ECLI:NL:RBDHA:2026:14807

ECLI:NL:RBDHA:2026:14807

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 22-05-2026
Datum publicatie 03-06-2026
Zaaknummer NL26.15792 en NL26.15793
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Voorlopige voorziening+bodemzaak

Samenvatting

Eiseres is afkomstig uit Uganda. Zij heeft een asielaanvraag ingediend. Zij vreest voor een gevangenisstraf in Uganda omdat zij lesbisch is. Ook vreest zij voor haar ex-man, die haar heeft mishandeld en die misschien aangifte tegen haar gaat doen, omdat hij haar heeft betrapt met een vrouw. Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen. Verweerder gelooft de problemen van eiseres met haar ex-man, maar stelt zich op het standpunt dat eiseres elders in Uganda kan gaan wonen en bescherming kan vragen van de Ugandese autoriteiten. De seksuele geaardheid van eiseres gelooft verweerder niet. De rechtbank oordeelt dat verweerder het referentiekader van eiseres niet kenbaar heeft betrokken bij zijn geloofwaardigheidsbeoordeling over de seksuele geaardheid van eiseres. Daarom is het beroep van eiseres gegrond. Het besluit van verweerder wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[eiseres] , eiseres/verzoekster (hierna: eiseres),

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Samenvatting

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.15792 (beroep) en NL26.15793 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. W.N. van der Voet)

en

(gemachtigde: mr. E.J.N.C. Jansen).

1. Eiseres is afkomstig uit Uganda. Zij heeft een asielaanvraag ingediend. Zij vreest voor een gevangenisstraf in Uganda omdat zij lesbisch is. Ook vreest zij voor haar ex-man, die haar heeft mishandeld en die misschien aangifte tegen haar gaat doen, omdat hij haar heeft betrapt met een vrouw.

Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen. Verweerder gelooft de problemen van eiseres met haar ex-man, maar stelt zich op het standpunt dat eiseres elders in Uganda kan gaan wonen en bescherming kan vragen van de Ugandese autoriteiten. De seksuele geaardheid van eiseres gelooft verweerder niet.

De rechtbank oordeelt dat verweerder het referentiekader van eiseres niet kenbaar heeft betrokken bij zijn geloofwaardigheidsbeoordeling over de seksuele geaardheid van eiseres. Daarom is het beroep van eiseres gegrond. Het besluit van verweerder wordt vernietigd.

Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 26 februari 2026 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze asielaanvraag met het bestreden besluit van 13 maart 2026 afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat zij niet zal worden uitgezet totdat op het beroep is beslist.

Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiseres stelt de Ugandese nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1982. Zij legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Zij is lesbisch en dat is verboden in Uganda. Zij vreest voor een lange gevangenisstraf als zij terugkeert naar Uganda. Ook vreest eiseres voor haar ex-man. In 2022 is eiseres getrouwd met een man omdat zij hiertoe werd aangedrongen door haar familie. Deze man heeft haar mishandeld. Er was sprake van huiselijk geweld en seksueel geweld. Eiseres is daarom eind januari 2026 gevlucht uit de woning van haar man. Zij is bovendien bang dat haar ex-man aangifte zal doen tegen haar, omdat hij haar had betrapt toen zij zoende met een vrouw.

Het bestreden besluit

4. Volgens verweerder bevat het relaas van eiseres de volgende asielmotieven:

Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig. Ook gelooft verweerder de problemen van eiseres met haar ex-man. Verweerder gelooft echter niet dat eiseres biseksueel is. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de verklaringen van eiseres geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Volgens verweerder verklaart eiseres onsamenhangend over haar geaardheid. Enerzijds verklaart eiseres dat zij op vrouwen valt, terwijl zij anderzijds verklaart dat zij ook interesse heeft in mannen. Bovendien heeft zij haar seksuele geaardheid niet als asielmotief aangegeven bij de Koninklijke Marechaussee (KMar). Daarnaast verklaart eiseres summier en oppervlakkig over de ontdekking van haar seksuele geaardheid. Ook verklaart eiseres ongerijmd en summier over haar besef ten aanzien van het verbod om met een vrouw te zijn. Tevens verklaart eiseres oppervlakkig over hoe haar biseksuele gevoelens zich hebben ontwikkeld. Ook de verklaringen van eiseres over haar relatie met [naam 1] zijn summier en oppervlakkig en haar verklaringen over haar relatie met [naam 2] zijn summier, oppervlakkig en niet aannemelijk. Verder vindt verweerder de kennis van eiseres over lhbti-organisaties in Nederland en lhbti in Uganda beperkt. Bovendien baseert eiseres het aangeklaagd worden door haar ex-man enkel op vermoedens. Om deze redenen voldoet eiseres niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Nu verweerder de biseksuele geaardheid van eiseres niet gelooft, toetst verweerder niet door of eiseres te vrezen heeft voor aangifte door haar ex-man. De aanleiding van de mishandeling van eiseres door haar ex-man toetst verweerder ook niet door. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat, hoewel het geloofwaardig is dat eiseres in het verleden is mishandeld door haar ex-man, zij zich elders in Uganda kan vestigen en daardoor niet meer voor hem hoeft te vrezen. In januari 2026 is eiseres immers naar een vriendin gevlucht en vanaf dat moment heeft zij niets meer van haar ex-man vernomen. Ook stelt verweerder zich op het standpunt dat eiseres bescherming en/of hulp kan inroepen van de Ugandese autoriteiten.

Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres afgewezen als kennelijk ongegrond op basis van artikel 30b, eerste lid, onder c, van de Vw. Eiseres heeft haar visum namelijk gebruikt om asiel aan te vragen en daarmee heeft eiseres valse informatie gegeven. Ook legt verweerder eiseres een terugkeerbesluit op. Eiseres moet Nederland onmiddellijk verlaten. Tevens vaardigt verweerder een inreisverbod voor de duur van twee jaar aan eiseres uit.

Heeft verweerder het referentiekader van eiseres kenbaar bij zijn besluitvorming betrokken?

5. Eiseres voert aan dat verweerder haar referentiekader niet kenbaar bij zijn besluitvorming heeft betrokken. Uit het voornemen noch uit het bestreden besluit blijkt immers dat verweerder rekening heeft gehouden met de culturele achtergrond van eiseres. Doordat homoseksualiteit in Uganda is verboden, kon eiseres niet over haar gevoelens voor vrouwen praten. In Uganda wordt er überhaupt weinig over gevoelens gepraat. Ook heeft verweerder geen rekening gehouden met de leeftijd van eiseres ten tijde van het ontdekken van haar seksuele geaardheid. Eiseres was pas veertien jaar toen zij haar seksuele geaardheid ontdekte. Dit heeft invloed op de manier waarop eiseres over haar geaardheid kan verklaren.

De rechtbank volgt eiseres. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

In Werkinstructie 2019/17 staat dat verweerder rekening moet houden met het referentiekader van de vreemdeling. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in haar uitspraak van 25 februari 2026 geoordeeld dat het referentiekader van de vreemdeling, waaronder diens culturele achtergrond, kenbaar betrokken moet worden in de besluitvorming. Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam heeft in haar uitspraak van 25 maart 2026 verwezen naar bovengenoemde Afdelingsuitspraak en overwogen dat verweerder in het bestreden besluit moet onderbouwen waarom hij, bij een asielaanvraag waaraan de seksuele geaardheid ten grondslag ligt, bepaalde verwachtingen heeft over de aard van de verklaringen van de vreemdeling. Op 31 maart 2026 heeft de Afdeling geoordeeld dat verweerder kenbaar rekening moet houden met de jonge leeftijd waarop de vreemdeling zijn geaardheid ontdekte.

Bovenaan het voornemen staat: “Bij het voorgenoemde is rekening gehouden met uw referentiekader”. Verweerder heeft echter in het voornemen noch in het besluit beschreven wat het referentiekader precies inhoudt van waaruit verweerder de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiseres over haar seksuele geaardheid heeft beoordeeld. Ook uit de andere overwegingen in het voornemen en het besluit blijkt onvoldoende van welk referentiekader is uitgegaan. Eiseres heeft hier terecht op gewezen. De namens verweerder ter zitting gegeven toelichting brengt hierin geen verandering. Ter zitting verwees de gemachtigde van verweerder naar de zinnen: “Ook wordt niet ingezien hoe uw referentiekader u zou belemmeren in het verklaren over uw gevoelens voor [naam 1]” en: “Opnieuw vormt uw referentiekader geen belemmering voor het verklaren over uw gevoelens van een persoon met wie u tot vorig jaar een relatie hebt gehad”. De rechtbank oordeelt dat ook uit deze twee zinnen onvoldoende blijkt dat het referentiekader van eiseres kenbaar is betrokken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling. Daarnaast overweegt de rechtbank dat het feit dat eiseres na aankomst op Schiphol tegenover de KMar haar seksuele geaardheid niet als asielmotief heeft opgegeven, het gevolg kan zijn van haar culturele achtergrond, zoals eiseres ook in beroep heeft aangevoerd. Eiseres heeft aangegeven dat ze het moeilijk vond om direct bij haar komst op Schiphol over haar seksuele geaardheid te praten, omdat dit in Uganda verboden is. Daar komt bij dat eiseres enkele dagen na haar aankomst in Nederland, tijdens het aanmeldgehoor van 1 maart 2026, wél heeft verklaard over haar seksuele geaardheid als asielmotief. Ook dit gegeven heeft verweerder ten onrechte niet betrokken bij zijn beoordeling van de geloofwaardigheid van de seksuele geaardheid van eiseres.

De conclusie is dat verweerder het referentiekader van eiseres onvoldoende bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiseres heeft betrokken. Dat heeft niet alleen betekenis voor de beoordeling van de hierboven vermelde tegenwerping over de verklaringen van eiseres bij de KMar, maar ook voor de beoordeling van wat verweerder eiseres verder nog heeft tegengeworpen ter staving van verweerders standpunt dat de gestelde seksuele geaardheid van eiseres ongeloofwaardig is. De beroepsgrond slaagt. Het bestreden besluit is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor vier weken.

Nu het beroep gegrond is, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daartoe dan ook af.

Het beroep is gegrond en daarom krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift en een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (1 punt per proceshandeling met een waarde van € 934,- per punt) .

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 13 maart 2026;

- draagt verweerder op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. S.L. Clemens, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor wat betreft het beroep, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. S.L. Clemens

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand