Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/142280-22 en 15/051372-21 (tul)
Datum uitspraak: 2 juni 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] ,
op dit moment zonder bekende woonplaats hier te lande,
laatst opgegeven verblijfadres: [adres] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 24 december 2025 (regie) en 19 mei 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. L. de Graaf, en van hetgeen door de gemachtigd raadsman, mr. D. Fontein, naar voren is gebracht. De verdachte is niet ter terechtzitting verschenen.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 19 mei 2026 – ten laste gelegd dat:
1
hij, op een of meerdere tijdstippen op of omstreeks 13 april 2022 te Nieuwerkerk a/d IJssel, gemeente Zuidplas, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk, een of meerdere malen, 312, althans een of meer bankbiljetten van € 200,- dat/die hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) zelf heeft/hebben nagemaakt en/of vervalst en/of waarvan de valsheid en/of vervalsing hem/hen, toen hij/zij deze ontving(en) bekend was als echt en onvervalst heeft/hebben uitgegeven;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op een of meerdere tijdstippen op of omstreeks 13 april 2022 te Nieuwerkerk a/d IJssel, gemeente Zuidplas, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk, een of meerdere malen, 312, althans een of meer bankbiljetten van € 200,- dat/die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] zelf
heeft/hebben nagemaakt en/of vervalst en/of waarvan de valsheid en/of vervalsing hem/hen, toen hij/zij deze ontving(en) bekend was als echt en onvervalst heeft/hebben uitgegeven
bij en/tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, op of omstreeks 13 april 2022 te Nieuwerkerk a/d IJssel, gemeente Zuidpias, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door voornoemde [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] met de auto naar het hotel te vervoeren en/of vervolgens kort na de transactie met de auto met voornoemde [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2]
weg te rijden;
meer subsidiair
hij, op een of meerdere tijdstippen op of omstreeks 13 april 2022 te Nieuwerkerk a/d Ijssel, gemeente Zuidpias, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk, een of meerdere malen, 312, althans een of meer valse of vervalste bankbiljetten van € 200,- heeft/hebben uitgegeven;
meer, meer subsidiair
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op een of meerdere tijdstippen op of omstreeks 13 april 2022 te Nieuwerkerk a/d IJssel, gemeente Zuidplas, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk, een of meerdere malen, 312, althans een of meer valse of vervalste bankbiljetten van € 200,- heeft/hebben uitgegeven
bij en/tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, op of omstreeks 13 april 2022 te Nieuwerkerk a/d IJssel, gemeente Zuidplas, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door voornoemde [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] met de auto naar het hotel te vervoeren en/of vervolgens 3 van 12kort na de transactie met de auto met voornoemde [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] weg te rijden;
2
hij, op of omstreeks 14 april 2022 te Veenendaal, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk,
- 816, althans een of meer bankbiljetten van € 50,- en/of
- 20, althans een of meer bankbiljetten van € 100,- en/of
- 5980, althans een of meer bankbiljetten van € 200,-,
dat/die hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) zelf heeft/hebben nagemaakt en/of vervalst en/of waarvan de valsheid en/of vervalsing hem/hen, toen hij/zij deze ontving(en) bekend was, met het oogmerk om deze als echt en onvervalst uit te geven en/of te doen uitgeven, in voorraad heeft/hebben gehad.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde. Op specifieke standpunten wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het onder 1 en 2 tenlastegelegde bepleit. Op specifieke standpunten wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.
Vrijspraak
Feit 1
De rechtbank is met betrekking tot het onder 1 primair, subsidiair, meer subsidiair en meer, meer subsidiair ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank overweegt in dat verband het volgende.
[aangever] heeft verklaard dat hij in de avond van 13 april 2022 aan twee personen twee Rolex horloges heeft verkocht met wie hij via Marktplaats in contact is gekomen. Na een afspraak in het Van der Valk hotel in Nieuwerkerk aan den IJssel, waarbij de echtheid van zowel de horloges als van het geld waarmee de horloges door de twee kopers werd betaald, is gecontroleerd en de verkoop is voltooid, kwam [aangever] erachter dat was betaald met 312 valse bankbiljetten van € 200,-.
De verdachte wordt verweten dat hij op 13 april 2022 als medepleger of als medeplichtige, de 312 valse bankbiljetten heeft uitgegeven.
In het politiedossier bevinden zich afbeeldingen van camerabeelden van het Van der Valk hotel, waarop de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] worden herkend als de kopers van de horloges, die met de aangevers in het hotel zijn geweest. Van de bestuurder van de Renault Scenic waarmee ze bij het hotel arriveerden, is op de beelden zijn rechterhand en een gedeelte van zijn onderarm zichtbaar, waarop een zwartkleurig dun armbandje en een wit overhemd te zien zijn. Politieambtenaren constateerden op 14 april 2022 tijdens de doorzoeking van de woning waar zich ook de twee eerdergenoemde medeverdachten bevonden, dat de verdachte een wit overhemd droeg en dat hij om zijn pols een zwart dun armbandje droeg, soortgelijk aan het armbandje dat zichtbaar was op de camerabeelden.
Meer of ander bewijs dat de verdachte identificeert als de persoon die de medeverdachten op 13 april 2022 naar het Van der Valk hotel heeft gebracht, ontbreekt. De ontkennende verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij zich op genoemde datum en genoemd tijdstip in shishabar Skyfall in Veenendaal bevond, is door de politie niet gecontroleerd.
De foto’s op pagina 146 en 147 van het proces verbaal, die ter ondersteuning van de verdenking tegen de verdachte zijn opgenomen, zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende van kwaliteit om tot een positieve herkenning van de verdachte te komen.
Omdat het dossier geen ander bewijs bevat waaruit de betrokkenheid van de verdachte bij de gebeurtenissen op 13 april 2022 blijkt en de herkenning van de verdachte als mogelijke bestuurder van de auto slechts gebaseerd is op algemene en niet specifiek onderscheidende kenmerken, zal de rechtbank de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijspreken.
De rechtbank overweegt hierbij dat de omstandigheid dat in de woning waar de verdachte op 14 april 2022 is aangehouden vals geld en één van de twee verkochte Rolex horloges werden aangetroffen, onvoldoende is om de betrokkenheid van de verdachte bij de gebeurtenissen op 13 april 2022 vast te kunnen stellen, omdat ook de twee medeverdachten in deze woning verbleven. Ook de bedenkelijke omstandigheden waaronder het Rolex horloge tijdens de doorzoeking in de wasmachine werd aangetroffen, zijn onvoldoende om de betrokkenheid van de verdachte bij de gebeurtenissen van 13 april 2022 vast te stellen.
Feit 2
Onder 2 is ten laste gelegd dat de verdachte zich tezamen en in vereniging met anderen schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van de op 14 april 2022 in de slaapkamer van zijn moeder aangetroffen hoeveelheid valse bankbiljetten.
Om tot een bewezenverklaring te komen van dit feit dient bewezen te worden dat de verdachte de valse bankbiljetten in voorraad had met het oogmerk om deze als echt en onvervalst uit te geven.
De verdachte heeft verklaard dat hij soms poker speelde met de aangetroffen valse bankbiljetten. Uit deze verklaring van de verdachte blijkt weliswaar dat hij op de hoogte was van de aanwezigheid van het vals geld, maar niet dat hij de bankbiljetten voorhanden had met het oogmerk om deze als echt en onvervalst uit te geven. Van betrokkenheid bij de gebeurtenissen op 13 april 2022 wordt de verdachte vrijgesproken en ook uit andere bewijsmiddelen kan dit niet worden gedestilleerd. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van dit feit.
4. De vordering tot tenuitvoerlegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij vordering van 13 november 2025 gevorderd dat de bij parketnummer 15/051372-21 door de politierechter te Haarlem op 29 september 2021 voorwaardelijke opgelegde straf van jeugddetentie voor de duur van 14 dagen, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden.
Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de vordering aangepast in die zin dat – in verband met het tijdsverloop – afwijzing van de vordering wordt gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de officier van justitie niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vordering wegens schending van de termijn van drie maanden na het aflopen van de proeftijd, waarbinnen de vordering blijkens artikel 14g lid 6 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) (oud) had moeten worden gedaan. Volgens de raadsman is deze termijn ook thans, na de inwerkingtreding van de wet USB, van toepassing, omdat uit de memorie van toelichting op de wet USB niet is gebleken dat de wetgever de bedoeling had dat de in 14g lid 6 Sr (oud) genoemde termijn moest komen te vervallen.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat, hoewel artikel 6:6:21 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) geen termijn vermeldt waarbinnen de vordering na voorwaardelijke veroordeling zou moeten worden ingediend, deze termijn in verband met de rechtszekerheid toch dient te worden aangehouden. Een veroordeelde moet er op enig moment op kunnen vertrouwen dat hij niet meer zal worden opgeroepen voor de tenuitvoerlegging van een eerder opgelegd voorwaardelijk strafdeel.
De vordering na voorwaardelijke veroordeling dateert van 13 november 2025 en valt daarmee ruim buiten de termijn van drie maanden na beëindiging van de proeftijd, zodat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vordering.
5. De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, subsidiair, meer subsidiair en meer, meer subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis 29 september 2021 door de politierechter te Haarlem aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door
mr. V.J. de Haan, voorzitter,
mr. F.M. Guljé, rechter,
mr. H. Hillenaar, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. N. de Jong, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 juni 2026.