[vreemdeling], eiser,
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. R.J. Schenkman),
en
het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa,
alsmede
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep van eiser is gericht tegen het besluit van het COa van 28 maart 2026. In dat besluit heeft het COa besloten om eiser vanaf 28 maart 2026 in de HTL in Hoogeveen te plaatsen (hierna: het plaatsingsbesluit). Het tweede beroep van eiser richt zich tegen het besluit van de minister van 28 maart 2026 om hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van de Vw op te leggen (hierna: de vrijheidsbeperkende maatregel). De rechtbank merkt het beroep ook aan als een verzoek om schadevergoeding.
Eiser heeft op 16 april 2026 beroepsgronden ingediend, waarop het COa op 21 mei 2026 een verweerschrift heeft ingediend.
De rechtbank heeft de beroepen op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met kennisgeving niet verschenen. De minister en het COa hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek in beide zaken op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank.
2. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt, geen schadevergoeding krijgt en ook geen vergoeding in de proceskosten. Hierna legt de rechtbank hoe zij tot dit oordeel komt.
Het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit
Het incident dat heeft geleid tot het plaatsingsbesluit
3. Uit de verslaglegging van het COa blijkt – samengevat – het volgende. Op 23 maart 2026 tussen 10:30 uur en 11:30 uur diende medebewoner B een klacht in bij de infobalie over het roken van eiser in de keuken van de unit. COa-medewerker 1 en 2 gingen de situatie ter plaatse onderzoeken en bij aankomst bleek dat eiser inderdaad rookte en dat de rookmelder niet was afgeplakt. COa-medewerker 2 verzocht eiser driemaal om de sigaret uit te maken, hetgeen eiser weigerde en waarbij hij rook in het gezicht van COa-medewerker 2 blies. Hierop trok COa-medewerker 2 zich terug en meldde het incident aan COa-medewerker 1 voor verdere opvolging. Rond 16:20 uur werd COa-medewerker 3 geïnformeerd door medebewoners over een vechtpartij op de tweede etage, waarop een “Code Alpha” werd afgegeven. Bij aankomst troffen COa-medewerkers 2 en 3 eiser en bewoner B aan, die al door andere bewoners uit elkaar waren gehaald. COa-medewerker 3 verzocht eiser mee te gaan naar de spreekkamer om zijn verhaal te doen. Eiser gaf aan dat hij boos was omdat bewoner B had geklaagd over het roken en dat bewoner B hem respectloos behandelde. Op de vraag of eiser het mes had willen pakken, antwoordde eiser bevestigend. Eiser werd vervolgens teruggestuurd naar zijn kamer en geïnformeerd dat er een maatregel zou volgen. Rond 16:20 uur werd opnieuw een melding gemaakt van een vechtpartij op de tweede etage. Bij aankomst troffen COa-medewerkers 2 en 4 eiser en bewoner B aan die elkaar fysiek aanvielen in het bijzijn van andere kamergenoten, waarbij een mes betrokken was. Eiser en bewoner B stonden tegenover elkaar, worstelden met elkaar en gaven elkaar kopstoten, terwijl beiden hetzelfde grote keukenmes stevig vasthielden. Na meerdere verzoeken lieten eiser en bewoner B het mes uiteindelijk los en keerden zij beiden terug naar hun kamers. Toen eiser naar zijn kamer liep pakte hij een dikke fietsketting en wikkelde hij deze om zijn vuist. Op het moment dat eiser wilde teruglopen naar bewoner B, sprak COa-medewerker 2 eiser aan en verzocht hem de ketting neer te leggen, waarop eiser gehoorzaamde. Tijdens het incident liepen eiser en bewoner B lichte sneetjes op aan hun handen. Bewoner B had daarnaast een scheur in zijn jas en trui, veroorzaakt door het mes. Van kamergenoten heeft COa-medewerker 5 vernomen dat eiser als eerste het mes trok om bewoner B aan te vallen en dat eiser in het verleden vaker een mes heeft gepakt en ermee heeft gezwaaid richting bewoners. Rond 16:39 uur arriveerde de eerste politieauto en gingen politieagent 1 en 2 met beide bewoners in gesprek. Rond 16:41 uur arriveerde een tweede politie-eenheid, waarbij politieagent 3 een getuige verhoorde en politieagent 4 de aangifte van bewoner B opnam. De politie meldde dat eiser zijn verhaal had gedaan en dat hij verklaarde dat hij het niet hierbij zou laten en dat hij bewoner B zou gaan opzoeken.
Beroepsgronden van eiser
4. Door eiser wordt aangevoerd dat uit de beschrijving van het incident duidelijk volgt dat eiser in het geheel geen mes heeft gepakt. Daarnaast wordt opgemerkt dat eiser aan het koken was in de keuken en om deze reden heeft verklaard dat hij een mes wilde pakken. Deze verklaring is aannemelijk en geloofwaardig gelet op het tijdstip en de plaats en wordt ten onrechte in het nadeel van eiser uitgelegd. Ook uit de beschrijving van het incident ten aanzien van de latere vechtpartij tussen eiser en bewoner B, komt niet naar voren dat eiser een mes heeft gepakt. Er is slechts geconstateerd dat beiden een mes vasthielden. Daarnaast voert eiser aan dat hij de instructies van het COa heeft opgevolgd, zowel met betrekking tot het loslaten van het mes als het neerleggen van de ketting. Dit, terwijl bewoner B juist verbaal agressief gedrag vertoonde naar de COa-medewerkers. Eiser voert aan dat de bestreden beschikking ten onrechte geen rekening houdt met dat eiser niet de agressieve persoon was, maar juist bewoner B. Gelet op vorenstaande is de overplaatsing naar de HTL een onevenredig zware bestraffing.
Ook voert eiser aan dat in de beschikking van 28 maart 2026 ter motivering van de oplegging van de HTL-maatregel verwezen wordt naar een incident op 2 april 2026. Dit is onjuist en kan niet gelet op de data. Daarnaast dateert het incident van 23 maart 2026 en is eiser ongeveer twee dagen op het politiebureau geweest. Hij heeft daarna ongeveer twee à drie dagen in de time-out opvang in Leiden doorgebracht en is pas op 28 maart 2025 in de HTL geplaatst. Uit bijlage 1 van de bestreden beschikking volgt dat de bestraffing voor het incident van 23 maart 2026 een ROV 04 time-out maatregel behelst. In de time-out locatie in Leiden waar eiser heeft verbleven, hebben zich geen negatieve incidenten voorgedaan. Door eiser vanuit de time-out locatie zonder redenen over te plaatsen naar de HTL volgt dat eiser dubbel gestraft wordt.
Oordeel van de rechtbank
De feitelijke verslaglegging van het incident
5. De rechtbank ziet in wat eiser naar voren heeft gebracht geen aanleiding om te twijfelen aan de verslaglegging van het COa. De enkele stelling dat eiser in het geheel geen mes heeft gepakt en dat hij enkel heeft verklaard dat hij een mes wilde pakken om mee te koken, acht de rechtbank onvoldoende om te twijfelen aan de door het COa geschetste gang van zaken. Hiertoe overweegt de rechtbank dat uit de verslaglegging blijkt dat eiser later, tijdens de vechtpartij met bewoner B, een groot keukenmes vasthield. Dat uit de verslaglegging niet naar voren komt dat eiser het mes had gepakt en dat enkel is geconstateerd dat zowel eiser als bewoner B een mes vasthielden, volgt de rechtbank niet. Dit geldt ook voor het verweer dat niet eiser, maar bewoner B juist de agressor was. Uit de verslaglegging volgt namelijk dat COa-medewerker 5 van meerdere kamergenoten heeft vernomen dat eiser de agressor was en als eerste het mes trok om bewoner B aan te vallen. De rechtbank overweegt dat de feiten zijn vastgesteld op basis van de evaluatie en de verklaringen van zes COa-medewerkers, vier politieagenten, één beveiliger en een getuige, die direct bij het incident betrokken waren. Ook zijn de feiten waargenomen door meerdere medebewoners. Het is dan ook voldoende aannemelijk is dat de gedragingen zoals door het COa beschreven, zich hebben voorgedaan.
De impact van het incident
6. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat het COa het incident terecht heeft gekwalificeerd als een incident met een zeer grote impact, nu het gaat om agressie of geweld met als doel de ander ernstig fysieke schade toe te brengen. Uit de verslaglegging volgt onder andere dat eiser doelgericht heeft gehandeld door herhaaldelijk fysiek geweld te gebruiken tegen bewoner B. Tijdens de vechtpartij met bewoner B werd er geworsteld, gaven eiser en bewoner B elkaar kopstoten en had eiser een groot keukenmes vast. Daarnaast blijkt uit de verslaglegging dat eiser later weer de confrontatie met bewoner B opzocht door een dikke fietsketting te pakken, deze om zijn vuist te wikkelen en dat hij hiermee terug wilde lopen naar bewoner B. Alhoewel eiser na de waarschuwing van COa-medewerker 2 de ketting neerlegde, overweegt de rechtbank dat eiser deze wel dreigde te gebruiken en dat dit tot ernstig fysiek letsel had kunnen leiden bij bewoner B. Door bewoner B is aangifte gedaan en uit de verklaring van de politie blijkt dat eiser verklaarde dat hij het hierbij niet zou laten zitten en dat hij bewoner B zou gaan opzoeken. Gezien de doelgerichtheid van het agressieve gedrag van eiser, de inzet van potentieel gevaarlijke wapens en de gevolgen voor bewoner B, omstanders en medewerkers, is de rechtbank van oordeel dat het incident terecht is gekwalificeerd als een incident met een zeer grote impact.
Belangenafweging
7. De rechtbank is voorts van oordeel dat het COa, in overeenstemming met het Maatregelenbeleid en voldoende deugdelijk gemotiveerd, heeft besloten tot de oplegging van het plaatsingsbesluit. Uit het Maatregelenbeleid van het COa volgt immers dat in beginsel een HTL-maatregel wordt opgelegd wanneer sprake is van één incident met een zeer grote impact. Daarvan is in deze zaak sprake. Verder heeft het COa kunnen meewegen dat uit bijlage 1 van het plaatsingsbesluit blijkt, dat eiser vóór het onderhavige incident in de periode tussen 12 oktober 2024 en 8 maart 2026, meerdere incidenten heeft veroorzaakt waarbij verschillende lichtere maatregelen zijn toegepast. Eiser heeft meerdere keren de huisregels overtreden en is vaker betrokken geweest bij incidenten waarbij agressie en geweld een rol hebben gespeeld. Deze hebben ertoe geleid dat er twee gedragsbeïnvloedingsmaatregelen zijn toegepast, één leermaatregel is toegepast, eiser meerdere ROV-maatregelen opgelegd heeft gekregen en twee keer een time-out en ROV-maatregel. Deze eerder genomen lichtere maatregelen hebben geen effect gehad op het gedrag van eiser. Gelet op onderhavig incident en het onveranderde gedrag van eiser, heeft het COa geen lichter middel aan eiser hoeven opleggen. Het verweer dat in het plaatsingsbesluit wordt verwezen naar een incident van 2 april 2026 en dat dit gelet op de data niet kan, is onjuist, nu op pagina 6 van het plaatsingsbesluit wordt verwezen naar een incident van 2 april 2025, die ook in de incidentenlijst is opgenomen. Ook het verweer van eiser dat er sprake is van een dubbele bestraffing, nu hij alvorens hij in de HTL is geplaatst eerst drie dagen op een time-out locatie in Leiden heeft gezeten, volgt de rechtbank niet. Uit bijlage 1 van het plaatsingsbesluit blijkt dat naar aanleiding van het onderhavige incident en dezelfde dag nog zowel een ROV-4 als een ROV-6 time-out maatregel aan eiser is opgelegd. Het is voor de rechtbank onduidelijk waarom beide maatregelen zijn opgelegd, maar de rechtbank stelt vast dat hiertegen geen rechtsmiddelen zijn aangewend en de toetsing van deze maatregelen is dan ook geen onderdeel van deze beroepsprocedure. In het verweerschrift en tijdens de zitting is toegelicht dat het doel van de ROV-maatregel was om de rust en orde op de AZC locatie in Den Hoorn terug te brengen en de HTL-plaatsing voor te bereiden. Een time-out was noodzakelijk omdat eiser tegenover de politie had verklaard dat hij het er niet bij liet zitten en dat hij bewoner B zou opzoeken. De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van een dubbele bestraffing. Dat eiser tijdens de time-out maatregel geen nieuwe incidenten heeft veroorzaakt, maakt dit niet anders. De rechtbank is van oordeel dat de plaatsing van eiser in de HTL niet disproportioneel is geweest en dat de door eiser aangevoerde omstandigheden geen contra-indicatie vormen voor het opleggen van het plaatsingsbesluit. Verder heeft eiser ook geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding hadden moeten geven om van het beleid van het COa af te wijken.
8. Het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit is ongegrond.
Het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel
9. Eiser heeft in dit kader geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd.
Omdat het beroep tegen het plaatsingsbesluit ongegrond is, de vrijheidsbeperkende maatregel volledig steunt op dat besluit en de rechtbank ambtshalve toetsend geen onrechtmatigheden vaststelt, zal de rechtbank het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel ook ongegrond verklaren.
Conclusie en gevolgen
10. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het COa het besluit tot plaatsing in de HTL en de minister de vrijheidsbeperkende maatregel mochten nemen.
Eisers verzoek om schadevergoeding wordt gezien het voorgaande afgewezen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van R. de Hoop, griffier, op 2 juni 2026 en gepseudonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl.
de griffier de rechter
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.