ECLI:NL:RBDHA:2026:14817

ECLI:NL:RBDHA:2026:14817

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 10-06-2026
Datum publicatie 03-06-2026
Zaaknummer C/09/676671
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

De Gemeente is in 1946 eigenaar geworden van de collectie in het Brediusmuseum op de Prinsegracht door aanvaarding van het door [erflater] verstrekte legaat met daaraan verbonden een last (hierna: het legaat). Het museum Bredius is sinds 1990 gevestigd aan de lange Vijverberg in Den Haag. Over dit legaat is eerder tussen eiser 1 en de Gemeente geprocedeerd. [eisers] vorderen in deze procedure met name om het legaat vervallen te verklaren en de collectie aan hen als erfgenamen af te geven. Zij menen dat de Gemeente c.s. in ernstige mate de last schenden. De Gemeente c.s. hebben betwist dat zij de aan de last verbonden voorwaarden hebben geschonden dan wel dat zij de gelegateerde werken op enige manier zouden veronachtzamen. De rechtbank wijst de vorderingen van [eisers] af.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team Handel

Zaaknummer: C/09/676671 / HA ZA 24-1032

Vonnis van 10 juni 2026

in de zaak van

1. [eiser 1] ,

te [woonplaats 1] ,2. [eiser 2],

te [woonplaats 2] ,3. [eiser 3],

te [woonplaats 2] ,

eisende partijen, in de hoofdzaak en in het incident,

hierna samen te noemen: [eisers] ,

advocaten: mr. G.J.T.M. van den Bergh en mr. A.G.D.M. van Hoek,

tegen

1. GEMEENTE DEN HAAG,

te Den Haag,2. STICHTING MUSEUM BREDIUS,

te Den Haag,3. STICHTING STEUNFONDS MUSEUM BREDIUS,

te Den Haag,

gedaagde partijen, in de hoofdzaak en in het incident,

hierna samen te noemen: de Gemeente c.s.,

advocaten mr. W.I. Wisman en mr. M. Moret.

Eisers zullen samen [eisers] worden genoemd en afzonderlijk als eiser 1, eiser 2 en eiser 3, dan wel als [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] worden aangeduid.

Gedaagden zullen samen de Gemeente c.s. worden genoemd en afzonderlijk achtereenvolgens ook als de Gemeente, de Stichting en het Steunfonds worden aangeduid.

1. Waar gaat deze zaak over?

De Gemeente is in 1946 eigenaar geworden van de collectie in het Brediusmuseum op de Prinsegracht door aanvaarding van het door [erflater] verstrekte legaat met daaraan verbonden een last (hierna: het legaat). Het museum Bredius is sinds 1990 gevestigd aan de Lange Vijverberg in Den Haag. Over dit legaat is eerder tussen eiser 1 en de Gemeente geprocedeerd. [eisers] vorderen in deze procedure met name om het legaat vervallen te verklaren en de collectie aan hen als erfgenamen af te geven. Zij menen namelijk dat de Gemeente c.s. in ernstige mate de last schenden. De Gemeente c.s. hebben betwist dat zij de aan de last verbonden voorwaarden hebben geschonden, dan wel dat zij de gelegateerde werken op enige manier zouden veronachtzamen. De rechtbank wijst de vorderingen van [eisers] af.

De rechtbank doet vandaag ook uitspraak in een verwante zaak tussen [eisers] en de Staat over een door [erflater] aan de Staat verstrekt legaat (hierna: het legaat aan de Staat) ten behoeve van het Mauritshuis (C/09/673692 / HA ZA 2024-862).

2. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt, voor zover nog van belang, uit:

- de dagvaarding van [eisers] van 20 november 2024 met de producties E1-53;

- de conclusie van antwoord van de Gemeente c.s. van 16 april 2025 met de producties G1-

54;

- de incidentele conclusie van [eisers] van 21 mei 2025 met het verzoek tot afgifte van

bescheiden ex artikel 194-195 Rv en het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel

223 Rv met producties E54-59;

- de conclusie van antwoord in het incident van de Gemeente c.s. van 4 juni 2025 met de producties G55-72;

- het tussenvonnis van 15 oktober 2025 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;

- de akte van [eisers] van 23 januari 2026, aangeduid als conclusie van repliek tevens

akte wijziging eis en vermeerdering van eis ex art 130 Rv met overlegging aanvullende

producties, met de producties E60-177;

- de antwoordakte van de Gemeente c.s. van 23 februari 2026 met de producties G73-104;

- de akte producties van [eisers] van 5 maart 2026 met de producties E179-199 ( [eisers]

hebben geen productie E178 overgelegd).

Op 24 maart 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Hierbij

waren partijen vertegenwoordigd, bijgestaan door de advocaten. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De advocaten hebben het woord gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen die zijn overgelegd. Beide partijen hebben ook een korte verklaring voorgedragen en overgelegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat ter zitting is besproken.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De Gemeente c.s. hebben bij antwoordakte bezwaar gemaakt tegen de akte van [eisers] van 23 januari 2026, voor zover daaraan (na het inhoudelijke gedeelte van circa vijftien pagina’s) een achtendertig pagina’s tellende inventaris (van honderdachttien producties en (becommentarieerde) citaten daaruit) is gehecht en voor zover de producties stellingen bevatten die niet in de akte zelf zijn opgenomen. De rechtbank laat de akte toe. Voor zover [eisers] in de akte niet uitleggen waarom de aangehechte stukken en producties zijn overgelegd en welke delen relevant zijn, gaat de rechtbank daaraan voorbij. De Gemeente is hierdoor, blijkens het navolgende, niet in haar verdediging geschaad.

3. De feiten

Legaat

[erflater] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1855 en gestorven te [land] op [datum 1] 1946, was kunstkenner en -verzamelaar. Hij is van 1889 tot 1909 directeur geweest van het Mauritshuis te Den Haag.

[erflater] heeft in de loop der jaren verschillende testamenten opgemaakt. Hij heeft voor het laatst bij testament van 26 april 1944 (hierna: het testament) over zijn nalatenschap beschikt, onder herroeping van alle eerdere testamenten. [erflater] heeft daarbij [naam 1] benoemd als enig erfgenaam en executeur-testamentair. Dit testament, verleden voor notaris [naam 2] te [land] , bevat onder meer het navolgende legaat met last (hierna: het legaat):

“Je lègue à la ville de La Haye (Pays Bas), tous les tableaux et tous les objets d’art qui sont exposés au Musée Brédiusuis, au Prinsegracht, à la Haye. Ils devront rester exposés exclusivement dans ledit Musée.”

Betrokken partijen

[naam 1] , geboren op [geboortedatum 2] 1887 en gestorven op [datum 2] 1984, was de partner van [erflater] . De vader van eiser 1 was de heer [naam 3] (geboren op [geboortedatum 3] 1915 en gestorven op [datum 3] 1998); [naam 3] was een neef en een erfgenaam van [naam 1] . Eisers 2 en 3 zijn respectievelijk een zoon en een dochter van eiser 1.

[naam 3] en mevrouw [naam 4] , de schoonmaakster van [naam 1] , waren/zijn beiden 50% gerechtigd in de nalatenschap van [naam 1] . Onbekend is of [naam 4] , geboren in 1912, nog in leven is en, zo nee, wie haar rechtsopvolger(s) is (zijn).

Na het overlijden van [erflater] heeft de Gemeente het legaat aanvaard. Schilderijen, tekeningen en kunstvoorwerpen die tot het legaat behoren vallen inmiddels onder het beheer van de Stichting (gedaagde 2). De Stichting is daarnaast belast met het dagelijks bestuur van het museum en het beheer en behoud van de kunstwerken behorende tot het legaat. Het museum is - na wijziging van de last op het verzoek van de Gemeente - sinds eind 1990 gevestigd aan de Lange Vijverberg 14 te Den Haag. Het Steunfonds (gedaagde 3) heeft primair tot taak het verwerven van financiële middelen, hoofdzakelijk door het aantrekken van zogenaamde ‘vrienden’ van het museum.

In de periode van omstreeks 1988-2014 zijn achtereenvolgens [naam 3] en [eiser 1] betrokken geweest bij het bestuur van het museum.

Eerdere procedure

Over het legaat is tussen [eiser 1] en de Gemeente eerder geprocedeerd (hierna: de [naam procedure] ). [eiser 1] beoogde met die procedure duidelijkheid te verkrijgen over de omvang van het legaat en naleving van de door hem gestelde tentoonstellingsplicht en het gestelde verplaatsingsverbod te waarborgen. De rechtbank heeft de stellingname van [eiser 1] verworpen en zijn vorderingen (onder meer tot afgifte van diverse kunstvoorwerpen) afgewezen. Bij arrest van 25 februari 2020 heeft het Gerechtshof Den Haag (hierna: het hof) dit vonnis bekrachtigd en het in hoger beroep meer of anders gevorderde afgewezen. Het door [eiser 1] tegen dit arrest ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad met toepassing van art. 81 RO verworpen.

Correspondentie en verdere verwikkelingen daarna

Na afloop van de [naam procedure] heeft [eiser 1] zich meermalen schriftelijk tot de Gemeente gewend, voor het eerst op 14 september 2022 en laatstelijk op 29 september 2023. Daarin heeft [eiser 1] benadrukt dat ieder individueel kunstvoorwerp tentoongesteld moet worden en blijven in het museum, dat geen werken in depot mogen worden opgeslagen en dat het organiseren van wisselende tentoonstellingen en de governance binnen het museum resulteren in een grove schending van de last. De Gemeente heeft zijn brieven beantwoord, laatstelijk op 19 maart 2024. Hierbij heeft de Gemeente medegedeeld dat het hof de stellingen van [eiser 1] heeft afgewezen en dat er na het arrest van het hof geen kunstwerken meer zijn uitgeleend. Tevens heeft de Gemeente het voornemen geuit om op grond van art. 4:134 BW de rechter te verzoeken om wijziging respectievelijk verduidelijking van de last om te bewerkstelligen dat beperkte uitleen mogelijk is. Dit zou meer mogelijkheden kunnen bieden voor programmering en daarmee voor verdere impulsen voor meer naamsbekendheid van het museum.

Op 13 november 2024 is namens [eisers] een verzoek op grond van de Wet open overheid ingediend. In elk geval in januari en februari 2026 zijn naar aanleiding van dat verzoek diverse stukken met [eisers] gedeeld.

[eisers] hebben op 20 november 2024 de onderhavige procedure aangespannen.

Inhoud van Brediuscollectie

[erflater] verzamelde schilderijen en tekeningen, waaronder werken van beroemde meesters als Rembrandt van Rijn, Jan Steen, Aert van der Neer en Meindert Hobbema. Daarnaast bevatte zijn collectie diverse kunstvoorwerpen, zoals voorwerpen van porselein, zilver en goud. Toen hij, rond zijn vertrek naar [land] in 1922, zijn woning aan de Prinsegracht aan de Gemeente verkocht, heeft hij de daar aanwezige kunstverzameling in bruikleen aan de Gemeente gegeven. Ook is de huisraad, waaronder diverse gebruiksvoorwerpen, achtergebleven. Bij de opening van het museum Bredius op de nieuwe locatie aan de Lange Vijverberg is de indeling en inrichting van het pand nagenoeg hetzelfde gebleven, zodat het pand het karakter van woonhuis behield.

Voorafgaand aan de aanvaarding van het legaat zijn de objecten in het pand aan de Prinsegracht, aan de hand van de inventarislijst museum Bredius (productie E1c), een handgeschreven lijst van 11 bladzijden, geïnventariseerd (de inventarislijst 3e kwartaal 1946). De objecten zijn vervolgens in de tweede helft van 1946 door de Dienst Schone Kunsten (de voorloper van het huidige Kunstmuseum) ingeschreven in de stamboeken van de gemeentelijke collectie en voorzien van een inventarisnummer. De objecten werden onderverdeeld in de categorieën schilderijen, tekeningen, edelmetalen (zilver en goud), keramiek (porselein en aardewerk) en glas (kristal). Door de eerste inschrijving met een inventarisnummer kregen edelmetaal, keramiek en glas een officiële registratie en zijn ze als behorend tot het legaat opgenomen in de gemeentelijke collectie. De schilderijen en tekeningen waren al eerder geïnventariseerd.

Diverse objecten die zich in het pand aan de Prinsegracht bevonden (en die zijn genoemd op de inventarislijst museum Bredius (productie E1c)) zijn buiten deze registratie gelaten, omdat deze werden gerekend tot de inventaris, ‘gebruiksgoed’ of aankleding van het museum of omdat zij deel uitmaakten van het pand aan de Prinsegracht. Dat geldt voor diverse meubelen, vitrines, tapijten, kroonluchters en andere voorwerpen zoals bijvoorbeeld de overgordijnen, kleedjes, kachel, kist (motten), schilderijbokken en vloermatten.

De informatie uit deze inventarislijst van 1946 is verwerkt in de stamboeken die zijn opgemaakt door de Dienst Schone Kunsten. Vanaf 1956 zijn de objecten in de stamboeken op een andere manier ingeschreven, namelijk op materiaalsoort. Op verschillende latere momenten is aanvullende informatie opgenomen.

Op 27 oktober 1965 is namens het museum Bredius een handgeschreven en ondertekende lijst opgesteld met voorwerpen die aan het museum toebehoren en die nog niet gecatalogiseerd zijn. Hierop is onder meer onder het kopje ‘WERKKAMER’ vermeld ’10. 6 groene sierkussens (op de raambanken)’, onder het kopje ‘de HAL’, ‘4. 1 paraplubak (voor 24 personen)’ en onder het kopje ‘Op de zolder’ ‘1. 2 koperen kanonnen.’

Op 3 februari 1978 is een lijst opgesteld van de meubels die op dat moment in het museum Bredius aanwezig waren. In een begeleidende brief is vermeld: ‘Van de in het Museum Bredius aanwezige meubelen is er geen van byzonder museaal belang. Een deel is “neo”, een ander deel is (te) sterk gerestaureerd of verbouwd. Van wat overblijft aan wél originele meubelen is eigenlijk maar een klein gedeelte van een dergelijke gehalte, dat het, althans “ter aankleding” voor expositie in aanmerking komt.’

In 2011 is ten behoeve van het museum een Catalogus Kunstnijverheid opgesteld. Hierin is vermeld dat de inventarisatie en beschrijving van de verzameling porselein, zilver, kristal, meubelen en beeldhouwwerken is afgerond.

Zichtbaarheid van de collectie

Sinds de verhuizing in 1990 is de collectie van het museum grotendeels ondergebracht in het pand aan de Lange Vijverberg en is een gedeelte in een extern depot bij Hizkia B.V. (hierna: Hizkia) te Den Haag opgeslagen. Op dit moment worden bij Hizkia 21 schilderijen in een professionele, geklimatiseerde depotruimte bewaard. Daarnaast bevindt zich in het souterrain van het pand aan de Lange Vijverberg een semi-open ruimte waar plek is voor werken die op aanvraag voor het publiek toegankelijk zijn.

De gehele collectie van het museum Bredius is gedigitaliseerd en een groot deel ervan is altijd te zien op de website van het museum.

Tentoonstellingen en activiteiten

Het museum organiseert gedurende het jaar tijdelijke, grotere en kleinere tentoonstellingen, ook met extern werk, en andere activiteiten, zoals deelname aan de Museumnacht en educatieve bezoeken. In de periode 10 december 2019 tot en met 22 maart 2020 heeft bijvoorbeeld in het museum de tentoonstelling ‘In de ban van de zee, De Gouden Eeuw van de Nederlandse marineschilderkunst’ plaatsgevonden. Hierbij is de, uit 67 schilderijen bestaande, [naam 5] Collectie tentoongesteld (hierna: de [naam 5] tentoonstelling) en één schilderij uit de Brediuscollectie. Op de begane grond, in het trappenhuis en op de eerste etage van het museum zijn deze werken toen getoond. In het souterrain is nog een aantal werken van de Brediuscollectie getoond. Het museum neemt vanaf 2018 deel aan het terugkerende evenement ‘Masterly the Hague’. Hiervoor moeten kunstwerken uit de vaste collectie in elk geval tijdelijk worden verplaatst.

4. Het geschil

In de hoofdzaak

[eisers] vorderen in de hoofdzaak na wijziging van eis - samengevat -:

1. primair

A. het legaat vervallen te verklaren;

B. de Gemeente c.s. te veroordelen schriftelijk en volledig opgave te doen van alle kunstvoorwerpen, inclusief beschrijvingen, alle locaties vanaf het openvallen van het testament tot en met heden, en alle relevante documentatie met betrekking tot het legaat, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

C. de Gemeente c.s. te veroordelen onbelast de tot het legaat behorende kunstvoorwerpen over te dragen, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

D. de Gemeente c.s. te veroordelen tot vergoeding aan [eisers] van de door hen naar aanleiding van het verdwijnen van kunstvoorwerpen geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met wettelijke rente;

E. voor recht te verklaren dat aan de beslissingen in de [naam procedure] over de uitleg van de last geen gezag van gewijsde toekomt voor partijen in de onderhavige procedure;

II. subsidiair

F. de Gemeente c.s. te veroordelen om de aan het legaat verbonden last volledig na te leven, zulks in bijzonder ter zake de blijvende tentoonstellingsplicht en het verbod tot verplaatsing van de collectie, op straffe van verbeurte van een dwangsom,

alles met veroordeling van de Gemeente c.s. in de kosten van het geding.

[eisers] leggen aan deze vorderingen kort gezegd ten grondslag dat sprake is van dermate ernstige schendingen van de last dat hen geen andere mogelijkheid rest dan het vorderen van vervallenverklaring van het legaat ex art. 1051 oud BW juncto art. 4:131 lid 1 BW. Zij stellen dat de last de verplichting inhoudt dat alle kunstvoorwerpen blijvend moeten worden tentoongesteld (opslag in een depot is niet toegestaan) en dat alle kunstvoorwerpen uitsluitend in het Museum Bredius te Den Haag te zien moeten zijn. Dit heeft tot gevolg dat verplaatsing buiten de museummuren van het pand aan de Lange Vijverberg (zowel voor opslag als voor een bruikleen) uit den boze is. Deze beide verplichtingen zijn volgens [eisers] geschonden. Er zijn 181 voorwerpen door toedoen van de Gemeente verloren gegaan, een groot deel van de kunstwerken van het legaat is ten onrechte niet zichtbaar voor het publiek en het museum kent een gebrekkige governance en bedrijfsvoering.

De Gemeente c.s. voeren gemotiveerd verweer en concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser 1] c.s met veroordeling van [eisers] in de proceskosten.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

In het incident

[eisers] vorderen in het incident samengevat, naar de rechtbank begrijpt, de Gemeente c.s. te veroordelen om aan hen afschrift te verstrekken van de volgende bescheiden (zo nodig na deze te hebben opgevraagd bij derden onder wie deze bescheiden zich bevinden):

a. a) alle gegevens met betrekking tot de Jan Steen/Goudstikker zaak;

b) alle gewisselde correspondentie en stukken van het Bestuur Stichting Bredius

genootschap, [naam 6] en de Gemeentearchivaris met betrekking tot het legaat, eigendom van kunstobjecten en relevante verplichtingen van de Gemeente;

c) de volledige standplaatsgeschiedenis per werk vanaf het openvallen van het legaat en indien een object behorend tot het legaat verdwenen is na het openvallen van het testament: wanneer en hoe dit is gebeurd en hoe het museum en de Gemeente hier vervolgens mee om zijn gegaan;

d) conditierapporten van de kunstobjecten vanaf de verkrijging van het legaat tot heden;

e) alle correspondentie en interne rapportages met betrekking tot de naleving en de uitleg van de last;

f) alle stukken inzake verzoeken tot wijziging of verruiming van de last;

g) elk verzoek tot toestemming om werken buiten de museummuren te verplaatsen van de Stichting Bredius Genootschap en Stichting Museum Bredius aan de Gemeente en elke schriftelijke toestemming/afwijzing hiervan door de Gemeente;

h) alle informatie over de objecten behorend tot het legaat ten tijde van de [naam 5] tentoonstelling, waaronder de locatie van opslag van de objecten behorend tot het legaat en alle informatie omtrent toestemming van de Gemeente voor die tentoonstelling en de verplaatsing van werken uit het legaat gedurende voornoemde periode;

i. i) alle informatie over de objecten behorend tot het legaat ten tijde van de Masterly The Hague-tentoonstellingen (2018-heden), waaronder de locatie van opslag van de objecten behorend tot het legaat en alle informatie omtrent toestemming van de Gemeente voor deze tentoonstellingen en de verplaatsing van werken uit het legaat gedurende deze tentoonstellingen;

j) alle informatie en correspondentie tussen de Gemeente en het museum en kunsttransportbedrijf Hizkia;

k) alle aanwezige informatie omtrent subsidieverlening aan het museum;

l) alle informatie met betrekking tot besluit geheim’ Bredius collectie;

m) alle notulen van Stichting Bredius Genootschap vanaf 2014-heden en alle notulen van de Stichting Museum Bredius (oprichting tot heden) en Stichting Steunfonds Museum Bredius (oprichting tot heden);

n) alle in productie E59 (inventarislijst WOB) opgenomen stukken;

o) alle documenten met betrekking tot de toestemming van de Dienst voor Schone Kunsten in ˊs-Gravenhage voor het verplaatsen van objecten door de jaren heen.

Daarnaast vorderen [eisers] als voorlopige voorziening ex art. 223 Rv openbaarmaking dan wel afgifte van een afschrift van:

p) de volledige standplaatsregistratie van elk schilderij vallend onder het

legaat van [erflater] , vanaf het moment van verkrijging tot heden;

q) het verzoekschrift tot opheffing van de testamentaire last rustend op de

Huwelijksnacht van Tobias en Sarah;

r) een rapport/advies van [naam 6] over de testamentaire last van [erflater] ;

s) een recente inventarislijst met de vermelding ‘objecten (niet meer) in

collectie Bredius ’ gedateerd 13 februari 2014 (productie E59),

alles op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van de Gemeente c.s. in de kosten van het incident.

[eisers] baseren deze vorderingen op art. 194 jo. 195 Rv. c.q. art. 223 Rv. De Gemeente c.s. hebben nagelaten [eisers] inzicht te geven in de verblijfplaatsen van de schilderijen. Daarmee belemmeren zij volgens [eisers] voor hen de mogelijkheid om hun toezichthoudende rol naar behoren te vervullen. Zonder toegang tot de documenten waarop [eisers] recht hebben, wordt hen ook de mogelijkheid tot een behoorlijke rechtsbedeling onthouden. De standplaatsregistratie van de voorwerpen die onder het legaat vallen is essentieel om vast te stellen in hoeverre sprake is (geweest) van schending van de tentoonstellingsplicht en/of het verplaatsingsverbod uit de last. De informatieverplichting jegens [eisers] vloeit daarnaast voort uit museale regelgeving zoals de ICOM Code of Ethics (art. 2.18 en 2.20), het collectiebeleid van de RCE en de Museumnorm 2020. [eisers] hebben verzocht de procedure in de hoofdzaak aan te houden totdat in het incident is beslist.

De Gemeente c.s. voeren gemotiveerd verweer en concluderen tot afwijzing van het verzoek van [eisers] om eerst en vooraf te beslissen op de incidentele verzoeken en tot afwijzing van al hetgeen [eisers] bij incidentele conclusie hebben gevorderd en/of verzocht, met veroordeling van [eisers] in de kosten van dit incident.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5. De beoordeling

In de hoofdzaak en in het incident

Rechtsmacht en toepasselijk recht

In deze zaak staat centraal de vraag of het legaat vervallen moet worden verklaard en de collectie aan [eisers] moet worden afgegeven. Deze zaak bevat internationale aspecten. [erflater] heeft immers zijn testament in 1944 ten overstaan van een notaris in [land] opgemaakt. [erflater] was toentertijd in [land] woonachtig en had destijds in elk geval de [land] nationaliteit. De rechtbank gaat hierom na of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om over de ingestelde vorderingen te beslissen en welk recht daarop van toepassing is.

Bij gebreke van verordeningen dan wel verdragen die in dit geval op de vordering tot vervallenverklaring (de vordering onder A, een erfrechtelijke verhouding) van toepassing zijn, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe op grond van het bepaalde in art. 3 sub a Rv., aangezien [eisers] in Nederland woonachtig zijn. [eiser 1] had deze kwestie in principe bij verzoekschrift aan de rechtbank moeten voorleggen, vgl. hierna r.o. 5.38.

Voor wat betreft de door [eisers] ingestelde vorderingen onder B, C, E, F geldt dat deze zozeer met de vordering tot vervallenverklaring samenhangen dat ook daaromtrent de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft. Voor wat betreft de vordering onder D, een vordering tot schadevergoeding, geldt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft op grond van het bepaalde in art. 4 lid 1 EEX-Vo II. Immers, de Gemeente c.s. zijn in Nederland gevestigd.

Aangezien [erflater] ten tijde van zijn overlijden de [land] nationaliteit bezat, is in beginsel op zijn nalatenschap het erfrecht van het prinsdom [land] van toepassing. Dit verhindert echter niet de vordering tot vervallenverklaring te beoordelen aan de hand van de daaromtrent op dit moment geldende Nederlandse regeling, die bepaalt onder welke voorwaarden de rechter een legaat wegens schending van de last vervallen kan verklaren, bij wijze van toepassing van een voorrangsregel (art. 10:7 BW). Het gaat hier immers om een ten gunste van een Nederlands overheidslichaam gemaakt legaat, met het doel dat de betreffende schilderijen, tekeningen en kunstvoorwerpen in een voor het publiek toegankelijke verzameling worden bewaard. Daarom is bij de regeling op wiens verzoek, wanneer en onder welke voorwaarden het legaat met last door de rechter vervallen kan worden verklaard en welke rechtsgevolgen daaraan zijn verbonden het Nederlands openbaar belang onmiddellijk en nauw betrokken. Op de vordering onder A en de nauw daarmee samenhangende vorderingen onder B, C, E, F wordt dus huidig geldend Nederlands recht toegepast. Voor toepassing van oud BW is (ook al gaat het om een testament uit 1944) geen plaats. Uit de aard der zaak kan een op dit moment niet geldende Nederlandse regeling geen voorrang claimen boven toepasselijk [land] recht.

Nederlands recht wordt ook op de vordering onder D toegepast. Partijen hebben immers ter zitting in dit geding (voor zover mogelijk) een rechtskeuze gedaan voor de toepassing van Nederlands recht (art. 10:159 BW juncto art. 14 Rome II).

Welke procespartijen zijn relevant?

Ingevolge art. 4:131 lid 1 BW verkrijgt een legataris op wie een testamentaire last rust, zijn recht onder de ontbindende voorwaarde dat het wegens niet-uitvoering van de last wordt vervallen verklaard door de rechter. Lid 2 van dit artikel houdt in dat de vervallenverklaring door de rechter kan worden uitgesproken op verzoek van elke onmiddellijk bij de vervallenverklaring belanghebbende. Vaststaat dat de Gemeente de partij is die het legaat heeft ontvangen. Zij is gehouden de daaraan verbonden last correct uit te voeren dan wel te doen uitvoeren. [eiser 1] is (samen met [naam 4] dan wel samen met haar rechtsopvolger(s)) erfgenaam van [naam 1] . Hij is hierom ‘onmiddellijk bij de vervallenverklaring belanghebbende’ in de zin art 4:131 lid 2 BW. [eiser 1] zal immers (samen met [naam 4] dan wel samen met haar rechtsopvolger(s)) worden ‘geroepen’ als het recht van de Gemeente vervallen wordt verklaard. Dit geldt niet voor zoon en [eiser 3] . Er is onvoldoende reden om onder het begrip ‘onmiddellijk bij de vervallenverklaring belanghebbende’ ook familieleden te scharen die stellen nauw betrokken te zijn bij deze kwestie en op termijn mogelijk erven. Mochten [eiser 2] en [eiser 3] te zijner tijd als rechtsopvolger onder algemene titel in de rechten en verplichtingen van [eiser 1] treden, dan zal een tussen [eiser 1] en de Gemeente gewezen vonnis ook hen binden. [eiser 2] en [eiser 3] zullen dus niet-ontvankelijk worden verklaard.

De Stichting en het Steunfonds hebben hooguit een van de Gemeente afgeleide positie. Niet valt in te zien waarom [eisers] , naast de Gemeente, ook de Stichting en het Steunfonds in deze procedure hebben betrokken. [eisers] hebben dit, tegenover het betoog van de Gemeente, niet dan wel onvoldoende toegelicht. De tegen de Stichting en het Steunfonds ingestelde vorderingen zullen dus worden afgewezen.

Hierna zullen daarom uitsluitend nog de vorderingen worden besproken tussen [eiser 1] en de Gemeente.

Gezag van gewijsde

In de [naam procedure] (zie 3.7) ging het ook al over de vraag of de Gemeente de last had geschonden. De Gemeente beroept zich in dit geding op het aan het (onherroepelijk geworden) arrest van het hof toekomende gezag van gewijsde, zoals bedoeld in art. 236 lid 1 Rv. [eisers] vorderen hunnerzijds (onder E) juist voor recht te verklaren dat aan de beslissingen in de [naam procedure] over de uitleg van de last geen gezag van gewijsde toekomt voor partijen in de onderhavige procedure

De rechtbank overweegt als volgt. Volgens het bepaalde in art. 236 lid 1 Rv en vaste jurisprudentie van de Hoge Raad zijn bindende beslissingen onbetwistbaar in een latere procedure tussen dezelfde partijen; in de uitspraak besliste geschilpunten kunnen niet opnieuw aan de rechter worden voorgelegd. Een beslissing komt gezag van gewijsde toe op het moment dat 1) in een geding tussen dezelfde partijen eenzelfde geschilpunt wordt voorgelegd als in een eerder geding en 2) de in het dictum van de eerdere uitspraak genomen beslissing (mede) rust op een beslissing over dat geschilpunt. Daarbij kan ook als een nieuw juridisch kader wordt gehanteerd sprake zijn van (materieel) hetzelfde geschilpunt. Ook is niet noodzakelijk dat de vorderingen in beide procedures hetzelfde zijn.

In dit geval is al over de rechtsbetrekking in geschil (tussen [eiser 1] en de Gemeente) geoordeeld. Het hof heeft de stellingname van [eiser 1] verworpen en zijn daarop gegronde vorderingen afgewezen. Daarbij is niet relevant dat [eiser 1] in deze procedure een andersluidende vordering instelt dan hij eerder heeft gedaan. Bovendien was de [naam procedure] bedoeld als opmaat om in deze procedure vervallenverklaring van de last te kunnen vorderen. De feitelijke grondslag van de procedures is dan ook (goeddeels) hetzelfde. Hieraan doet evenmin af dat in de [naam procedure] naast de inhoud van de last ook de omvang van het legaat (ter afbakening van het eigen vermogen van [eiser 1] ) aan de orde was.

Het staat de Gemeente in dit geval vrij zich op het gezag van gewijsde te beroepen, ook als [eiser 1] meent dat de eerdere procedure bij het hof onvolkomen is geweest. Van misbruik van processuele bevoegdheid is geen sprake. Het beroep op het gezag van gewijsde brengt immers niet mee dat nieuwe en ernstigere schendingen van de last niet meer in rechte kunnen worden beoordeeld (zie ook 5.16). Stellingen en feitelijke geschilpunten waarover het hof al heeft beslist kunnen echter niet opnieuw aan de rechtbank worden voorgelegd.

Anders dan [eiser 1] stelt is er geen reden voor de rechtbank om ten behoeve van de uitleg van de last terug te grijpen op de uitspraak van de Hoge Raad uit 1990 en/of op de uitspraak van deze rechtbank uit 2010. Niet alleen was [eiser 1] daarbij geen partij, zodat de uitspraak hem niet bindt, bovendien ging het in die procedures niet over de kwesties waar het in dit geding om gaat. Toen was het dus ook niet nodig de last op dit punt uit te leggen. Overigens was het hof in 2020 met de uitspraak van de Hoge Raad uit 2010 bekend (zie zijn r.o. 1.56) en heeft het hof vervolgens arrest gewezen. Het onder E gevorderde wordt dus afgewezen.

De rechtbank zal nu nagaan welke overwegingen van het hof gezag van gewijsde hebben verkregen. Zij zal daartoe het arrest van het hof lezen in samenhang met hetgeen partijen in die procedure hebben aangevoerd en ook met het vonnis van de rechtbank. Het hof heeft dat vonnis immers bekrachtigd. Daarmee hebben de overwegingen van de rechtbank, waarvan het hof geen afstand heeft genomen, hun gelding behouden.

Het hof heeft geoordeeld dat het aan de rechter is om te beoordelen of in dit geval (volgens de normen van [land] recht) sprake is van een onduidelijke testamentaire bepaling en zo ja, welke uitleg dan aan deze bepaling moet worden gegeven (r.o.12). Ook voor wat betreft de aan het legaat verbonden last geldt dat de betekenis daarvan moet worden vastgesteld met inachtneming van het [land] recht (r.o. 24). Vervolgens heeft het hof overwogen dat de tekst van het legaat met last niet geheel duidelijk is, maar dat er enige ruimte voor onzekerheid is over de betekenis van de bewoordingen van het legaat (r.o. 13). Deze uitleg dient te geschieden in overeenstemming met de wil van de erflater. Bij het onderzoek naar deze wil kan de rechter volgens het [land] recht rekening houden met de omstandigheden van de zaak en met andere geschriften dan het testament zelf, waarbij het er niet toe doet of de geschriften, die de wil van de erflater kunnen verduidelijken, dateren van vóór of na het testament. Hierbij kan op alle extrinsieke soorten van bewijs die geschikt zijn om de bedoeling van de erflater duidelijk te maken een beroep worden gedaan (r.o. 14).

Het hof heeft vooropgesteld dat het aan de rechter is om te oordelen of de door [eiser 1] aan de orde gestelde handelingen in dit geval wel of niet zijn toegestaan volgens de last (r.o. 25). Vervolgens heeft het hof de last uitgelegd. In dat verband heeft het hof onder meer geoordeeld dat:

- de last geen absolute tentoonstellingsplicht en geen depotverbod inhoudt (r.o. 26 hof jo. r.o. 4.10 en 4.59 rechtbank); vervolgens is de vordering onder 2.1 sub D afgewezen;

- de last geen absoluut verplaatsingsverbod inhoudt (r.o. 29); de vordering onder 2.1 sub B in die procedure is daarom ook afgewezen;

- de last geen absoluut verbod inhoudt op toevoeging en samenvoeging van werken (r.o. 4.59 van de rechtbank en 26 van het hof); de vordering onder 2.1 sub C in die procedure is evenzeer afgewezen.

Het hof overwoog hiertoe dat ook tijdens het leven van [erflater] de collectie niet statisch was: hij vulde deze telkens aan en de expositie van de kunstvoorwerpen rouleerde.

Uit het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd volgt tevens dat geen sprake is van een verbod om op gezette tijden tentoonstellingen en events te organiseren met (ten dele) externe werken. Verder is van belang dat de afwijzing door het hof van de door [eiser 1] gevorderde verklaring voor recht dat de Gemeente de last heeft geschonden en nog steeds schendt mede is gegrond op de omstandigheid dat [eiser 1] met betrekking tot de last zijn rechten heeft verwerkt. Tussen 1988 en 2014 zijn [eiser 1] respectievelijk [naam 3] lid geweest van het bestuur van de Stichting en als zodanig bij de besluitvorming van de Stichting betrokken geweest. De Stichting heeft het gerechtvaardigd vertrouwen kunnen krijgen dat [eiser 1] zich er niet meer op zou beroepen dat de last was geschonden, zo overwoog het hof.

Dit betekent dat alle andersluidende stellingnames [eiser 1] in dit geding niet kunnen baten. De besluitvorming die [eiser 1] in de [naam procedure] aan de orde heeft gesteld en waarover het hof al heeft geoordeeld dan wel alle kwesties die hij toen aan de orde had kunnen stellen, kunnen in deze procedure niet opnieuw aan een vordering ten grondslag worden gelegd.

Het hof heeft zich toen ook al gebogen over het depot bij Hizkia. Duidelijk was dat er schilderijen die tot de collectie van de Stichting behoren in dat depot waren opgeslagen. Het hof heeft dit niet als schending van de last aangemerkt. De door [eiser 1] gevorderde verklaring voor recht is immers afgewezen.

Hetzelfde geldt voor het (bij een brand in het Armando museum in 2007) verloren gaan van het schilderij Berglandschap naar Hercules Seghers in 2007 (r.o. 2.59 arrest hof). Ook deze kwestie kan nu niet opnieuw aan de orde worden gesteld.

[eiser 1] kan zijn vordering in beginsel wel baseren op omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het arrest van het hof. De last houdt immers voor de Gemeente een voortdurende verplichting in. Hierbij dient de rechtbank de gestelde schending met inachtneming van het door het hof gewezen arrest te beoordelen. Voor zover het arrest van het hof geen duidelijkheid verschaft of de gestelde kwestie een schending oplevert, zal de rechtbank de last verder uitleggen. Daarbij zal de rechtbank, in zoverre [land] recht toepassend, dezelfde uitlegmaatstaf hanteren als het hof heeft gedaan (zie r.o. 5.13 e.v.). Vanzelfsprekend zal de rechtbank er daarbij rekening mee houden dat de Gemeente zo nodig wijziging van de last of gedeeltelijke opheffing van de last kan verzoeken, als deze als te knellend wordt ervaren.

De rechtbank zal tegen deze achtergrond de door [eiser 1] gestelde schendingen beoordelen.

Gestelde schending van de last: 181 verloren voorwerpen

[eiser 1] heeft betoogd dat er 181 voorwerpen door toedoen van de Gemeente verloren zijn gegaan. [eiser 1] heeft zich in dit verband op excelsheets beroepen. Hij heeft daartoe diverse inventarisaties met elkaar vergeleken en daaruit geconcludeerd hoeveel kunstvoorwerpen er onder het legaat vallen. Daarnaast heeft hij een “aanvullende verklaring missende objecten O.D.M. [eiser 1] d.d. 13-01-2026” overgelegd.

De Gemeente heeft erkend dat twee tot het legaat behorende kunstvoorwerpen verloren zijn gegaan. Dit betreft het schilderij Berglandschap naar Hercules Seghers dat in 2007 door brand is verwoest en het schilderij Boerenhoeve van Pieter Balten dat op 13 april 1997 (tijdens openingsuren) uit het museum is gestolen. Daarnaast heeft de Gemeente erkend dat er zes kunstvoorwerpen zijn komen te ontbreken, te weten een viertal porseleinen voorwerpen, een zilveren bowllepel en een gouden doosje. [eiser 1] heeft - tegenover de uitvoerig gemotiveerde betwisting door de Gemeente - onvoldoende onderbouwd dat er meer tot het legaat behorende voorwerpen verloren zijn gegaan. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

De berekening van [eiser 1] kan niet worden gevolgd. De Gemeente heeft er - naar het oordeel van de rechtbank terecht - op gewezen dat niet ieder ooit geïnventariseerd object valt onder het legaat, zoals bijvoorbeeld de ‘zes groene kussens’. Meubels en gebruiksvoorwerpen die geen kunstvoorwerp zijn vallen hier bijvoorbeeld niet onder, maar vaststaat dat deze wel op de diverse lijsten en in de catalogus zijn opgenomen. Dat de Gemeente heeft erkend dat bij de verhuizing naar het pand aan de Lange Vijverberg in de periode 1985-1990 het zicht op een aantal gebruiksvoorwerpen is kwijtgeraakt, zoals een paraplubak en Perzische tapijten die op de vloer van het pand aan de Prinsegracht lagen, kan [eiser 1] niet baten. Deze voorwerpen vielen immers niet onder het legaat; dit betroffen geen schilderijen of tekeningen en ook geen kunstvoorwerpen.

Ook heeft de Gemeente gemotiveerd gewezen op andere aan de (in het verleden opgestelde) inventarislijsten en catalogi klevende gebreken, betoogd dat de berekening van [eiser 1] dubbeltellingen en andere fouten bevat en dat de berekening reeds aan [eiser 1] geretourneerde voorwerpen bevat, zoals de kip en de haan, die overigens ook al in de [naam procedure] ter sprake zijn geweest. Tot slot heeft de Gemeente erop gewezen dat de berekening van [eiser 1] niet kloppend gemaakt kan worden door van een onjuist aantal van 181 een 34-tal objecten af te trekken die worden genoemd in de brief van de Gemeente van 24 september 2014. [eiser 1] heeft hier al met al onvoldoende op gereageerd. De verwijzingen naar productie 59 met daarop de vermelding ‘mail 13 feb 2014 16:47 Objecten (niet meer) in collectie Bredius met bijlage’, de productie 151 ‘aanvullende verklaring missende objecten O.D.M. [eiser 1] d.d. 13-01-2026 en de stelling dat de Gemeente zelf eerder in de [naam procedure] ook uitging van deze lijsten en dat het hof dit heeft gevolgd, volstaan hiertoe niet.

Ten aanzien van de acht voorwerpen waarvan vaststaat dat zij op dit moment niet meer aanwezig zijn (r.o. 5.19) overweegt de rechtbank verder als volgt. Het hof heeft in de [naam procedure] al geoordeeld over het schilderij naar Hercules Seghers. [eiser 1] kan deze kwestie niet opnieuw aan zijn vordering ten grondslag leggen. Het verlies van de overige zeven voorwerpen, hoe betreurenswaardig ook, levert naar het oordeel van de rechtbank geen schending op van de last. De last moet immers naar het oordeel van de rechtbank aldus worden uitgelegd dat deze de Gemeente verplicht om als een ‘goed huisvader’ voor de collectie te zorgen. Op haar rust hierom ook de inspanningsverplichting de collectie zo goed als mogelijk te beheren en te behouden voor het publiek. Er zijn geen dan wel onvoldoende aanknopingspunten voor de veronderstelling dat de Gemeente niet aan deze op haar rustende verplichting heeft voldaan. De Gemeente draagt, via de Stichting, zorgt voor het adequaat onderhoud van het pand. Zij draagt tevens zorg voor het behoud van de collectie waardoor de in de collectie aanwezige kunstvoorwerpen in goede staat verkeren. Vaststaat dat het museum aan de geldende eisen van beveiliging en klimaatbeheersing voldoet en dat het museum doorlopend investeert in restauraties en onderzoek naar de collectie. Ter zake van het schilderij de Boerenhoeve van Balten geldt in het bijzonder dat dit schilderij is gestolen tijdens openingsuren uit een expositieruimte. [eiser 1] heeft geen feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht waaruit blijkt dat de diefstal van het schilderij een gevolg is van onzorgvuldigheid of nalatigheid van de Gemeente. Daarnaast staat vast dat de Gemeente de verzekeringspenningen, die zij heeft ontvangen voor het verlies van dit schilderij, heeft besteed aan het verrijken van de collectie van het museum. Mede met behulp van deze verzekeringspenningen heeft de Gemeente het (aandeel van Von Saher in het in tweeën gedeelde en later door restauratie herenigde) schilderij ‘De huwelijksnacht van Tobias en Sarah’ van Jan Steen kunnen verwerven.

Zou hieromtrent anders moeten worden geoordeeld, en zou het verlies van de zeven kunstvoorwerpen wel als schending van de last moeten worden aangemerkt, dan geldt het volgende. De rechter kán in geval van schending van een last beslissen om een legaat vervallen te verklaren, hij is daartoe evenwel niet gehouden. De rechter komt ingevolge art. 4:131 lid 2 BW immers een discretionaire bevoegdheid toe. Bij het uitoefenen van een discretionaire bevoegdheid kan de rechter volgens vaste rechtspraak rekening houden met alle relevante omstandigheden van het geval.

Naar het oordeel van de rechtbank levert het verlies van de zeven voorwerpen, alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemend (waaronder ook de grote betekenis en de inhoud van het legaat, alle inspanningen die de Gemeente zich vanaf 1922 als bruiklener en vanaf 1946 als legataris tot aan heden heeft getroost om deze collectie zo goed mogelijk te beheren en behouden en het daarmee voor het publiek gemoeide belang) onvoldoende grond op om het legaat (geheel of deels) vervallen te verklaren.

Hieraan voegt de rechtbank nog het volgende toe. De rechtbank heeft [eiser 1] ter zitting naar zijn plannen met de Brediuscollectie gevraagd in het geval de last van rechtswege mede op hem als (50%) erfgenaam komt te rusten (art. 4:134 BW). [eiser 1] heeft laten weten dat de familie niet van plan is de kunstvoorwerpen te verkopen, maar dat zij ‘overweegt om onder voorwaarden een bruikleenovereenkomst met de Gemeente te sluiten’, om zo naleving van de last, zoals deze volgens haar luidt, af te dwingen. De familie zou evenwel ook met de collectie naar een ander museum kunnen gaan. Hierop is namens de Gemeente geantwoord dat, in geval van een bruikleenovereenkomst, de Gemeente niet langer eigenaar is van de Brediuscollectie. De Gemeente zal dan haar aanspraak op diverse - voor het beheer, behoud en kunnen tonen van de collectie op dezelfde wijze als nu het geval is - noodzakelijke subsidies verliezen. De Gemeente is bijvoorbeeld geen eigenaar van het pand aan de Lange Vijverberg. [eiser 1] heeft dit niet weersproken. Tegen deze achtergrond is het bij vervallenverklaring van het legaat hoogst onzeker of de Brediuscollectie voor het publiek behouden zal blijven, laat staan in het museum Bredius en op dezelfde wijze als nu het geval is. Dat zou niet alleen in strijd komen met de uitdrukkelijke wens van [erflater] en de last, maar ook met het openbaar belang. Ook dit staat aan de gevorderde vervallenverklaring in de weg.

Gestelde schending van de last: een groot deel van het legaat is niet zichtbaar voor het publiek

Het hof heeft al geoordeeld dat de last ‘ils devront rester exposés exclusivement dans ledit Musée’ geen absolute tentoonstellingsplicht en ook geen depotverbod inhoudt. Dat wil dus zeggen dat niet ieder voorwerp steeds tentoongesteld behoeft te worden en dat kunstvoorwerpen ook opgeslagen kunnen worden in een depot. Ook zijn op gezette tijden tentoonstellingen met ten dele extern werk toegestaan.

Dat circa 2/3e van de schilderijen, 129 stuks, niet worden tentoongesteld heeft [eiser 1] , tegenover de gemotiveerde betwisting door de Gemeente, met zijn productie 16a en de social media posts, onvoldoende onderbouwd. Daarbij is van belang dat hij de kwestie dat er 21 schilderijen zijn opgeslagen in het depot bij Hizkia niet meer aan zijn vordering ten grondslag kan leggen. Het hof heeft immers al geoordeeld dat het depot bij Hizkia geen schending van de last oplevert. Overigens heeft de Gemeente toegelicht dat de kunstwerken in dit depot door hedendaagse experts van mindere kwaliteit worden gezien dan de overige werken in de collectie, maar dat niet uitgesloten is dat hierover later anders wordt geoordeeld en evenmin dat de schilderijen op een later moment wel worden tentoongesteld.

De kunstwerken die zich in het schilderijendepot in het souterrain van het pand bevinden (dit betreft slechts een relatief klein deel van de collectie) zijn op aanvraag voor het publiek toegankelijk, naar de rechtbank begrijpt binnen circa 1-2 dagen. De gehele Brediuscollectie is bovendien gedigitaliseerd en een groot deel ervan is permanent zichtbaar op de website van het museum. Aldus is ook dit deel van de collectie in voldoende mate geëxposeerd.

Verder heeft [eiser 1] - tegenover de gemotiveerde betwisting door de Gemeente - niet voldoende onderbouwd dat de Gemeente ‘frequent het hele museum leeghaalt’ om ander werk dan werk behorend tot het legaat tentoon te stellen, zodat ‘het beeld [resteert] van een museum waarin de Brediuscollectie niet langer het uitgangspunt vormt maar een variabele factor is, die moet wijken wanneer externe programmering dat vereist.’ Dit standpunt van [eiser 1] kan in elk geval niet worden onderbouwd met het in het museum eens in de twee jaar georganiseerde meerdaagse evenement Masterly the Hague, laatstelijk in 2021, waarbij Dutch design, fotografie en hedendaagse kunst centraal staan, en ook niet met de tentoonstelling ‘Het bijzondere leven van Elisabeth Pop’, die van 12 september 2023 tot 30 december 2023 in het museum plaatsvond. Voldoende gebleken is wel dat de [naam 5] tentoonstelling een grootschaligere tentoonstelling betrof dan in de [naam procedure] aan de orde is geweest. Ten behoeve van die tentoonstelling zijn 67 schilderijen uit de [naam 5] collectie opgehangen in het museum. Eén schilderij van de Brediuscollectie maakte deel uit van de tentoonstelling. Aannemelijk is dat nog slechts een erg klein deel van de Brediuscollectie (in het depot van het souterrain) te zien is geweest. Deze tentoonstelling heeft circa 3,5 maand geduurd. Nu deze tentoonstelling eenmalig was en slechts relatief kort heeft geduurd is de last hierdoor niet geschonden.

Het hof heeft al geoordeeld dat de last geen absoluut verbod inhoudt op toevoeging en samenvoeging van werken. [eiser 1] heeft verder niet dan wel onvoldoende onderbouwd dat er nieuwe voorwerpen aan de collectie worden toegevoegd waardoor de ‘last sluipenderwijs wordt gesloopt’. Daarbij speelt een rol dat de Gemeente onweersproken heeft gesteld dat er slechts zes schilderijen op zaal hangen die niet tot het legaat behoren, waaronder een portret van [erflater] zelf, dat [naam 1] al in augustus 1946 ten behoeve van het museum heeft geschonken aan de Gemeente.

De Gemeente heeft tot slot gesteld dat zij al geruime tijd geen bruikleen meer heeft toegestaan, ook sinds de uitspraak van het hof niet. [eiser 1] heeft dit betwist. Echter, uit productie 198 van [eiser 1] kan niet iets anders worden afgeleid. Met name volgt daaruit niet dat het schilderij van Philips Wouwerman, Ruitergevecht, aan het Kunstmuseum in bruikleen is gegeven. De rechtbank kan dus ook niet vaststellen dat de collectie na het arrest van het hof door bruikleen verminderd zichtbaar is geweest. De gestelde schendingen kunnen [eiser 1] niet baten. [eiser 1] legt de lat voor de Gemeente te hoog.

De rechtbank verwijst verder naar r.o. 5.23 en r.o. 5.24.

Gestelde schending van de last: gebrekkige governance en bedrijfsvoering

[eiser 1] betoogt tot slot dat het museum een gebrekkige governance en bedrijfsvoering kent. Hij heeft in dat verband verwezen naar de Governance Code Cultuur 2019 en de ICOM Code of Ethics for Museums. De Gemeente heeft dit gemotiveerd betwist. Hieromtrent geldt dat gebrekkige governance en bedrijfsvoering, zo al aanwezig, niet zelfstandig een schending van de last kunnen opleveren; hooguit kan dit in de hand werken dat schending van de last plaatsvindt. In dezelfde lijn heeft het hof al in de [naam procedure] overwogen dat de vraag aan welke norm van administratie de Gemeente is gebonden niet relevant is voor de beoordeling van de voorliggende vorderingen (r.o. 49-50 van het arrest van het hof). Daaronder viel ook de gevorderde verklaring voor recht dat de Gemeente de last steeds had geschonden en nog steeds schond. Aan deze gestelde schending gaat de rechtbank dus voorbij.

Conclusie wat betreft de vervallenverklaring

Uit hetgeen hiervoor is geoordeeld volgt dat er voor vervallenverklaring geen grond is. [eiser 1] daarop gebaseerde vorderingen (onder A en C) worden daarom afgewezen. Gelet op deze oordelen komt de rechtbank niet toe aan het verweer van de Gemeente dat [eiser 1] niet in zijn vordering tot afgifte kan worden ontvangen omdat sprake is van een ondeelbare rechtsverhouding met (de rechtsopvolger(s)) van [naam 4] .

Hieraan voegt de rechtbank voor wat betreft de vordering onder C volledigheidshalve nog toe dat ‘onbelaste overdracht’ aan [eiser 1] (naar de rechtbank begrijpt: zonder last) ook afstuit op strijd met de geldende wettelijke regeling (zie r.o. 5.24) en op het feit dat de Gemeente niet kan worden verplicht onrechtmatig te handelen jegens mede-erfgenaam [naam 4] dan wel haar rechtsopvolger(s).

Ook de subsidiaire vordering tot nakoming van de last op straffe van een dwangsom (onder F) moet, nu geen schending van de last is geconstateerd en gegeven de omstandigheid dat [eiser 1] niet de wettelijke mogelijkheid heeft om nakoming van de last te vorderen, als ongegrond worden afgewezen.

Schadevergoeding

De vordering tot schadevergoeding (onder D) wordt eveneens afgewezen. Nu de Gemeente eigenaar is (en blijft) van de Brediuscollectie valt immers niet in te zien welke schade [eiser 1] heeft geleden doordat een aantal tot het legaat behorende voorwerpen verloren is gegaan dan wel vermist is geraakt.

Informatievordering

[eiser 1] vordert onder B om de Gemeente te veroordelen schriftelijk en volledig opgave te doen van alle kunstvoorwerpen, inclusief beschrijvingen, alle locaties vanaf het openvallen van het testament tot en met heden, en alle relevante documentatie met betrekking tot het legaat, op straffe van verbeurte van een dwangsom. De Gemeente voert hiertegen gemotiveerd verweer.

De rechtbank overweegt als volgt. Voldoende gebleken is dat [eiser 1] vanaf 2013 een grote hoeveelheid documenten inzake de Brediuscollectie van de Gemeente heeft ontvangen, in de aanloop naar en tijdens de [naam procedure] . Daarnaast heeft [eiser 1] een hoeveelheid stukken van de Gemeente heeft ontvangen naar aanleiding van een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) en recentelijk ook nog op grond van een verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo). [eiser 1] en zijn vader hebben verder geruime tijd deel uitgemaakt van het bestuur van de Stichting (1988-2014) en kunnen als zodanig worden verondersteld in het bezit te zijn van de nodige bestuursdocumenten uit die tijd. Kennelijk wenst [eiser 1] , die in dit verband spreekt over ‘zijn toezichthoudende rol’, nog meer informatie te ontvangen.

Zijn informatievordering onder B is evenwel mede gebaseerd op de door het hof al onjuist bevonden uitgangspunten omtrent de betekenis en de uitleg van de testamentaire last (zoals de gestelde absolute tentoonstellingsplicht, het gestelde verplaatsingsverbod en het gestelde depotverbod). Hierop kan hij zijn vordering dus niet gronden.

Daarnaast kan hij ingevolge het arrest van het hof in de [naam procedure] aan zijn vordering tot vervallenverklaring van de last geen kwesties meer ten grondslag leggen waarover het hof al heeft geoordeeld, noch kwesties die hij toen had kunnen voorleggen. Bij nadere informatie daarover heeft hij dus geen belang.

Hierbij komt dat het gevorderde (gezien de periode waarop de vordering betrekking heeft - vanaf het begin van het legaat in 1946 tot heden - in combinatie met de aard en inhoud van de gevraagde stukken) naar het oordeel van de rechtbank op één lijn kan worden gesteld met een vordering tot het doen van rekening en verantwoording. [eiser 1] heeft niet dan wel onvoldoende toegelicht waarom de Gemeente jegens hem een dergelijke, vergaande, verplichting heeft. Er zijn geen aanknopingspunten gesteld of gebleken dat de last een dergelijke verplichting behelst. Een wettelijke verplichting hiertoe ontbreekt evenzeer, ook naar [land] recht. De Gemeente voert geen beheer over enig vermogen van [eiser 1] ; zij is eigenaar van de Brediuscollectie en is belast met de uitvoering van de last. [eiser 1] heeft niet het recht naleving van de last af te dwingen. Weliswaar kan hij ingeval van schending van de last vervallenverklaring van het legaat vorderen, maar zelfs als die schending komt vast te staan behoeft zijn verzoek niet te worden toegewezen. De rechter heeft immers een discretionaire bevoegdheid op dit punt (r.o. 5.22). De rechtsverhouding tussen de Gemeente en [eiser 1] vertoont hiermee geen dan wel volstrekt onvoldoende verwantschap met in de wet geregelde gevallen waarin zo’n verplichting is neergelegd. Ook uit de aangehaalde museale codes volgt zo’n verplichting niet.

Hierbij komt dat noch uit de last, noch uit de ( [land] en de Nederlandse) wet, noch uit voormelde codes kan worden afgeleid dat de Gemeente verplicht is [eiser 1] voortdurend actief te informeren over de locaties van de kunstwerken uit het legaat of om hem te consulteren over het beheer en onderhoud van de gelegateerde werken. Kortom, [eiser 1] heeft geen toezichthoudende bevoegdheden. De vordering onder B wordt daarom afgewezen.

De vorderingen in de hoofdzaak treffen geen doel.

Wisselbepaling art. 69 Rv

De rechtbank ziet er vanaf in dit geding de wisselbepaling (art. 69 Rv) toe te passen. Weliswaar had [eiser 1] , gezien het bepaalde in art. 4:131 BW, de vervallenverklaring bij verzoekschrift moeten verzoeken, maar dit geldt niet voor alle overige ingediende vorderingen, met name niet voor de vorderingen onder C, D en F. Het komt in strijd met de goede procesorde en met de proceseconomie om de zaak op deze onderdelen uit te splitsen. Ook beide partijen houden bij voorkeur de zaak bij elkaar. De rechtbank zal hierom in dit vonnis over alle vorderingen beslissen.

In het incident

[eisers] vorderen in het incident de Gemeente c.s., naar de rechtbank begrijpt op grond van het bepaalde in art. 843a (oud) Rv, afgifte van diverse stukken. Ook vorderen zij op de voet van art. 223 Rv bij wege van voorlopige voorziening dat de Gemeente c.s. hen van diverse stukken voorzien. De Gemeente c.s. hebben een aantal van de gevorderde stukken alsnog in deze procedure overgelegd en voor het overige gemotiveerd verweer gevoerd.

Welke procespartijen zijn relevant?

Nu [eiser 2] en [eiser 3] niet in hun vorderingen in de hoofdzaak kunnen worden ontvangen, zijn zij evenmin ontvankelijk in hun incidentele vorderingen. Zij zijn immers nog geen erfgenaam. Verder geldt, net als in de hoofdzaak, dat de Gemeente de partij is die het legaat heeft ontvangen en gehouden is de last uit te (doen) voeren. [eiser 1] heeft onvoldoende toegelicht dat en waarom hij de Stichting en het Steunfonds in het incident heeft betrokken. De tegen deze gedaagden ingestelde vorderingen zullen dan ook worden afgewezen.

[eiser 1] heeft in het incident nog verdergaande vorderingen om informatie ingesteld dan in de hoofdzaak onder B. De vordering van [eiser 1] oogt, vooral gezien de periode waarop de vordering betrekking heeft en de aard en inhoud van de gevraagde stukken, niet slechts als een vordering tot rekening en verantwoording (waarop hij, zoals overwogen in r.o. 5.36 geen recht heeft) maar ook als een verboden fishing expedition. [eiser 1] heeft bovendien bij de gevorderde stukken geen rechtmatig belang, omdat hij zijn vordering heeft gebaseerd op door het hof al onjuist bevonden uitgangspunten omtrent de betekenis en de uitleg van de testamentaire last (zoals de gestelde absolute tentoonstellingsplicht, het gestelde verplaatsingsverbod en het gestelde depotverbod).

Verder kan [eiser 1] ingevolge het arrest van het hof in de [naam procedure] aan zijn vordering geen kwesties meer ten grondslag leggen waarover het hof al heeft geoordeeld, noch kwesties die hij toen had kunnen voorleggen. Bij nadere informatie hierover heeft hij dan ook geen belang.

Daarnaast hebben [eisers] , tegenover de gemotiveerde betwisting van de Gemeente, niet dan wel onvoldoende toegelicht dat de stukken die zij vorderen ook daadwerkelijk bestaan of nodig zijn voor een goede rechtsbedeling. Hoe de Gemeente decennia intern tegen verschillende kwesties heeft aan gekeken en daarover intern heeft gecorrespondeerd, is voor de gang van zaken toen en de beoordeling van nu niet relevant.

Tot slot is voldoende gebleken dat de Gemeente zich op gewichtige redenen als bedoeld in art. 843a lid 4 Rv kan beroepen voor zover wordt gevorderd haar te veroordelen stukken te verstrekken die haar interne besluit- en gedachtevorming betroffen. De Gemeente heeft immers het recht om haar verdediging in vrijheid en beslotenheid voor te bereiden zoals het hof ook al heeft overwogen (r.o. 58 van het arrest van het hof). De vorderingen in het incident worden om al deze redenen afgewezen.

Proceskosten hoofdzaak en in het incident

[eisers] worden zowel in de hoofdzaak als in het incident in het ongelijk gesteld. Zij moeten daarom de proceskosten (inclusief eventuele nakosten) aan de Gemeente c.s. vergoeden.

In dit geval ziet de rechtbank aanleiding om, zowel in de hoofdzaak als in het incident, het hoogste tarief VIII van de per 1 februari 2026 geldende liquidatietarieven toe te passen. Het betreft een bewerkelijke zaak met een groot onderliggend cultureel-maatschappelijk en financieel belang. Het tarief voor vorderingen met een onbepaalde waarde doet daaraan geen recht. Hierbij komt dat [eisers] diverse stellingen hebben ingenomen die al in de [naam procedure] verworpen zijn. Ook hebben zij een aantal kwesties aan de orde gesteld waarover toen al onherroepelijk is beslist. Aldus hebben [eisers] de Gemeente bij het voeren van verweer in zoverre nodeloos op kosten gejaagd.

De proceskosten van de Gemeente c.s. worden in de hoofdzaak begroot op:

- griffierecht

688,00

- salaris advocaat

13.893,00

(3 punten × € 4.631,00)

- nakosten

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

14.770,00

De proceskostenveroordeling wordt zoals gevorderd vermeerderd met de wettelijke rente en uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

De proceskosten van de Gemeente c.s. worden in het incident begroot op:

- salaris advocaat

4.631,00

(1 punt × € 4.631,00)

- nakosten

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

4.820,00

6. De beslissing

De rechtbank

In de hoofdzaak

verklaart [eiser 2] en [eiser 3] niet-ontvankelijk;

wijst het door [eiser 1] gevorderde af;

veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 14.770,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;

veroordeelt [eisers] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;

verklaart r.o. 6.3 en 6.4 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

in het incident

verklaart zoon en [eiser 3] niet-ontvankelijk;

wijst het door [eiser 1] gevorderde af;

veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 4.820,00, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Alt-van Endt, mr. I.A.M. Kroft en mr. D.E. Alink en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.

1308

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand