ECLI:NL:RBDHA:2026:14790

ECLI:NL:RBDHA:2026:14790

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 01-06-2026
Datum publicatie 03-06-2026
Zaaknummer NL25.28827
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Asiel Turkije. Eiseres heeft een afgeleide verblijfsvergunning op grond van artikel 29, tweede lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000, maar stelt dat zij in aanmerking komt voor een zelfstandige asielvergunning. Eiseres stelt in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten te staan omdat zij de partner is van een Gülenist. De rechtbank is, anders dan de Afdeling, van oordeel dat de minister op basis van de landeninformatie niet tot de beleidswijziging van 1 december 2023 had kunnen komen. De rechtbank komt op basis van de landeninformatie tot de conclusie dat de minister niet deugdelijk heeft onderbouwd dat er sprake is van een verbetering in de positie van (vermeend) Gülenisten. Daarnaast komt de rechtbank tot de conclusie dat de minister het asielrelaas en de gegronde vrees van eiseres onvoldoende heeft afgezet tegen de algemene situatie in Turijke zoals blijkt uit de aangehaalde landeninformatie in deze uitspraak. Verder dient de minister nader te onderzoeken wat het risico bij terugkeer is, nu eiseres de echtgenote is van een politieagent die ontslagen is in verband met - en thans weer strafrechtelijk onderzocht wordt voor banden met de Gülenbeweging. De minister heeft ook niet nader onderbouwd wat het feit dat eiseres zes keer van baan heeft moeten wisselen, betekent voor de vraag of zij in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat. Het beroep is gegrond.

Uitspraak

I. De getalsmatige daling in het aantal vervolgingen van (vermeende) Gülenisten

De intentie van de Turkse overheid om (vermeende) Gülenisten aan te pakken

9. Uit de Algemene ambtsberichten Turkije van 2023 en 2025 (hierna: ambtsbericht 2023 en ambtsbericht 2025) volgt dat de intentie van de Turkse overheid om (vermeende) Gülenisten aan te pakken onverminderd groot blijft. In het ambtsbericht 2025 staat geschreven:

De Turkse autoriteiten maakten gelijk duidelijk dat hun strijd tegen de Gülenbeweging onverdroten zou doorgaan. Op 21 oktober 2024 deelde Hakan Fidan, de Turkse minister van Buitenlandse Zaken, mee dat de Turkse regering niet zou verslappen in de bestrijding van de Gülenbeweging. Op dezelfde dag riep het Turkse ministerie van Defensie de volgelingen van Gülen op om zich over te geven aan de Turkse overheid. Begin november 2024 woonde president Erdoğan een topbijeenkomst bij van de Organisatie van Turkse Staten in de Kirgizische hoofdstad Bisjkek. Daar zei hij: ‘Onze strijd tegen alle vormen van terrorisme, in het bijzonder tegen FETÖ, zal ononderbroken doorgaan’.

Uit een rapport van de Finse immigratiedienst volgt dat de Turkse minister van Defensie op 13 december 2023 een persbericht heeft doen uitgaan waarin werd aangegeven dat sinds de mislukte coup 23.971 mensen die betrokken waren bij de Gülenbeweging uit de militaire dienst zijn ontslagen. Daarin staat ook “the fight against FETÖ continues until there is not a single person affiliated with the movement among the personnel of the armed forces

Tijdens een bijeenkomst op 15 juli 2025 ter herdenking van de militaire coup in 2016 refereerde president Erdoğan aan de Gülenbeweging als een virus dat nog niet weg is: “We defeated traitors during the 2013 probes and on July 15, but we have not yet completely removed the FETÖ virus from the body.

De aanpak van (vermeende) Gülenisten in de praktijk

10. Volgens cijfers uit juli 2023 van het Turkse Ministerie van Justitie zijn sinds de coup in 2016 bij elkaar 122.632 mensen veroordeeld voor vermeende banden met de Gülenbeweging, waarvan er op dat moment nog 12.108 in de gevangenis zaten. Tegen 67.893 mensen liep in juli 2023 nog een strafrechtelijk onderzoek inzake vermeende banden met de Gülenbeweging. Volgens cijfers van de Turkse overheid zijn in de periode 2016-2018 als gevolg van banden met de Gülenbeweging 125.678 overheidsdienaren ontslagen.

De UK Home Office schrijft dat er kritiek is op de door de Turkse overheid aangedragen cijfers. Zo geven geraadpleegde experts aan dat uit andere cijfers van de Turkse overheid blijkt dat in de periode 2016 – 2020 meer dan 265.000 mensen zijn veroordeeld voor lidmaatschap van een terroristische organisatie. De Finse immigratiedienst schrijft dat twee door hen geraadpleegde bronnen het aantal strafrechtelijke onderzoeken naar vermeende Gülenisten sinds 2016 op 2.000.000 schatten. Volgens een geraadpleegde expert zouden er bij elkaar voorts 400.000 overheidsdienaren zijn ontslagen sinds de militaire coup.

Uit de ambtsberichten 2023 en 2025 volgt dat (vermeende) Gülenisten nog steeds regelmatig op grotere of kleine schaal door de Turkse autoriteiten worden gearresteerd. Ter illustratie wordt onder andere gewezen op een door de Turkse overheid vrijgegeven overzicht van gerichte (landelijke) acties in de verslagperiode 10 januari tot 23 oktober 2023, waarbij in totaal 1.824 personen zijn aangehouden.

Human Rights Watch schrijft in haar jaarverslag over 2024:

“Thousands of people face detention, investigations and unfair trials on terrorism charges for alleged links with the movement led by deceased US-based cleric Fethullah Gülen (…). Many have faced arbitrary imprisonment with no effective remedy after mass removal from civil service jobs and the judiciary.”

In een bericht van het Turkse Ministerie van Justitie van 12 juli 2024 verklaart de minister dat er op dat moment tegen 61.769 mensen een strafrechtelijk onderzoek vanwege FETÖ loopt en dat bij 23.052 mensen het proces net is begonnen.

In een rapport van 21 januari 2025 schrijft hoogleraar Vande Lanotte dat in Turkije jaarlijks nog steeds enkele duizenden Gülenisten worden vervolgd.

Uit het ambtsbericht 2025 volgt dat de Turkse overheid zich in de loop van de tijd ook is gaan richten op “burgers die (financiële) steun geven aan gevangengezette Gülenisten en/of hun familieleden”. Deze personen worden door de Turkse overheid verdacht van het ‘herstructureren’ van de Gülenbeweging. Ook hoogleraar Vande Lanotte maakt melding van de verdenking van ‘herstructurering’. Vande Lanotte beschrijft dat sinds enige tijd ook personen die hulp bieden aan gedetineerde Gülenisten in de negatieve aandacht staan van de autoriteiten en dat zij worden vervolgd op beschuldiging van het ‘herstructureren’ van de Gülenbeweging.

Ook de Finse Immigratiedienst maakt melding van ‘herstructuringsoperaties’, gericht tegen personen die bezig zouden zijn met het herstructureren of opnieuw opbouwen van de Gülenbeweging. Een door de Finse Immigratiedienst gesproken expert geeft aan dat het helpen van een Gülenist die in de gevangenis zit, waarschijnlijk het meest gehanteerde criterium is om een nieuw strafrechtelijk onderzoek te starten. Een andere expert geeft aan dat het merendeel van de personen die verdacht worden van herstructurering al eerder onderzocht waren vanwege banden met de Gülenbeweging. Onder deze personen zitten “family members of those still in prison as well as those individuals, either in Turkey or abroad, whose sentences have not yet been finalized, their family members and their ‘close circle’.”

Op basis van het onderzoek van de Finse Immigratiedienst kunnen daarnaast nog twee andere categorieën mensen in de negatieve belangstelling van de Turkse politie en justitie komen te staan. Dit betreft enerzijds het gebruik van publieke telefooncellen en treft met name militairen (de zogenoemde ‘payphone-investigations’). Volgens een geraadpleegde expert kunnen deze onderzoeken nog heel lang duren omdat er zo’n 90.000 openbare telefooncellen in Turkije zijn. Anderzijds lopen ook personen die na de coup van 2016 de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt een risico op vervolging. Het gaat dan bijvoorbeeld om jongeren die op een Gülenschool hebben gezeten en van wie hun ouders banden met de Gülenbeweging wordt verweten.

Uit de landeninformatie volgt voorts dat de (negatieve) belangstelling van de Turkse overheid jegens (vermeende) Gülenisten niet per se hoeft op te houden na een veroordeling of beslissing tot niet vervolging. De Finse Immigratiedienst schrijft dat meerdere bronnen aangeven dat de Turkse overheid opnieuw kan overgaan tot een strafrechtelijk onderzoek en vervolging van (vermeende) Gülenisten. Dit nieuwe onderzoek kan dan eveneens hun vrouwen en kinderen betreffen. Ook Vande Lanotte beschrijft dat personen die eerder werden verdacht van betrokkenheid bij de Gülenbeweging, opnieuw in de negatieve belangstelling van de overheid kunnen komen te staan.

De UK Home Office schrijft dat de Turkse overheid actief probeert om vermeende Gülenisten uit het buitenland overgedragen te krijgen. Uit een vertrouwelijk document van de Turkse geheime dienst volgt dat Turkije aan 112 landen heeft gevraagd om de uitlevering van 1.271 Gülenleden en dat op de peildatum 13 juli 2023, 126 van hen ook daadwerkelijk aan Turkije waren overgedragen.

De Turkse overheid laat zich in haar vervolging van (vermeende) Gülenisten, tot slot, niet corrigeren door de rechterlijke macht. Zo legde de overheid een belangrijke uitspraak van het EHRMvan 26 september 2023 naast zich neer. Ook legt de overheid zich niet neer bij hen onwelgevallige uitspraken van Turkse rechters. Een terugplaatsingsbesluit van de Raad van State ten aanzien van 450 ontslagen rechters en aanklagers werd door president Erdoğan onaanvaardbaar genoemd. Naar aanleiding van deze uitspraak stelde de Raad van Rechters en Aanklagers een nieuw onderzoek in bij 387 rechters en aanklagers.

De getalsmatige daling van het aantal strafrechtelijke vervolgingen en ontslagen

11. Uit de Ambtsberichten van 2023 en 2025 volgt dat er sprake is van een getalsmatige daling in de aantallen strafrechtelijke onderzoeken, vervolgingen en gedwongen ontslagen van (vermeende) Gülenisten ten opzichte van de periode 2020. Ook de rapporten van UK Home Office en de Finse Immigratiedienst spreken van een getalsmatige daling.

Deze daling wordt door twee vertrouwelijke bronnen toegeschreven aan het feit “dat de meerderheid van (vermeende) Gülenisten inmiddels strafrechtelijk was vervolgd dan wel uitgeweken naar het buitenland”. Volgens een delegatie van de Europese Unie die Turkije heeft bezocht, is de daling het gevolg van het feit dat de meest zichtbare Gülenisten in de Turkse samenleving al waren ontslagen dan wel strafrechtelijk onderzocht en vervolgd.

UK Home Office geeft als reden voor de getalsmatige daling dat de meeste arrestaties en detenties al hebben plaatsgevonden tijdens de noodtoestand van juli 2016 tot juli 2018. De Finse immigratiedienst tekent, tot slot, op dat door hen gesproken experts de daling toeschrijven aan “an unprecedented number of people having already been arrested”, en wat betreft de gedwongen ontslagen dat “almost all the civil servants associated with the movement were dismissed under the decree laws”.

In het Ambtsbericht van 2023 wordt een vertrouwelijke bron aangehaald die een andere reden geeft voor de daling. Deze bron schrijft de daling toe aan het feit “dat de Turkse regering haar negatieve aandacht had verlegd van de Gülenbeweging naar de Koerdische beweging en de lhbtiq+ gemeenschap”.

De rechtbank stelt vast dat in de ambtsberichten van 2023 en 2025 geen met de daling corresponderende stijging van het aantal vervolgde Koerdische- en/of LHBTI+-mensen in Turkije is waar te nemen.

Tussenconclusie ten aanzien van de getalsmatige daling van het aantal strafrechtelijke vervolgingen en ontslagen.

12. Gelet op de onverminderd grote negatieve aandacht en vastberadenheid van de Turkse overheid jegens de Gülenbeweging en de nog steeds overweldigende cijfers over het aantal strafrechtelijke onderzoeken en vervolgingen op grond van (vermeend) Gülenisme, is de rechtbank van oordeel dat de na de noodtoestand ingezette getalsmatige daling is toe te schrijven aan het getalsmatige gegeven dat inmiddels veel (vermeende) Gülenisten al zijn vervolgd dan wel Turkije zijn ontvlucht. Dit wordt niet alleen door diverse bronnen en experts aangegeven, maar is ook de conclusie van gerenommeerde entiteiten als voornoemde delegatie van de Europese Unie en UK Home Office. De rechtbank gaat dus niet mee in de mogelijkheid dat de daling het gevolg is van het verleggen van de aandacht naar andere groeperingen. Er is slechts één bron die dit naar voren brengt en uit het ambtsbericht 2023 en 2025 blijkt dat daar geen cijfermatige onderbouwing voor is gegeven. Sterker nog, uit alle hierboven aangehaalde landeninformatie blijkt dat de negatieve aandacht jegens (vermeende) Gülenisten in de loop van de tijd juist is verbreed naar nieuwe groepen, zoals mensen die (vermeende) Gülenisten in gevangenschap en/of hun familieleden (financieel) ondersteunen, het zogenoemde verboden ‘herstructureren’ van de Gülenbeweging, en kinderen van Gülenisten die ten tijde van de coup nog geen 18 jaar oud waren.

II. Minder willekeur in de vervolging van (vermeende) Gülenisten

13. Het ambtsbericht 2025 vermeldt dat vervolgde Gülenisten uit alle geledingen van de maatschappij komen en dat mensen nog steeds relatief makkelijk kunnen worden verdacht van betrokkenheid bij de Gülenbeweging.

De Finse Immigratiedienst schrijft dat aan de hand van de volgende criteria iemand gelinkt kan worden aan de Gülenbeweging:

has used or downloaded the ByLock messaging application

has deposited money or possessed a bank or credit card in Bank Asya or used one of its payment terminals

has been denounced anonymously or his or her name appears in secret witness statements

has attended the Gülen movement’s religious gatherings (sohbets)

has served in an executive role or as a member in an association that has been either closed or dissolved during the State of Emergency on the basis of its alleged connection to the Gülen movement

has served in an executive role or as a member in a trade union that has been either closed or dissolved during the State of Emergency on the basis of its alleged connection to the Gülen movement

has been a shareholder, manager or employee in companies and other legal persons, including schools, universities, hospitals, media outlets, publishing houses that have been closed down or seized under the State of Emergency for their alleged ties with the Gülen movement

has subscribed to newspapers or magazines dissolved or seized during the State of Emergency on the basis of its alleged connection to the Gülen movement

has been in possession of copies of the above-mentioned newspapers or magazines or books, CDs or DVDS issued by publishing houses closed, dissolved or seized because of their alleged connections to the Gülen movement

has studied in schools or universities or resided in dormitories closed during the State of Emergency for their alleged connections to the Gülen movement or sent his or her children to these educational institutions

has travelled abroad

has followed certain accounts on social media or shared articles critical of the AKP government

has donated to relief organisations associated with the Gülen movement

has resided in hotels associated with the Gülen movement

has been found to be in possession of a one-dollar (USD) banknote

has cancelled their subscription to the digital TV platform DIGITURK after its decision to end the broadcasting of seven television channels allegedly connected to the Gülen movement

has participated in protests reacting to the Turkish government’s takeover of (Gülen movement linked) the newspaper Zaman and Samanyolu TV or made press statements protesting the government’s actions

has expressed support for the opposition parties or criticised the Turkish government for human rights violations

has been associated with the so-called “restructuring” of the Gülen movement’s structures or, in general, with assisting those associated with the movement financially or otherwise

has made consecutive calls from payphones connected to the activities of the Gülen movement’s members

has a family member who has downloaded the ByLock messaging application

has been mentioned in a ByLock correspondence without their knowing and without using the software themselves

has participated in the Gülen movement’s religious conversations and programs

has authored books published by the Gülen movement’s publishing houses and/or about Fethullah Gülen

has been mentioned in an intelligence report

has been in contact with people influential in the Gülen movement

has participated in a demonstration or written an article critical of the Turkish government

UK Home Office benoemt daarnaast nog de volgende criteria:

Police or secret service reports

Information received from work colleagues or from neighbours

Rapid promotion in the public service or military

Volgens Human Rights Watch is de vervolging van (vermeende) Gülenisten “extreem willekeurig en onvoorspelbaar” en is er geen duidelijkheid over de criteria die daarbij door de Turkse autoriteiten worden gehanteerd. Human Rights Watch vermoedt dat deze willekeur het gevolg is van niveauverschillen bij de politie en veiligheidsdiensten op lokaal niveau. In sommige districten zijn de autoriteiten eenvoudigweg goed in staat iedereen op te pakken en in andere niet. Een voor het ambtsbericht 2025 gesproken vertrouwelijke bron bevestigt de willekeur in vervolging.

Ook door de Finse Immigratiedienst gesproken bronnen benoemen de willekeur bij vervolging van vermeende Gülenisten. Zo spreekt een van de experts van een “all-pervasive sense of randomness with regard to how even a person without any ties to the movement can be subjected to investigation". Dit laatste wordt door een andere expert beaamd: “For example, just being a friend of a convicted person can be seen as a sign of affiliation with the movement and in these cases, simply meeting a friend can be dangerous.”Weer een andere expert benoemt de normale achtergrond (ordinary background) van de mensen die door de Turkse autoriteiten zijn vervolgd voor Gülenisme. Volgens deze expert was bijna niemand van de veroordeelden op een eerder moment met justitie in aanraking gekomen.

Ondanks voorgaande willekeur zijn volgens de Finse immigratiedienst ook specifieke categorieën van (vermeende) Gülenisten aan te duiden die in de negatieve belangstelling staan van de overheid. Het gaat daarbij om:

overheidsdienaren en leden van de veiligheidsdiensten;

individuen die eerder een sepot hebben gekregen dan wel zijn vrijgesproken of een deel van hun straf niet hebben uitgezeten terzake Gülenisme;

operaties tegen “herstructureren” van de Gülenbeweging;

individuen die betrokken zijn bij het zogenaamde “payphone investigation”;

individuen die na de coup van 2016 de leeftijd van strafrechtelijke verantwoordelijkheid hebben bereikt;

mensenrechtenactivisten, mensen die het (juridisch) hebben opgenomen voor Gülenisten en critici van de Turkse overheid;

zakenlieden.

Het ambtsbericht 2025 spreekt ook over een specifieke groep die in de negatieve aandacht staat. Het gaat daarbij om (vermeende) Gülenisten in het veiligheids- en justitiële apparaat, zoals cadetten, militairen, gendarmes, politieagenten, rechters en openbare aanklagers. Zo zijn bij de operaties die tussen 10 januari en 23 oktober 2024 plaatsvonden, in de meeste gevallen militairen, politieagenten en medewerkers van justitie opgepakt.

De Finse immigratiedienst schrijft verder dat strafrechtelijke vervolging van familieleden van (vermeende) Gülenisten nog steeds willekeurig is. Partners, kinderen, broers en zussen lopen daarbij het meeste risico.

Tussenconclusie ten aanzien van de vraag of er sprake is van minder willekeur in de vervolging van (vermeende) Gülenisten

14. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het voorgaande dat nog steeds iedereen die in verband wordt gebracht met de Gülenbeweging door de Turkse autoriteiten het risico loopt op een willekeurige verdenking en strafrechtelijke vervolging inzake (vermeend) Gülenisme. De mate van willekeur manifesteert zich niet alleen bij de vraag wie de autoriteiten in het vizier hebben, maar lijkt ook verband te houden met de vraag of de lokale autoriteiten organisatorisch voldoende in staat zijn om een verdenking om te zetten in concrete vervolgingsacties. Daarnaast volgt uit de landeninformatie dat een aantal categorieën mensen in een gerichte en bijzondere negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten staan. Die bijzondere aandacht kan bovengenoemde willekeur evenwel niet wegnemen. Sterker nog, de Turkse overheid laat in woord en gebaar juist zien dat het hen serieus is om iedereen die in hun ogen betrokken is bij de Gülenbeweging aan te pakken.

III. Meer bescherming door de rechterlijke autoriteiten

15. De Europese Commissie schrijft in 2022 dat er serieuze zorgen zijn over de “continued deterioration of the independence of the judiciary” en dat de Turkse overheid deze zorgen niet beantwoordt.Ook schrijft de Europese Commissie dat “The serious backsliding observed since 2016 continued during the reporting period. Concerns remained, in particular the systemic lack of independence of the judiciary and undue pressure on judges and prosecutors. Particular concerns relating to the judiciary’s adherence to international and European standards increased, in particular in relation to the refusal to implement rulings by the European Court of Human Rights.”

Freedom House schrijft dat “Judicial independence has been severely compromised, as thousands of judges and prosecutors have been replaced with government loyalists since 2016 (…). The Constitutional Court has shown some independence since 2019 but is not free form political influence and often delivers rulings in line with AKP interests”

De United States State Department schrijft in haar rapport van 2022 dat “Observers noted prosecutors and courts often failed to establish sufficient evidence to sustain indictments and convictions in cases related to supporting terrorism, highlighting concerns regarding respect for due process and adherence to credible evidentiary thresholds. In numerous cases, authorities used secret evidence or witnesses to which defense attorneys and the accused had no accesss or ability to cross-examine and challenge in court, particularly in cases related to national security.”

Human Rights Watch schrijft in haar jaarrapport uit 2024 dat president Erdoğan en zijn AKP “exert strong control over the media, courts and most state institutions, regularly sidelining or punishing perceived government critics. Political divisions and power struggle within Türkiye top courts and increasing reports of corruption within the state and judiciary have further undermined human rights and the rule of law.”

Op 26 september 2023 oordeelde het EHRM dat de veroordeling van docent Yukŝel Yalçinkaya in strijd was met artikel 6, eerste lid (recht op een eerlijk proces), artikel 7 (het legaliteitsbeginsel) en artikel 11 (vrijheid van vereniging) van het EVRM. In september 2024 werd Yalçinkaya voor dezelfde feiten door een Turkse rechtbank wederom veroordeeld. Volgens Human Rights Watch met terzijde schuiving van het oordeel van het EHRM.

In het ambtsbericht 2023 wordt melding gemaakt van het feit dat er door het Constitutioneel Hof en het Hof van Cassatie strenger wordt toegezien op het gebruik van strafrechtelijk bewijs in zaken tegen Gülenisten. Zo heeft het Hof van Cassatie in 2021 geoordeeld dat het gebruik van ByLock alleen kan worden tegengeworpen als bewezen is dat de betrokkene de app daadwerkelijk heeft gebruikt, en niet iemand anders. Het Constitutioneel Hof heeft op 13 februari 2020 bepaald dat het hebben gehad van een rekening bij Bank Asya niet kan niet worden aangemerkt als een activiteit ten behoeve van de Gülenbeweging, tenzij er een instructie vanuit de beweging aan ten grondslag ligt. Verder oordeelde het Hof van Cassatie in januari 2022 dat alledaagse transacties via Bank Asya niet kunnen worden beschouwd als activiteiten ten behoeve van de Gülenbeweging.

Verder staat in het ambtsbericht 2025 beschreven dat voormelde eisen aan de bewijsvoering door lagere rechters niet altijd worden gevolgd.

Een door de Finse Immigratiedienst gesproken expert geeft aan dat strafrechtelijke vervolgingen op basis van het gebruik van ByLock en/of Asya Bank inmiddels bijna allemaal zijn afgerond.

Verscheidene door de Finse immigratiedienst gesproken bronnen geven aan dat geheime getuigenverklaringen een belangrijk bewijsmiddel zijn in aanklachten tegen Gülenisten. Deze verklaringen kunnen afkomstig zijn van mensen die zelf verdacht werden van Gülenisme en, in ruil voor vrijlating of strafvermindering dan wel anderszins onder druk, besloten anderen te noemen (dit zijn zogenaamde “spijtoptanten”). Geheime getuigenverklaringen kunnen ook afkomstig zijn van politieagenten zelf. Volgens een delegatie van de Europese Unie die Turkije heeft bezocht worden geheime getuigenverklaringen in zaken tegen gewone burgers nog steeds gebruikt.

De Finse Immigratiedienst schrijft ook dat volgens Human Rights Watch en een door hen geraadpleegde advocaat, de Turkse rechtspraak niet eenduidig omgaat met Gülen-zaken. Bij nagenoeg hetzelfde bewijsmateriaal wordt in de ene zaak wel en de andere geen veroordeling uitgesproken.

Tussenconclusie ten aanzien van de vraag of de rechterlijke autoriteiten meer bescherming biedt.

16. Uit de landeninformatie volgt dat de rechterlijke macht meegaat in strafrechtelijke vervolgingen van (vermeende) Gülenisten. Tegen het politiek vervolgen van (vermeende) Gülenisten an sich wordt dan ook geen rechtsbescherming geboden. Ook heeft de rechterlijke macht het uitgangspunt van gedwongen ontslagen op grond van (vermeend) Gülenisme in stand gelaten.

Weliswaar volgt uit het ambtsbericht 2023 dat het Hof van Cassatie en het Constitutioneel Hof strengere eisen stellen aan het strafrechtelijk bewijs ten aanzien van het gebruik van ByLock of Asya Bank, maar uit de landeninformatie blijkt ook dat deze eisen niet altijd door lagere rechters worden gevolgd. Bovendien tast deze aanscherping de vervolging op basis van (vermeend) Gülenisme niet aan en blijven er vele andere bewijsmiddelen over (zie onder 13.1.), waaronder de geheime getuigenverklaringen. De ‘verbetering’ in rechterlijke bescherming, althans zo begrijpt de rechtbank de minister, ziet de rechtbank dan ook niet als een werkelijke verbetering en beschermt in de kern ook niet tegen politieke vervolging inzake (vermeend) Gülenisme an sich.

Is de situatie ten aanzien van (vermeende) Gülenisten in Turkije minder slecht geworden?

17. Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de negatieve aandacht van de Turkse overheid voor (vermeende) Gülenisten nog onverminderd groot is en dat deze zich in de loop van de jaren heeft uitgebreid naar nieuwe categorieën die op de radar zijn komen te staan van de Turkse autoriteiten. De getalsmatige daling in het aantal strafrechtelijke vervolgingen en ontslagen is het gevolg van het feit dat veel (vermeende) Gülenisten al zijn vervolgd dan wel Turkije zijn ontvlucht. De vervolging is nog steeds willekeurig, waarbij een aantal groepen extra kans lopen op negatieve aandacht. De rechterlijke macht biedt tegen politieke vervolgingen wegens Gülenisme an sich geen bescherming. De extra waarborgen ten aanzien van het strafrechtelijk bewijs inzake Bylock en Bank Asya zijn bovendien marginaal. Hierbij valt overigens niet uit te sluiten dat het grootste deel van de dossiers waarin ByLock en Bank Asya als initieel bewijsmiddel figureren, inmiddels is afgehandeld.

Anders dan de minister komt de rechtbank dan ook tot de conclusie dat er geen sprake is van een minder slecht beeld voor Gülenisten dan voorheen. Dat de negatieve aandacht een aantal categorieën mensen extra treft – in zoverre is het beeld minder diffuus geworden – maakt het voorgaande niet anders. Deze mensen lopen extra gevaar, alle andere mensen gaan nog steeds gebukt onder dezelfde willekeur.

De wijziging van het beleid mist dan ook een deugdelijke motivering. Nu het bestreden besluit op die wijziging is gebaseerd, mist ook het besluit een deugdelijke motivering. Dit klemt temeer nu de minister onder het oude beleid asielaanvragen van (vermeende) Gülenisten in de regel inwilligde, ook bij het ontbreken van geringe indicaties. Het beroep is dan ook gegrond.

De op eiseres toegesneden motivering in het bestreden besluit

18. De rechtbank is zich bewust van de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2026 waar ten aanzien van de wijziging van het beleid tot een ander oordeel wordt gekomen. De rechtbank houdt er dan ook rekening mee dat de minister tegen deze uitspraak in hoger beroep zal willen gaan.

De rechtbank hecht er daarom aan voorts nog het navolgende te overwegen nu ook de individuele beslissing gebaseerd op het nieuwe beleid gebreken kent.

De rechtbank herhaalt daarom kort hetgeen eiseres aan haar individuele asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd. Uit het door de minister geloofwaardig geachte asielrelaas komt naar voren dat eiseres de echtgenote is van een politieagent, die bij decreet is ontslagen in verband met banden met de Gülenbeweging. Ook is de echtgenoot (wederom) onderwerp van strafrechtelijk onderzoek in verband met de verdenking van banden met de Gülenbeweging. Als gevolg van het ontslag van de echtgenoot is eiseres door haar werkgever, [werkgever] , zes keer overgeplaatst. Er is ook strafrechtelijk onderzoek gedaan naar eiseres. Eiseres heeft contacten gehad met andere (vermeende) Gülenisten waarvan sommigen zijn vervolgd en gestraft.

Eiseres vreest voor negatieve aandacht van de overheid bij terugkeer naar Turkije. Zij is bang te worden beschuldigd van herstructurering. Ook is eiseres bang als echtgenote van een Gülenist en lid van de Gülenbeweging te worden gezien. Zij vreest bij terugkeer een strafrechtelijke vervolging. Dat zij niet eerder strafrechtelijk is vervolgd, maakt dit niet anders aldus eiseres.

19. De minister dient het asielrelaas en de vrees van eiseres af te zetten tegen wat algemeen bekend is over de situatie van (vermeende) Gülenisten zoals hierboven is weergegeven onder 9. – 11.4, 13. – 13.7 en 15. – 15.9. Dat heeft de minister onvoldoende kenbaar gedaan. De minister had het asielrelaas en de vrees voorts ook in het licht van zijn eigen beleid dienen te beoordelen, te weten dat (vermeende) Gülenisten vanaf 1 juli 2024 zijn aangewezen als risicoprofiel. Uit het bestreden besluit volgt onvoldoende dat de minister dit toetsingskader heeft gevolgd.

20. De rechtbank merkt voorts op dat de minister nader dient te onderzoeken wat het risico bij terugkeer is nu eiseres de echtgenote is van een politieagent die ontslagen is in verband met- en thans weer strafrechtelijk onderzocht wordt voor banden met de Gülenbeweging.

Dat volgens de minister, zoals in het verweerschrift onder verwijzing naar het ambtsbericht 2025 is geschreven, niet is gebleken dat de echtgenoot een hooggeplaatste Gülenist is, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwing dat eiseres als echtgenote geen risico zal lopen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2026, meer specifiek r.o. 5.1 en 5.2. Hieruit volgt, kort gezegd, dat onduidelijk is wat onder ‘hooggeplaatste’ Gülenisten moet worden verstaan en dat niet is uitgesloten dat ook familieleden van andere Gülenisten een dergelijk risico lopen.

De rechtbank voegt daaraan toe dat ook UK Home Office geen onderscheid maakt tussen familieleden van hooggeplaatste of niet-hooggeplaatste Gülenisten. Volgens dit rapport is het enkel zijn van familielid van een Gülenist voldoende als risicofactor voor vervolging. De Finse immigratiedienst schrijft voorts dat juist echtgenotes en kinderen doelwit zijn. Een door de Finse immigratiedienst gesproken bron geeft verder aan dat de autoriteiten een discretionaire bevoegdheid hebben om verschillende familieleden van een Gülenist op willekeurige wijze te vervolgen. Een uitspraak van het Turkse Hof van Cassatie over de erkenning van het concept “connection (iltisak) to a terrorist organisation” heeft deze willekeur volgens deze expert in de hand gewerkt nu het niet duidelijk is wat deze term inhoudt.

Dat eiseres niet eerder problemen heeft ervaren met de autoriteiten, zoals in het bestreden besluit en het verweerschrift wordt gesteld, kan zonder nadere motivering evenmin worden gevolgd. Weliswaar heeft eiseres dit tijdens het nader gehoor zo verteld maar gelet op de context van het nader gehoor is het daarbij gegaan om de strafrechtelijke vervolging door de overheid. Als overheidsdienaar heeft eiseres wel degelijk negatieve gevolgen ondervonden. Zij is zes keer overgeplaatst in de periode 2019-2023. Anders dan het bestreden besluit stelt, is er vanuit de overheid jegens eiseres dus wel sprake van toegedichte betrokkenheid bij de Gülenbeweging.

Voor zover de minister overigens geen negatieve aandacht in dit verband heeft aangenomen omdat eiseres niet is ontslagen, merkt de rechtbank op dat dit niet nader is onderbouwd. Een door de Finse immigratiedienst gesproken bron geeft aan dat “Family members of people convicted due to their alleged association with the Gülen movement have been discriminated against. Relatives working in the public sector might have lost out on a promotion (…).”. Hieruit volgt dus niet dat enkel bij ontslag sprake is van negatieve aandacht.

21. De rechtbank merkt, tot slot, op dat het bestreden besluit van eiseres niet vooraf is gegaan door een voornemen. Daarmee is het onderzoek in de zaak van eiseres onvoldoende zorgvuldig verlopen.

22. Het beroep is ook om bovenstaande redenen gegrond.

Conclusie en gevolgen

23. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Het is eerst aan de minister om een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiseres met inachtneming van het voorgaande. De minister krijgt hiervoor een termijn van zes weken.

24. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Indien aan eiseres een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak.

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Hol, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand