RECHTBANK DEN HAAG
[eiser], eiser/verzoeker (hierna: eiser),
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.21742 (beroep) en NL26.21743 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A.A. Hardoar)
en
(gemachtigde: mr. E.J.N.C. Jansen).
1. Eiser is afkomstig uit Algerije. Hij heeft een asielaanvraag ingediend. Hij stelt dat een drugsdealer in 2017 door eisers toedoen in de gevangenis is beland. Bij terugkeer naar Algerije vreest eiser voor die drugsdealer en zijn vrienden.
Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen. Verweerder gelooft eisers identiteit niet, omdat eiser onder meer geen identificerende documenten heeft overgelegd en hij geen poging heeft gedaan om deze documenten achteraf te verkrijgen. Eisers gestelde problemen met de drugsdealer vindt verweerder niet zwaarwegend genoeg.
De rechtbank volgt verweerder. Het beroep van eiser is daarom ongegrond.
Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 26 maart 2026 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze asielaanvraag met het bestreden besluit van 10 april 2026 afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat hij niet zal worden uitgezet totdat op het beroep is beslist.
Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser stelt [eiser] te heten en te zijn geboren op [datum] 1993. Hij heeft de Algerijnse nationaliteit. Hij legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. In 2017 heeft eiser een conflict gehad met een drugsdealer genaamd [naam], waardoor [naam] de gevangenis in moest. [naam] en zijn vrienden zijn van mening dat [naam] door eisers toedoen in de gevangenis is beland. Eiser vreest voor [naam] en zijn vrienden. Daarom kan hij niet terug naar Algerije. Daarnaast is eiser verloofd met een vrouw uit Italië en wil hij graag naar zijn verloofde toe.
Het bestreden besluit
4. Volgens verweerder bestaat eisers relaas uit de volgende asielmotieven:
Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst
Eisers problemen met [naam]
Verweerder gelooft eisers nationaliteit en herkomst, maar eisers identiteit gelooft verweerder niet. Eiser heeft namelijk geen identificerende documenten overgelegd en hij heeft geen poging gedaan om achteraf documenten te verkrijgen waarmee hij zijn identiteit kan onderbouwen. Eiser voldoet daarom niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarnaast heeft eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend en daarvoor heeft hij geen goede verklaring. Eiser voldoet daarom ook niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder d, van de Vw. Verder kan eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd, omdat eiser gebruik heeft gemaakt van een valse Franse identiteitskaart en hij pas een maand na zijn komst op Schiphol asiel heeft aangevraagd. Daarom voldoet eiser ook niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder e, van de Vw. Verweerder gaat uit van de persoonsgegevens die eiser zelf heeft opgegeven.
Verweerder toetst de gestelde problemen met [naam] niet op geloofwaardigheid. Verweerder ziet conform paragraaf C1/4.1 onder 5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 reden om dit asielmotief enkel te beoordelen op zwaarwegendheid. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers vrees voor [naam] niet aannemelijk wordt geacht. Tussen december 2017 en januari 2018 heeft eiser immers niets meer van [naam] vernomen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt waarom [naam] of zijn vrienden na een periode van bijna tien jaar nog naar eiser op zoek zouden zijn. Daarnaast heeft eiser zelf verklaard dat de Algerijnse autoriteiten in staat zijn om op te treden als zich problemen voordoen. Gelet hierop kan van eiser worden verwacht dat hij zich tot de Algerijnse autoriteiten wendt voor bescherming. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser zich elders in Algerije kan vestigen. Niet is gebleken dat eiser niet in staat zou zijn om elders in Algerije een bestaan op te bouwen.
Verweerder wijst eisers asielaanvraag af als kennelijk ongegrond op basis van artikel 30b, eerste lid, onder c, d en h, van de Vw. Ook legt verweerder eiser een terugkeerbesluit op. Eiser moet Nederland onmiddellijk verlaten. Daarbij vaardigt verweerder een inreisverbod voor de duur van twee jaar uit aan eiser.
Mocht verweerder eisers identiteit ongeloofwaardig vinden?
5. Eiser voert aan dat hij met de zienswijze voldoende documenten heeft aangeleverd waaruit zijn identiteit blijkt. Eiser heeft een kopie van een rijbewijs overgelegd, afgegeven door het Verenigd Koninkrijk, en een document over de immigratiestatus van eiser, ook afgegeven door het Verenigd Koninkrijk. De overgelegde documenten zijn weliswaar geen identificerende documenten, maar verweerder kan deze documenten alleen hierom niet opzij leggen. Eiser verkeert in bewijsnood en heeft deswege geprobeerd om zijn identiteit te onderbouwen. Eiser beroept zich op de samenwerkingsplicht van verweerder conform artikel 4, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn en op het arrest M. tegen Ierland. Verder voert eiser aan dat hij onderweg was naar Italië en dat hij daarom niet meteen in Nederland een asielaanvraag heeft ingediend. De Franse identiteitskaart heeft eiser van zijn Franse advocaat gekregen. Eiser was dan ook te goeder trouw. Het was eiser niet bekend dat dit een vals document betrof.
Ter zitting liet eisers gemachtigde weten dat er inmiddels een origineel rijbewijs van eiser boven water is gekomen. Dit moet voor verweerder aanleiding zijn om een nieuw besluit te nemen en eisers identiteit geloofwaardig te achten. Daarom heeft eisers gemachtigde de rechtbank verzocht om de behandeling van het beroep aan te houden.
6. De rechtbank volgt eiser niet. Eiser heeft immers nog steeds geen identificerend document overgelegd. Een rijbewijs is geen identificerend document. Dit blijkt uit artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000. De rechtbank verwijst in dit kader ook naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg van 26 augustus 2025. De stelling van eisers gemachtigde ter zitting dat er sprake is van een origineel identificerend document in de vorm van een door het Verenigd Koninkrijk afgegeven rijbewijs, leidt daarom niet tot een ander oordeel. Om deze reden ziet de rechtbank ook geen reden om de behandeling van het beroep aan te houden. De beroepsgrond slaagt niet.
Mocht verweerder eisers problemen met [naam] niet zwaarwegend genoeg vinden?
7. Eiser voert aan dat hij bij terugkeer naar Algerije een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM, dan wel artikel 4 van het Antifolterverdrag.
8. De rechtbank volgt eiser niet. Eiser heeft immers niet onderbouwd waarom hij bij terugkeer naar Algerije een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. Verweerder heeft deugdelijk gemotiveerd waarom hij eisers problemen met [naam] niet zwaarwegend genoeg vindt. Eiser heeft bovendien niet betwist dat hij zich niet elders in Algerije kan vestigen. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
9. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Om die reden heeft verweerder eiser ook terecht een terugkeerbesluit met een onmiddellijke vertrektermijn opgelegd en heeft verweerder terecht een inreisverbod van twee jaar aan eiser uitgevaardigd. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
Nu het beroep ongegrond is, bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daartoe dan ook af.
Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. S.L. Clemens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor wat betreft het beroep, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.