. Met het primaire besluit van 15 februari 2022 heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ afgewezen.
Met het bestreden besluit van 26 oktober 2023 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep en het verzoek op 26 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, M. Erbek als tolk in de Turkse taal en de gemachtigde van verweerder.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL23.36982:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL23.36984:
- wijst het verzoek af.
Achtergrond
2. Eiseres heeft zich in juli 2016 bij haar Turkse echtgenoot in Nederland gevoegd. Aan hem is met ingang van 7 maart 2014 een vergunning verleend voor arbeid als zelfstandige. Uit informatie van de Kamer van Koophandel is gebleken dat de onderneming die de basis vormde voor deze vergunning op 18 juli 2017 is opgeheven. Uit later beschikbaar gekomen informatie is gebleken dat eiseres noch haar echtgenoot in de periode na 31 december 2018 inkomsten uit loondienst hebben genoten en dat beiden sindsdien uitkeringen hebben ontvangen uit de algemene middelen.
Standpunt van partijen
3. De essentie van deze zaak is dat verweerder eiseres geen voortgezet verblijf toestaat omdat haar echtgenoot te kort in Nederland gewerkt heeft. Op het moment dat eiseres in aanmerking kwam voor voortgezet verblijf, werkte haar echtgenoot al niet meer. Zij zou toen dus niet voor voortgezet verblijf in aanmerking zijn gekomen en dat kan volgens verweerder daarom nu ook niet meer. Volgens eiseres is dit in strijd met het Associatieverdrag tussen de EU en Turkije en de daarvan afgeleide regelgeving en heeft verweerder in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd waarom van een strijdigheid met het Turkse Associatierecht geen sprake is.
Beoordeling door de rechtbank
4. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat verweerder het toepasselijke recht juist heeft toegepast en dit in het bestreden besluit juist en volledig gemotiveerd heeft. De rechtbank is van oordeel dat eiseres in dit geval geen rechten kan ontlenen aan het Associatieverdrag en de daarvan afgeleide regelgeving. Deze regels maken het mogelijk dat economisch actieven in de EU komen werken. Daar kunnen vervolgens voortgezette verblijfsrechten uit voortvloeien, maar het is op grond van het Turkse Associatierecht niet de bedoeling dat als na een relatief korte tijd geen economisch bestaansrecht in Nederland meer bestaat, toch verblijf kan worden afgedwongen. De rechtbank zal hieronder ingaan op de afzonderlijke beroepsgronden die eiseres naar voren heeft gebracht.
5. Eiseres stelt dat verweerder ambtshalve had moeten beoordelen of zij aanspraak zou kunnen maken op een verblijfsrecht op grond van het Turkse Associatierecht.
Het is aan eiseres om haar aanvraag te onderbouwen. In dit geval lagen er naast deze aanvraag meerdere aanvragen van eiseres en haar echtgenoot en liep er al een beroep, dat uiteindelijk is uitgemond in een hoger beroep. In het licht van overweging 4 over het doel en de achtergrond van de regels uit het Turkse Associatierecht en tegen de achtergrond van alle informatie en juridische gronden die in de verschillende dossiers zitten over de situatie van eiseres en haar echtgenoot, hoefde verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet ook nog ambtshalve te onderzoeken of eiseres wellicht nog op andere aan het Turkse Associatierecht ontleende gronden verblijf in Nederland kon worden toegestaan. De kern van deze zaak is dat niet is voldaan aan artikel 3:51, negende lid, onder b van het Vreemdelingenbesluit 2000, hetgeen feitelijk ook volgt uit de uitspraak in hoger beroep in de andere procedure die eiseres en haar echtgenoot hebben gevoerd om hun verblijf in Nederland voort te zetten.
6. Eiseres stelt zich verder op het standpunt dat het Turkse Associatierecht geen onderscheid maakt tussen economisch actieven en mensen met een uitkering.
Naar het oordeel van de rechtbank volgt evenmin uit het Turkse Associatierecht dat aan eiseres voortgezet verblijf zou moeten worden toegestaan omdat zij en haar echtgenoot over een uitkering beschikken. De essentie van deze zaak is dat eiseres niet aan de voorwaarden voor voortgezet verblijf voldeed op het moment dat haar echtgenoot niet langer voldeed aan de voorwaarden van de aan hem verleende verblijfsvergunning, namelijk dat hij economisch actief was. Dat bij het heffen van leges en de inburgeringsplicht geen onderscheid wordt gemaakt tussen economisch actieven en mensen met een uitkering, zoals eiseres heeft aangevoerd, kan naar het oordeel van de rechtbank niet met zich meebrengen dat het Associatierecht anders zou moeten worden uitgelegd. De rechtbank verwijst opnieuw naar wat zij in het begin van de uitspraak daarover heeft opgemerkt.
7. Eiseres voert aan dat zij ook zelfstandig kan profiteren van het Turkse Associatierecht en dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiseres niet aan de voorwaarden voor een verblijfsrecht voldoet. Er moet volgens eiseres worden gekeken naar de personele werkingssfeer van artikel 13 van het Besluit 1/80.
Verweerder heeft in het primaire besluit en in het besluit op bezwaar getoetst - op basis van de feitelijke omstandigheden van eiseres, namelijk dat zij haar echtgenoot is gevolgd en vervolgens slechts een heel korte periode zelf heeft gewerkt - of eiseres voldoet aan de voorwaarden van artikel 13 (en artikelen 6 en 7) van het Besluit 1/80. Verweerder heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank voldoende inzicht gegeven in de gronden waarop verweerder meent dat aan eiseres geen geslaagd beroep toekomt op deze artikelen. Van een tegenstrijdigheid, zoals door eiseres gesteld, is naar het oordeel van de rechtbank gelet op haar feitelijke situatie geen sprake.
8. Tot slot had verweerder volgens eiseres moeten onderzoeken of haar echtgenoot nog had kunnen werken.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit op grond van de beschikbare informatie zoals eerder vermeld, voldoende gemotiveerd waarom eiseres geen recht had op voortgezet verblijf op basis van het arbeidsverleden in Nederland van haar echtgenoot. Een situatie van mogelijke beschikbaarheid van haar echtgenoot voor de arbeidsmarkt in de betreffende periode is geen omstandigheid die verweerder in dat kader dient mee te wegen of te onderzoeken. In dat verband wijst de rechtbank opnieuw op het doel van de regels uit het Associatieverdrag waarop eiseres een beroep doet: economisch actief zijn is de kern daarvan. Het is in dat licht aan eiseres om aannemelijk te maken waarom dit toch voor de door verweerder te maken afweging van belang zou zijn. Dit heeft zij niet gedaan.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt dus geen gelijk.
10. Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep van eiseres, is er voor het treffen van de voorlopige voorziening geen aanleiding meer. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen.
11. Voor een proceskostenvergoeding of teruggave van het griffierecht bestaat geen aanleiding.
12. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2026 door mr. M.F.A.M. Smeets, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.H. Gonera, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.