ECLI:NL:RBDHA:2026:14794

ECLI:NL:RBDHA:2026:14794

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 02-06-2026
Datum publicatie 03-06-2026
Zaaknummer AWB 26/2733 en NL26.8949, AWB 26/6210 en NL26.21729
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

HTL + artikel 56 VW. Vier beroepen. Vrijheidsbeperkende maatregelen opgeheven. Het COa heeft zich conform met Maatregelenbeleid terecht op het standpunt gesteld dat er geen nieuw GZA-akkoord hoefde en kon worden opgevraagd en dat met het oudere GZA-akkoord kon worden volstaan. Incident van zeer grote impact, sprake van openlijk wapenbezit. Beroepen ongegrond.

Uitspraak

[vreemdeling], eiser,

V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. M. Pater),

en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa,

alsmede

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank vier beroepen. Het eerste beroep van eiser is gericht tegen het besluit van het COa van 20 januari 2026. In dat besluit heeft het COa besloten om eiser vanaf 20 januari 2026 in de HTL in Hoogeveen te plaatsen (hierna: het plaatsingsbesluit). Het tweede beroep van eiser richt zich tegen het besluit van de minister van 20 januari 2026 om hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van de Vw op te leggen (hierna: de vrijheidsbeperkende maatregel).

Het derde beroep van eiser is gericht tegen het plaatsingsbesluit van het COa van 2 april 2026. Het vierde beroep van eiser richt zich tegen de vrijheidsbeperkende maatregel van de minister van 2 april 2026.

De minister heeft de vrijheidsbeperkende maatregel van 20 januari 2026 op 23 maart 2026 opgeheven, omdat eiser in bewaring werd gesteld. De minister heeft tevens de vrijheidsbeperkende maatregel van 2 april 2026 op 24 mei 2026 opgeheven, omdat eiser de HTL-maatregel heeft voltooid. De gemachtigde van eiser heeft desgevraagd aangegeven de beroepen hiertegen te handhaven.

Eiser heeft op 16 april 2026 en 12 mei 2026 beroepsgronden ingediend, waarop het COa op 26 mei 2026 een verweerschrift heeft ingediend.

De rechtbank heeft de beroepen op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met kennisgeving niet verschenen. De minister en het COa hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek in beide zaken op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt, geen schadevergoeding krijgt en ook geen vergoeding in de proceskosten. Hierna legt de rechtbank hoe zij tot dit oordeel komt.

De beroepen gericht tegen de plaatsingsbesluiten

Het incident dat heeft geleid tot de plaatsingsbesluiten

3. Uit de verslaglegging van het COa blijkt – samengevat – het volgende. Op 5 januari 2026 omstreeks 10:50 uur bevonden COa-medewerker 1 en 2 zich in de slaapzaal ter hoogte van rij D. Vanwege geluidsoverlast vanuit de kamer van eiser, gingen COa-medewerker 1 en een beveiligingsmedewerker naar de kamer, die met een zelfgemaakt koord op slot zat. Door de kier van de deur was zichtbaar dat eiser op het bed lag. Nadat eiser de slaapzaal verliet en vervolgens vanuit de doorgang weer terug naar zijn kamer liep, nam COa-medewerker 1 waar dat eiser een mes in zijn broek had. Dit was zichtbaar omdat hij het handvat vasthield. Eiser werd geroepen en gevraagd of hij een mes bij zich had, maar eiser negeerde dit en liep verder naar zijn kamer. Hierop werd een “Code Alpha” ingeroepen en eiser sloot de deur van zijn kamer met een zelfgemaakt doek. De COa-medewerkers maakten het doek los en betraden de kamer. Eiser stond bij zijn kluis en was bezig met zijn kleding, waarbij het mes op dat moment niet zichtbaar was. Aan eiser werd meerdere keren gevraagd om het mes weg te leggen, maar eiser reageerde niet en vermeed oogcontact. Op de mededeling dat wanneer eiser zijn mes niet zou verwijderen, de politie ingeschakeld zou worden, reageerde eiser met een lachende grijs op zijn gezicht, waarbij hij de COa-medewerker doordringend aankeek. Hierop werd de politie gebeld. Eiser wikkelde vervolgens zijn hand in een theedoek terwijl hij op het bed zat en naar voren staarde, waarbij zijn grijs en houding een dreigende indruk maakten. Nadat COa-medewerker 3 ook de kamer inging, reageerde eiser door op de theedoek te spugen. COa-medewerker 3 observeerde vervolgens dat eiser een mes van 20 centimeter met een bruin handvat bij zich had. De COa-medewerkers verlieten de kamer en hielden de deur dicht door er tegenaan te leunen, terwijl eiser de deur uit probeerde te lopen, wat niet mogelijk was. COa-medewerkers 4 en 5 stonden vanuit de loopburg boven de kamers om eiser in de gaten te houden en merkten op dat eiser een blauwe zak aan het knopen was en weer op zijn bed ging zitten. Enkele minuten later arriveerde de politie met zeven man op de COa-locatie. Na kort overleg tussen de agenten besloten ze de kamer van eiser binnen te treden met een getrokken taser. Eiser stelde zich direct medewerkend op naar de politie. Nadat eiser in de handboeien werd geslagen en werd gefouilleerd, controleerden andere agenten de tassen. Hierin werd een mes met een zwart handvat van 20 centimeter gevonden en in beslag genomen. Er is geen aangifte gedaan van het incident en de politie heeft het mes bij de beveiliging neergelegd.

Beroepsgronden van eiser

4. De rechtbank stelt vast dat de beroepsgronden van eiser tegen de vier besluiten gelijkluidend zijn, met dien verstande ten eiser zich ten aanzien van het plaatsingsbesluit en de vrijheidsbeperkende maatregel van 2 april 2026 ook op het standpunt dat zowel het plaatsingsbesluit als de vrijheidsbeperkende maatregel vanaf het moment van oplegging onrechtmatig zijn, doordat het dossier geen GZA-akkoord bevat. Hierdoor is het niet mogelijk te beoordelen of in het medisch advies rekening is gehouden met alle relevante persoonlijke omstandigheden van eiser en had het COa aanvullend onderzoek moeten uitvoeren. Verder wordt opgemerkt dat, ervan uitgaande dat er een GZA-akkoord is, deze dateert van enkele maanden geleden en om die reden niet langer actueel is.

Voorts stelt eiser dat het enige wat hem wordt verweten is dat dat hij een mes bij zich had op zijn eigen kamer. Ook heeft eiser niet gedreigd met een mes, waardoor het onduidelijk is waarom er is gekozen voor een HTL-maatregel. Aangezien eiser dit mes bij zich had op zijn kamer, is er geen sprake van openlijk wapenbezit. Uit het plaatsingsbesluit blijkt niet dat is komen vast te staan dat eiser dit mes ook al op de slaapzaal bij zich had, dit is slechts een vermoeden. Ook is niet nader toegelicht om wat voor mes of mesje het zou gaan, waardoor er niet kan worden vastgesteld of sprake is van een wapen.

Eiser voert daarnaast aan dat uit het plaatsingsbesluit en de vrijheidsbeperkende maatregel niet blijkt dat het afwegingskader zoals geformuleerd in het Maatregelenbeleid van het COa is toegepast in onderhavige zaak. Eiser stelt dat er geen deugdelijke inschatting is gemaakt van welke maatregel het meeste effect zal hebben op de gedragsverandering van eiser. Eiser meent dat verweerder niet daadwerkelijk heeft onderzocht of plaatsing in de HTL noodzakelijk en proportioneel is en dat verweerder dient te motiveren waarom de situatie niet kon worden opgelost binnen de huidige locatie en waarom minder ingrijpende middelen, zoals begeleiding, een waarschuwing of andere interne maatregelen, niet toereikend zouden zijn geweest. Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 16 mei 2024. Ten aanzien van het plaatsingsbesluit en de vrijheidsbeperkende maatregel van 20 januari 2026 voert eiser aan dat de andere incidenten waarnaar wordt verwezen niet deugdelijk gemotiveerd zijn. Zo zou er op 4 januari 2026 sprake zijn geweest van agressie en geweld tegen personen verbaal, maar uit die motivering blijkt niet dat eiser niet in gesprek wilde gaan en blijkt ook niet waaruit het verbale geweld zou hebben bestaan. Daarnaast stelt eiser dat herhaaldelijk in de omschrijving van de incidenten wordt aangegeven dat er mogelijk sprake is van verward gedrag bij eiser, waardoor het inschakelen van hulp een logische stap was geweest en het onbegrijpelijk is dat eiser in de HTL wordt geplaatst.

Tot slot voert eiser aan dat zowel het plaatsingsbesluit als de HTL-maatregel niet over een voldoende wettelijke basis beschikken. Daarnaast wordt binnen de HTL onbevoegd geweld toegepast. Ook het recht op privéleven, als bedoeld in artikel 8 EVRM, wordt geschonden. Eiser verwijst naar een artikel van A&MR en naar de uitspraak van rechtbank Roermond van 19 april 2023.

Oordeel van de rechtbank

GZA-akkoord ten aanzien van het plaatsingsbesluit en de vrijheidsbeperkende maatregel van 2 april 2026

5. De rechtbank stelt allereerst vast dat er een GZA-akkoord in het dossier aanwezig is en dat dit akkoord is gegeven voordat eiser werd overgeplaatst naar de HTL. De rechtbank overweegt dat GZA op 7 januari 2026 akkoord is gegaan met overplaatsing van eiser naar de HTL en geen belemmeringen heeft geconstateerd. De rechtbank volgt eiser dus niet in zijn stelling dat het GZA-akkoord ontbreekt. Het verweer dat het GZA-akkoord van enkele maanden geleden dateert en om die reden niet langer actueel is, volgt de rechtbank niet. Het COa heeft zich conform met Maatregelenbeleid terecht op het standpunt gesteld dat er geen nieuw GZA-akkoord hoefde en kon worden opgevraagd en dat met het oudere GZA-akkoord kon worden volstaan. Op pagina 15 van het Maatregelenbeleid is namelijk bepaald dat voor bewoners, die voordat hun HTL-maatregel was geëindigd de HTL hebben verlaten en vervolgens opnieuw verzoeken om opvang, de verklaring van GZA ten aanzien van de medische belemmeringen voor de eerste plaatsing in de HTL volstaat. Eiser heeft geen medische of andere bijzondere omstandigheden naar voren gebracht die maken dat het COa daarvan had moeten afwijken.

De feitelijke verslaglegging van het incident

6. De rechtbank ziet in wat eiser naar voren heeft gebracht geen aanleiding om te twijfelen aan de verslaglegging van het COa. De enkele niet onderbouwde stelling van eiser dat er geen sprake was van openlijk wapenbezit nu hij het mes bij zich had op zijn kamer en daarnaast ook niet uit de plaatsingsbesluiten blijkt dat is komen vast te staan dat eiser dit mes ook al op de slaapzaal bij zich had, acht de rechtbank onvoldoende om te twijfelen aan de door het COa geschetste gang van zaken. Uit de verslaglegging volgt duidelijk dat COa-medewerker 1 waarnam dat eiser, toen hij de slaapzaal verliet en vanuit de doorgang terug naar zijn eigen kamer liep, een mes in zijn broek had, waarbij eiser het handvat vasthield. Toen eiser zich vervolgens in zijn eigen kamer bevond, werd door COa-medewerker 3 geconstateerd dat eiser inderdaad een mes van 20 centimeter met een bruin handvat bij zich had. Nu eiser vanuit de slaapzaal via de doorgang naar zijn kamer liep en er toen werd geconstateerd dat hij een mes in zijn broek had en deze vasthield, acht de rechtbank het onaannemelijk dat eiser het mes nog niet in de slaapzaal bij zich had. Er was dus wel degelijk sprake van openlijk wapenbezit. Het verweer dat niet nader is toegelicht om wat voor mes of mesje het zou gaan waardoor niet vastgesteld kan worden of sprake was van een wapen, volgt de rechtbank evenmin. Hiertoe overweegt de rechtbank dat voldoende is omschreven dat het om een mes van 20 centimeter ging en dat dit in het algemeen wordt gezien als een wapen. De rechtbank overweegt dat de feiten door meerdere getuigen, namelijk vijf COa-medewerkers en zeven politieagenten, zijn waargenomen. Het is dan ook voldoende aannemelijk dat de gedragingen zoals door het COa beschreven, zich hebben voorgedaan.

De impact van het incident

7. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat het COa het incident terecht heeft gekwalificeerd als een incident met een zeer grote impact, nu het gaat om het overtreden van huisregels waarbij medebewoners, COa-medewerkers en andere personen die op de locatie werkzaam zijn en/of derden zeer grote schade ondervinden en of/of zeer groot gevaar lopen door openlijk wapenbezit.Zoals hiervoor overwogen, gaat de rechtbank uit van de verslaglegging van het COa. Hieruit volgt dat sprake er was van openlijk wapenbezit, nu eiser een mes van 20 centimeter in zijn broek had. Eiser negeerde de herhaaldelijke verzoeken van de COa-medewerkers om het mes af te geven en uit de verslaglegging blijkt dat eiser zich dreigend opstelde door zijn hand in een theedoek te wikkelen, uitdagend te grijzen, de COa-medewerker doordringend aan te kijken en door de deur proberen te lopen, terwijl de COa-medewerkers deze dicht probeerden te houden door er tegenaan te leunen. Deze situatie vereiste de inzet van zeven politieagenten met tasers, die eiser uiteindelijk geboeid en gefouilleerd hebben, waarbij later op eiser zijn kamer in een tas een mes werd aangetroffen. De rechtbank is van oordeel dat door de aanwezigheid van het mes van eiser de dreiging van geweld groot was en dat de veiligheid van zowel medebewoners als de medewerkers op de COa-locatie ernstig in gevaar was, nu er een reëel risico op letsel was voor iedereen in de directe omgeving van eiser. Dat eiser niet expliciet heeft gedreigd met het mes, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de impact van het incident minder zwaar is en de HTL-plaatsing disproportioneel is. De rechtbank is van oordeel dat het COa, in overeenstemming met het Maatregelenbeleid en voldoende deugdelijk gemotiveerd, heeft besloten tot de oplegging van het plaatsingsbesluit.

Lichter middel

8. De rechtbank stelt vast dat uit de chronologische volgorde van incidenten en maatregelen, die als bijlage 1 aan zowel het plaatsingsbesluit van 20 januari 2026 als 2 april 2026 is bijgevoegd, blijkt dat eiser vóór onderhavig incident in de periode tussen 7 oktober 2025 en 4 januari 2026 meerdere incidenten heeft veroorzaakt waarbij verschillende lichtere maatregelen zijn toegepast. Zo heeft eiser meerdere waarschuwingen gekregen, hebben er meerdere correctiegesprekken plaatsgevonden en heeft eiser meerdere keren een time-out en ROV-maatregelen opgelegd gekregen. Gelet op het incident en het onveranderde gedrag van eiser, heeft het COa daarom terecht geen lichter middel aan eiser opgelegd. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 16 mei 2024 gaat niet op, omdat het hier geen gelijke gevallen betreft. In die uitspraak betrof het een vreemdeling die al twee jaar in de opvang van het COa verbleef en nooit incidenten van enige betekenis had veroorzaakt. De beroepsgrond slaagt daarom niet. Ter zitting heeft de gemachtigde van de minister nog opgemerkt dat op pagina 9 van het plaatsingsbesluit van 2 april 2026 staat vermeld dat eiser ook in de HTL incidenten heeft veroorzaakt, namelijk dat hij drie keer de meldplicht heeft gemist, twee keer agressie en geweld tegen personen verbaal heeft toegepast en vijf keer de huisregels heeft overtreden. De gemachtigde van de minister heeft aangegeven dat dit niet is terug te lezen in bijlage 1 van het plaatsingsbesluit, waardoor hij heeft aangeboden deze stukken alsnog te overleggen. De rechtbank ziet hiervoor geen aanleiding en overweegt hiertoe dat eiser deze recentere incidenten niet heeft betwist en het ontbreken van dit stuk niet maakt dat de rechtbank tot een ander oordeel komt.

Onbevoegd geweld en schending van artikel 8 EVRM

9. De rechtbank stelt vast dat in het geval van eiser niet is aangevoerd en niet is vastgesteld dat er bij zijn binnenkomst dwangmiddelen zijn toegepast door COa-medewerkers of boa’s. De rechtbank ziet zich om die reden niet genoodzaakt een oordeel te vellen over de mogelijke toepassing van dwangmiddelen door boa’s bij binnenkomst in de HTL en ziet hierin ook geen reden om de plaatsing in de HTL in het geval van eiser onrechtmatig te achten.

Verder overweegt de rechtbank dat zij al eerder geoordeeld heeft dat op basis van het Inspectierapport van 12 oktober 2022 en de beleidsreactie hierop van 13 oktober 2022, niet kan worden geconcludeerd dat de leefbaarheid en veiligheid in de HTL zodanig is dat de opvang die wordt geboden in strijd is met artikel 3 of artikel 8 van het EVRM. Op 16 februari 2024 heeft deze rechtbank en zittingsplaats in haar uitspraak daaraan toegevoegd geen aanleiding te zien om hier, in het licht van het inspectierapport van 27 maart 2023 en de hierop volgende beleidsreactie van 5 april 2023, anders over te oordelen. De rechtbank heeft ambtshalve kennis genomen van het inspectierapport van 25 maart 2026 en de daarop volgende Kamerbrief van de minister van 24 april 2026 en ziet daarin evenmin aanleiding voor een ander oordeel. Alhoewel het mogelijk is dat plaatsing in specifieke gevallen onrechtmatig kan zijn, is dat in het onderhavige geval en bij gebrek aan onderbouwing zeker niet het geval. De rechtbank weegt daarbij ook nadrukkelijk de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State mee. In de verwijzing naar een andere uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel.

De beroepen gericht tegen de vrijheidsbeperkende maatregelen

10. Omdat de vrijheidsbeperkende maatregelen zijn opgeheven, beperkt de beoordeling zich tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de HTL-maatregelen op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig zijn geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank, indien de maatregel al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing, aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

Omdat de beroepen tegen de plaatsingsbesluiten ongegrond zijn en de vrijheidsbeperkende maatregelen volledig steunen op die besluiten, oordeelt de rechtbank dat de beroepen tegen de vrijheidsbeperkende maatregelen ook ongegrond moeten worden verklaard. De rechtbank wijst het verzoek tot schadevergoeding dan ook af.

Conclusie en gevolgen

11. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het COa de besluiten tot plaatsing in de HTL en de minister de vrijheidsbeperkende maatregelen mochten nemen.

Eisers verzoek om schadevergoeding wordt gezien het voorgaande afgewezen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van R. de Hoop, griffier, op 2 juni 2026 en gepseudonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl.

de griffier de rechter

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand