ECLI:NL:RBDHA:2026:14819

ECLI:NL:RBDHA:2026:14819

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 10-06-2026
Datum publicatie 03-06-2026
Zaaknummer C/09/673692
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

De Staat is in 1946 eigenaar geworden van 25 schilderijen, door aanvaarding van het door [erflater] verstrekte legaat met daaraan verbonden een last (hierna: het legaat). Deze schilderijen behoren tot de collectie van het Mauritshuis. [eisers] vorderen in deze procedure met name om het legaat vervallen te verklaren en de schilderijen aan hen als erfgenamen af te geven. Zij menen dat de Staat c.s. de last in ernstige mate schenden. De Staat c.s. hebben betwist dat zij de aan de last verbonden voorwaarden hebben geschonden. De rechtbank wijst de vorderingen van [eisers] af.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team Handel

Zaaknummer: C/09/673692 / HA ZA 24-862

Vonnis van 10 juni 2026

in de zaak van

1. [eiser 1] ,

te [woonplaats 1] ,2. [eiser 2],

te [woonplaats 2] ,3. [eiser 3],

te [woonplaats 2] ,

eisende partijen,

hierna samen te noemen: [eisers] ,

advocaten: mr. G.J.T.M. van den Bergh en mr. A.D.G.M. van Hoek, te Amsterdam ,

tegen

1. DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP),

te Den Haag,2. STICHTING KONINKLIJK KABINET VAN SCHILDERIJEN MAURITSHUIS,

te Den Haag,

gedaagde partijen,

hierna samen te noemen: de Staat c.s.,

advocaten: mr. W.I. Wisman en mr. M. Moret.

Eisers zullen samen [eisers] worden genoemd en afzonderlijk als eiser 1, eiser 2 en eiser 3, danwel als [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] worden aangeduid.

Gedaagden zullen samen de Staat c.s. worden genoemd en afzonderlijk achtereenvolgens ook als de Staat en de Stichting worden aangeduid.

1. Waar gaat deze zaak over?

De Staat is in 1946 eigenaar geworden van 25 schilderijen, door aanvaarding van het door [erflater] verstrekte legaat met daaraan verbonden een last (hierna: het legaat). Deze schilderijen behoren tot de collectie van het Mauritshuis. [eisers] vorderen in deze procedure met name om het legaat vervallen te verklaren en de schilderijen aan hen als erfgenamen af te geven. Zij menen namelijk dat de Staat c.s. in ernstige mate de last schenden. De Staat c.s. hebben betwist dat zij de aan de last verbonden voorwaarden hebben geschonden. De rechtbank wijst de vorderingen van [eisers] af.

De rechtbank doet vandaag ook uitspraak in een verwante zaak tussen [eisers] en de gemeente Den Haag over een door [erflater] aan die gemeente verstrekt legaat (hierna: het legaat aan de Gemeente) ten behoeve van het museum Bredius (C/09/676671 / HA ZA 24-1032).

2. De procedure

Het verloop van de procedure, in de hoofdzaak en in het incident, blijkt uit:

- de dagvaarding van [eisers] van 26 september 2024 met producties E1-41;

- de conclusie van antwoord van de Staat c.s. van 8 januari 2025 met producties G1-29;

- de conclusie van repliek van [eisers] met de incidentele vordering op grond van art. 194-195 Rv en de vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening ex art. 223 Rv van 21 mei 2025 met producties E42-74;

- de conclusie van dupliek van de Staat c.s. tevens conclusie van antwoord inzake de exhibitievordering en de vordering ex art. 223 Rv van 24 september 2025 met producties G30-44;

- het tussenvonnis van 17 december 2025 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;

- de akte producties van [eisers] van 2 april 2026 met producties E75-115.

Op 17 april 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Hierbij

waren partijen vertegenwoordigd, bijgestaan door de advocaten. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord en de advocaten hebben het woord gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen die zijn overgelegd. Namens de Staat zijn een tweetal korte verklaringen voorgedragen en overgelegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat te0r zitting is besproken.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3. De feiten, in de hoofdzaak en in het incident

Legaat

[erflater] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1855 en gestorven te [land] op [datum 1] 1946, was kunstkenner en -verzamelaar. Hij is onder meer van 1889 tot 1909 directeur geweest van het Mauritshuis te Den Haag.

In de loop der jaren heeft [erflater] verschillende testamenten opgemaakt. Hij heeft voor het laatst bij testament van 26 april 1944 over zijn nalatenschap beschikt, onder herroeping van alle eerdere testamenten (hierna: het testament). [erflater] heeft daarbij [naam 1] benoemd als enig erfgenaam en executeur-testamentair. Dit testament, verleden voor notaris [naam 2] te [land] , bevat onder meer het navolgende legaat met last:

‘Je lègue à l’Etat des Pays Bas, les tableaux qui ont orné pendant de nombreuses années, le Musée Mauritshuis â La Haye, ils devront rester exposés exclusivement dans ledit Musée.’

Het legaat omvat de navolgende schilderijen:

1. Abraham van Beyeren, Pronkstilleven

2. Quiringh van Brekelenkam, De kopster

3. Abraham van Calraet, Stilleven met perziken en druiven

4. Jean-Baptiste-Siméon Chardin, Stilleven met koperen ketel, kaas en eieren

5. Gijsbert Gillisz d’Hondecoeter, Haan en kippen in een landschap

6. Abraham van Dijck, Het afscheid van Benjamin

7. Jan van Goyen, Riviermonding met zeilboten

8. Paulus Moreelse, Portret van een dame

9. Rembrandt van Rijn, Andromeda

10. Rembrandt van Rijn, Saul en David

11. Rembrandt van Rijn, Twee Afrikaanse mannen

12. Rembrandt van Rijn, Homerus

13. Rembrandt van Rijn, Tronie van een oude man

14. Naar Rembrandt van Rijn, Studie van een oude vrouw

15. Atelier Rembrandt van Rijn, Minerva

16. Salomon van Ruysdael, Riviergezicht met een kerk en een veerboot

17. Pieter Soutman, Portret van een dame

18. Jan Steen, Dansende boeren bij een herberg

19. Jan Steen, Dorpskermis

20. Jan Steen, Wie een varken is, moet in het kot

21. Atelier Willem van de Velde de Jonge, Zonsondergang op zee

22. Jan Vermeulen, Stilleven met boeken, een globe en muziekinstrumenten

23. Naar Gerard David, De bewening

24. Anoniem, Vanitas Stilleven

25. Omgeving Rembrandt van Rijn, Biddende vrouw

Betrokken partijen

[naam 1] , geboren op [geboortedatum 2] 1887 en gestorven op [datum 2] 1984, was de partner van [erflater] . De vader van eiser 1 was de heer [naam 3] (geboren op [geboortedatum 3] 1915 en gestorven op [datum 3] 1998); [naam 3] was een neef en een erfgenaam van [naam 1] . Eisers 2 en 3 zijn respectievelijk een zoon en een dochter van eiser 1.

[naam 3] en mevrouw [naam 4] , de schoonmaakster van [naam 1] , waren/zijn beiden 50% gerechtigd in de nalatenschap van [naam 1] . Onbekend is of [naam 4] , geboren in 1912, nog in leven is en, zo nee, wie haar rechtsopvolger(s) is (zijn).

De Stichting is ingevolge de Erfgoedwet (2016) belast met de wettelijke taak om een deel van de Rijkscollectie te beheren en te behouden; de in 3.3 genoemde schilderijen behoren daartoe. De Stichting richt zich daarnaast actief op preventieve conservering en zij investeert in restauraties en onderzoek, ook voor zover het de in 3.3 genoemde schilderijen betreft.

Legaat aan de Gemeente

In het testament is ook ten behoeve van de gemeente Den Haag een legaat met last opgenomen. Dit luidt als volgt:

“Je lègue à la ville de La Haye (Pays Bas), tous les tableaux et tous les objets d’art qui sont exposés au Musée Brédiusuis, au Prinsegracht, à la Haye. Ils devront rester exposés exclusivement dans ledit Musée.”

Over het legaat aan de Gemeente is eerder geprocedeerd (de [naam procedure] ). De rechtbank heeft toen de stellingname van [eiser 1] (inzake de absolute tentoonstellingsplicht en het verplaatsingsverbod) verworpen en zijn vorderingen (onder meer tot afgifte van diverse kunstvoorwerpen) afgewezen. Bij arrest van 25 februari 2020 heeft het Gerechtshof Den Haag (hierna: het hof) dit vonnis bekrachtigd en het in hoger beroep meer of anders gevorderde afgewezen. Het door [eiser 1] tegen dit arrest ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad met toepassing van art. 81 RO verworpen.

Wat aan het testament voorafging

[erflater] heeft de in 3.3 genoemde schilderijen (op verschillende momenten) in bruikleen gegeven aan de Staat.

[erflater] heeft, voorafgaand aan het testament, in de loop der jaren verschillende testamenten en aanvullende codicillen opgemaakt. Zo heeft hij bijvoorbeeld in zijn testament 17 juni 1926, voor zover van belang opgenomen, dat hij de schilderijen aan de Staat legateert ter plaatsing in het Mauritshuis, dat ze tentoongesteld moeten blijven in het Mauritshuis als deel van de verzameling ook al mocht een ander deel van de verzameling naar een andere plaats worden vervoerd. Voor het geval de Staat der Nederlanden te zijner tijd een of beide dezer voorwaarden niet mocht nakomen legateert hij deze schilderijen aan de gemeente ’s-Gravenhage.

In het testament van 22 juni 1929 heeft [erflater] aanvullend bepaald dat hij aan het legaat nog de voorwaarde verbindt dat de gelegateerde schilderijen die reeds thans in het Mauritshuis zijn geplaatst nimmer daaruit verwijderd zullen worden tenzij dit tengevolge van een grote verbouwing onvermijdelijk zou zijn. Als de Staat de voorwaarden niet aanvaardt of niet alle nakomt, legateert [erflater] de schilderijen aan de gemeente Amsterdam onder de voorwaarde dat de schilderijen zullen worden geplaatst en blijven geplaatst in het Stedelijk Museum aldaar. Als de gemeente Amsterdam de voorwaarden niet aanvaardt of in strijd daarmee handelt, zullen de erfgenamen het recht hebben de schilderijen terug te vorderen.

In zijn testament van 27 juli 1934 heeft [erflater] , voor zover van belang, bepaald dat hij aan de Staat legateert ter plaatsing in het Mauritshuis de genoemde schilderijen onder de uitdrukkelijke voorwaarden dat deze schilderijen tentoongesteld moeten blijven in het Mauritshuis als deel van de verzameling, ook al mocht een ander deel van de verzameling naar een andere plaats worden vervoerd, tenzij dit ten gevolge van een grote verbouwing of herstelling onvermijdelijk zou zijn en dat de Staat zich tegenover de erfgenamen en verdere rechtverkrijgenden voor de aanvaarding van het legaat schriftelijk tot vervulling van deze voorwaarde verbindt.

En in het testament van 19 juni 1936 heeft [erflater] , voor zover van belang, bepaald dat de schilderijen tentoongesteld moeten blijven in het Mauritshuis als deel van de verzameling ook al mocht een ander deel van de verzameling naar een andere plaats worden vervoerd tenzij dit door een grote verbouwing onvermijdelijk zou zijn en dat er reeds een overeenkomst bestaat met de regering [zie hierna onder 3.11, rb] die zich heeft verplicht de schilderijen nooit te verzenden naar tentoonstellingen als zij het geschenk aanvaard heeft. In het geval de Staat de gestelde voorwaarden niet aanvaardt, legateert [erflater] de schilderijen aan de Gemeente Amsterdam onder dezelfde voorwaarden. Als ook de gemeente Amsterdam de voorwaarden niet aanvaardt of deze schendt, dan vervalt het legaat en zullen de erfgenamen het recht hebben alle gelegateerde schilderijen terug te vorderen.

[erflater] heeft op 14-15 juli 1931 een overeenkomst gesloten met de Staat in verband met het door [erflater] bij (het op dat moment geldende) testament ten behoeve van de Staat opgemaakte legaat. Dit legaat betrof al de in 3.3 genoemde schilderijen, die destijds ter plaatsing in het Mauritshuis in bruikleen waren gegeven. Deze overeenkomst bevat de volgende bepaling:

“dat contractant ter eener [ [erflater] ; toev. Rb.], blijkens zijn verklaring, deze schilderijen [nu nog in bruikleen aan het Mauritshuis] bij testament aan contractant ter anderer [de Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, te dezen handelend voor den Staat der Nederlanden; toev. Rb.] gelegateerd heeft onder bepaling, dat zij steeds deel zullen moeten blijven uitmaken van de verzameling, thans bekend onder den naam “Koninklijk Kabinet van Schilderijen”, zoodat zij, behalve in geval van herstel of bij brand dan wel in dergelijke gevallen van overmacht, steeds aanwezig zullen moeten blijven in het Mauritshuis te ‘s-Gravenhage of, zoo te eeniger tijd het Koninklijk Kabinet van Schilderijen uit het Mauritshuis mocht worden verplaatst naar eenig ander gebouw, in dit laatste gebouw, en dat derhalve geen van die schilderijen overigens ooit zal mogen worden overgebracht naar eenig ander gebouw in binnen- of buitenland noch zal mogen worden uitgeleend ten behoeve van eenige tentoonstelling buiten het eigen museumgebouw hetzij hier te lande hetzij elders.”

De Staat heeft zich in deze overeenkomst zijnerzijds verbonden deze voorwaarden na te leven.

Correspondentie en verdere verwikkelingen daarna

Kort na het overlijden van [erflater] stuurde de minister van Onderwijs, Kunsten en

Wetenschappen afschriften van een brief van de Nederlandse consul te [plaats]

aan de directeur van het Mauritshuis. De consul schreef op 16 maart 1946 onder meer:

“Een uittreksel uit dit testament (…) bied ik Uwe Excellentie hierbij aan. Bij dit testament vermaakt [erflater] :

aan den STAAT DER NEDERLANDEN: zijne gezamenlijke schilderijen, welke zich in het Mauritshuis bevinden;

aan de GEMEENTE ’S-GRAVENHAGE: zijne gezamenlijke schilderijen en kunstvoorwerpen, welke zich in het Brediushuis bevinden;

een en ander onder de verplichting dat deze kunstschatten ter plaatse zullen blijven tentoongesteld, (…)”

De minister schreef in de begeleidende brief van 28 maart 1946 dat uit de afschriften zal blijken dat

“wijlen [erflater] aan den Nederlandschen Staat vermaakt heeft al zijn schilderijen, die sinds lange jaren het Mauritshuis gesierd hebben, onder het beding, dat zij uitsluitend in dat Museum tentoongesteld zullen worden. In dit verband breng ik U in herinnering de overeenkomst tusschen mijn toenmaligen ambtsvoorganger en [erflater] van 14-15 Juli 1931.”

Vlak voor het uitbrengen van de inleidende dagvaarding in deze procedure hebben [eisers] in een sommatiebrief aan de Staat bericht dat de Staat de aan het legaat verbonden last had geschonden. Zij hebben de reactie van de Staat niet afgewacht en de dagvaarding in de onderhavige procedure uitgebracht.

Op 4 oktober 2024 is namens [eisers] bij de Staat een verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) ingediend. Toen is verzocht om dezelfde stukken als waarvan [eisers] thans in het incident de afgifte vorderen, zie hierna onder 4.4. Dit verzoek heeft het ministerie van OCW op 26 november 2024 afgewezen op de grond dat openbaarmaking de procespositie van de Staat (en het Mauritshuis) in het geding brengt (art. 5.1 lid 2 onder i Woo).

Zichtbaarheid van de collectie

De collectie die de Stichting beheert wordt tentoongesteld in het Mauritshuis en in de Galerij Prins Willem V, gevestigd aan het Buitenhof 33 in Den Haag (hierna: de Galerij). In het Mauritshuis is plek voor circa 250 schilderijen en in de Galerij voor circa 150 schilderijen.

De collectie die de Stichting beheert is te groot om alle werken steeds tentoon te kunnen stellen. De Stichting beschikt over een inpandig depot en over twee externe depots.

De in 3.3 genoemde schilderijen worden al geruime tijd niet allemaal tegelijk tentoongesteld. De meest bijzondere schilderijen daarvan worden in het algemeen steeds tentoongesteld, zoals de schilderijen van Rembrandt van Rijn genoemd onder nummer 9 tot en met 12. Welke van de overige tot het legaat behorende schilderijen tentoongesteld worden wisselt steeds; als ze niet op zaal hangen worden ze gerenoveerd of in depot bewaard. Ten tijde van de mondelinge behandeling hingen tien van de 25 schilderijen op zaal.

In het kader van de tentoonstelling ‘Rembrandt, [erflater] en het Mauritshuis’ hebben in 1991 de navolgende vier schilderijen in de Galerij gehangen:

- Naar Rembrandt van Rijn, ‘Studie van een oude vrouw’, zie 3.3 onder 14;

- Rembrandt van Rijn, ‘Tronie van een oude man’, zie 3.3 onder 13;

- Abraham van Beyeren, ‘Pronkstilleven’, zie 3.3 onder 1;

- Paul Moreelse, ‘Portret van een dame’, zie 3.3 onder 8.

Het schilderij van Pieter Soutman, ‘Portret van een dame’, zie 3.3 onder 17, heeft in de periode 9 maart 2020 - 23 januari 2023 in de Galerij gehangen.

De gehele schilderijencollectie van de Stichting is steeds op de website van het Mauritshuis te bekijken. In het geval een schilderij niet op zaal hangt, wordt op de website vermeld ‘Niet te zien’. Het publiek kan aanvragen een schilderij dat in depot is fysiek te bekijken.

De Stichting heeft meermalen, in samenwerking met (onderzoeks-)instellingen,

universiteiten en andere musea, kunsthistorisch en materiaaltechnisch onderzoek

(laten) verricht(en) naar kunstwerken uit het legaat.

Tentoonstellingen en activiteiten

Abraham van Calraet’s ‘Stilleven met perziken en druiven’ is (op pagina 58) opgenomen in de catalogus van de tentoonstelling ‘Geen Cuyp, Wel Calraet’. Deze tentoonstelling vond plaats in het Museum Bredius. [naam 5] schreef over de desbetreffende tentoonstelling in het Financieel Dagblad van 27 november 2015:

“Het enige smetje op deze leuke tentoonstelling is het ontbreken van één sleutelwerk. Stilleven met perziken en druiven - het werk dat [erflater] op het spoor van Van Calraet zette - is alleen als kleurenkopie te zien. Het schilderij werd door [erflater] aan het Mauritshuis geschonken, hemelsbreed zo’n 150 meter verwijderd van Museum Bredius. Daar slijt het zijn dagen in het depot. Uitlenen mag niet volgens de bepalingen van het legaat.”

Onderzoek van [naam 6]

In opdracht van de Stichting heeft [naam 6] in mei-juli 2015 onderzoek gedaan naar het legaat. Na raadpleging van het testament (zie 3.2), brieven aangaande de nalatenschap van [erflater] , de overeenkomst uit 1931 (zie 3.11) en diverse krantenartikelen, komt [naam 6] in haar rapport tot de navolgende conclusie:

“Door alle hierboven genoemde krantenartikelen en ingezonden brieven waarin [erflater] zijn mening heeft gegeven, is het duidelijk geworden dat [erflater] de voorwaarde in zijn contract en testament (namelijk dat de schilderijen voor altijd tentoongesteld zullen worden in het Mauritshuis en niet naar tentoonstellingen elders mogen gaan) heeft laten opnemen, uit angst dat zijn geliefde schilderijen toch uitgeleend zouden kunnen worden aan tentoonstellingen, waardoor ze volgens hem grote risico’s zouden lopen op schade. De schade zou volgens hem kunnen ontstaan door schokken en trillingen van het vervoer en door klimaatwisselingen. Daarnaast zouden de schilderijen bij tentoonstellingen extra risico’s lopen op beschadiging door in- en uitpakken en het op- en afhangen. Door een contract met de minister te sluiten, wilde [erflater] uitsluiten dat zijn schilderijen veertig jaar na zijn dood de kans zouden lopen uitgeleend te worden naar tentoonstellingen, waardoor ze beschadigd zouden kunnen raken.”

4. Het geschil

[eisers] vorderen - samengevat - in de hoofdzaak:

A. het legaat vervallen te verklaren;

B. de Staat c.s. te veroordelen de in 3.3 genoemde, tot het legaat behorende, schilderijen aan [eisers] af te geven;

met veroordeling van de Staat c.s. in de proceskosten.

[eisers] leggen aan deze vorderingen kort gezegd ten grondslag dat sprake is van dermate ernstige schendingen van de last dat hen geen andere mogelijkheid rest dan het vorderen van vervallenverklaring van het legaat ex art. 1051 oud Burgerlijk Wetboek (BW) juncto art. 4:131 lid 1 BW. Het legaat is verkregen onder de ontbindende voorwaarde van naleving van de last. Niet naleving - structureel, permanent en bovendien bewust - brengt met zich mee dat de rechter het legaat vervallen moet verklaren met als daaraan verbonden consequentie dat de in 3.3 genoemde schilderijen aan [eiser 1] als belanghebbende partij moeten worden teruggegeven, aldus [eisers] .

De Staat c.s. voeren gemotiveerd verweer. De Staat c.s. concluderen kort gezegd tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.

[eisers] vorderen - samengevat - in het incident afgifte van de navolgende stukken, en om bij wijze van voorlopige voorziening aan hen afschrift te verstrekken van de navolgende (zo nodig bij derden op te vragen) stukken:

a. de locatie van ieder onder het legaat vallend object uitgesplitst in tijd vanaf het moment van verkrijgen van het legaat (derhalve over de gehele periode van de afgelopen 78 jaar) en de huidige locatie per object, daaronder begrepen externe locaties zoals het museumdepot, inclusief alle tussentijdse mutaties van de standplaats en indien een werk tentoongesteld was/is het exacte zaalnummer en gebouw; hieronder moet mede begrepen worden een bijgewerkte lijst van de verblijfplaatsen van alle schilderijen van het Mauritshuis, afkomstig van de Rijksdienst voor Beeldende Kunst, voor zover daarin onder het legaat vallende werken worden genoemd;

b. alle correspondentie en verdere rapportages inclusief notities en notulen voor zover deze betrekking hebben op de naleving van de last respectievelijk de uitleg die door de Stichting respectievelijk de Staat wordt gegeven aan doel, strekking en betekenis van de last, uitgesplitst in tijd vanaf het moment van verkrijgen van het legaat (derhalve over de gehele periode van de afgelopen 78 jaar) tot heden;

c. alle informatie en correspondentie omtrent het verzoek/onderzoek van het Mauritshuis omtrent verruiming dan wel wijziging van de last, uitgesplitst in tijd vanaf het moment van verkrijgen van het legaat (derhalve over de gehele periode van de afgelopen 78 jaar) tot heden;

d. de “14 (...) documenten”, die door het Ministerie van OCW zijn aangetroffen, zoals vermeld in de beslissing van 26 november 2024 naar aanleiding van het Woo verzoek namens [eisers] van 4 oktober 2024;

e. de conditie van de schilderijen, uitgesplitst in tijd vanaf het moment van verkrijgen van het legaat (derhalve over de gehele periode van de afgelopen 78 jaar) tot heden, voor zover deze aan de hand van beschikbare conditierapporten kan worden opgemaakt;

op straffe van een dwangsom voor iedere dag dat de Staat c.s. in gebreke zijn aan het door de rechtbank uit te spreken gebod te voldoen en met veroordeling van de Staat c.s. in de kosten van het incident.

De Staat c.s. voeren gemotiveerd verweer.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5. De beoordeling

In de hoofdzaak en in het incident

Rechtsmacht en toepasselijk recht

In deze zaak staat centraal de vraag of het legaat vervallen moet worden verklaard en de in 3.3 genoemde schilderijen aan [eisers] moeten worden afgegeven. Deze zaak bevat internationale aspecten. [erflater] heeft immers zijn testament in 1944 ten overstaan van een notaris in [land] opgemaakt. [erflater] was toentertijd in [land] woonachtig en had destijds in elk geval de [land] nationaliteit. De rechtbank gaat hierom na of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om over de ingestelde vorderingen te beslissen en welk recht daarop van toepassing is.

Bij gebreke van verordeningen dan wel verdragen die in dit geval op de vordering tot vervallenverklaring (de vordering onder A, een erfrechtelijke verhouding) van toepassing zijn, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe op grond van het bepaalde in art. 3 sub a Rv., aangezien [eisers] in Nederland woonachtig zijn. [eiser 1] had deze kwestie in principe bij verzoekschrift aan de rechtbank moeten voorleggen, zie daarover meer hierna in r.o. 5.36. Voor wat betreft de door [eisers] ingestelde vordering onder B geldt dat deze zozeer met de vordering tot vervallenverklaring samenhangt dat ook daaromtrent de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft.

Aangezien [erflater] ten tijde van zijn overlijden de [land] nationaliteit bezat, is in beginsel op zijn nalatenschap het erfrecht van het prinsdom [land] van toepassing. Dit verhindert echter niet de vordering tot vervallenverklaring te beoordelen aan de hand van de daaromtrent op dit moment geldende Nederlandse regeling, die bepaalt onder welke voorwaarden de rechter een legaat wegens schending van de last vervallen kan verklaren, bij wijze van toepassing van een voorrangsregel (art. 10:7 BW). Het gaat hier immers om een ten gunste van een Nederlands overheidslichaam gemaakt legaat, met het doel dat de betreffende schilderijen, tekeningen en kunstvoorwerpen in een voor het publiek toegankelijke verzameling worden bewaard. Daarom is bij de regeling op wiens verzoek, wanneer en onder welke voorwaarden het legaat met last door de rechter vervallen kan worden verklaard en welke rechtsgevolgen daaraan zijn verbonden het Nederlands openbaar belang onmiddellijk en nauw betrokken. Op de vordering onder A en de nauw daarmee samenhangende vordering onder B wordt dus huidig geldend Nederlands recht toegepast. Voor toepassing van oud BW is (ook al gaat het om een testament uit 1944) geen plaats. Uit de aard der zaak kan een op dit moment niet geldende Nederlandse regeling geen voorrang claimen boven toepasselijk [land] recht.

Welke procespartijen zijn relevant?

Ingevolge art. 4:131 lid 1 BW verkrijgt een legataris op wie een testamentaire last rust, zijn recht onder de ontbindende voorwaarde dat het wegens niet-uitvoering van de last wordt vervallen verklaard door de rechter. Lid 2 van dit artikel houdt in dat de vervallenverklaring door de rechter kan worden uitgesproken op verzoek van elke onmiddellijk bij de vervallenverklaring belanghebbende. Vaststaat dat de Staat de partij is die het legaat heeft ontvangen. Hij is gehouden de daaraan verbonden last correct uit te voeren dan wel te doen uitvoeren. [eiser 1] is (samen met [naam 4] dan wel samen met haar rechtsopvolger(s)) erfgenaam van [naam 1] . Hij is hierom ‘onmiddellijk bij de vervallenverklaring belanghebbende’ in de zin art. 4:131 lid 2 BW. [eiser 1] zal immers (samen met [naam 4] dan wel samen met haar rechtsopvolger(s)) worden ‘geroepen’ als het recht van de Staat vervallen wordt verklaard. Dit geldt niet voor zoon en [eiser 3] . Er is onvoldoende reden om onder het begrip ‘onmiddellijk bij de vervallenverklaring belanghebbende’ ook familieleden te scharen die stellen nauw betrokken te zijn bij deze kwestie en op termijn mogelijk erven. Mochten [eiser 2] en [eiser 3] te zijner tijd als rechtsopvolger onder algemene titel in de rechten en verplichtingen van [eiser 1] treden, dan zal een tussen [eiser 1] en de Staat gewezen vonnis ook hen binden. [eiser 2] en [eiser 3] zullen dus niet-ontvankelijk worden verklaard.

De Stichting heeft hooguit een van de Staat afgeleide positie. Niet valt in te zien waarom [eiser 1] , naast de Staat, ook de Stichting in deze procedure hebben betrokken. [eiser 1] heeft dit, tegenover het betoog van de Staat, niet dan wel onvoldoende toegelicht. De tegen de Stichting ingestelde vorderingen zullen dus worden afgewezen.

Hierna zullen daarom uitsluitend nog de vorderingen worden besproken tussen [eiser 1] en de Staat.

Gestelde schendingen van de last

[eiser 1] betoogt dat vanaf 2010 de schendingen van de last zich hebben ‘opgestapeld’ en wel enerzijds vanwege a) het niet tentoonstellen van de in 3.3 genoemde schilderijen en anderzijds door b) het verplaatsen van de schilderijen buiten het Mauritshuis. [eiser 1] stelt dat de last is geschonden doordat:

1. ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding slechts vijf van de 25 in 3.3 genoemde schilderijen werken in het Mauritshuis werden tentoongesteld;

2. het merendeel van de in 3.3 genoemde schilderijen in depot is ondergebracht, binnen of buiten de muren van het Mauritshuis;

3. het schilderij ‘Portret van een dame’ door Peter Soutman (zie r.o. 3.3 onder 17) geruime tijd in de ‘Galerij’ heeft gehangen, een dependance van het Mauritshuis die zich op 500 meter afstand van het Mauritshuis bevindt en dat

4. Abraham Calraets ‘Stilleven met perziken en druiven’ (zie r.o. 3.3 onder 3) ondanks het expliciete verplaatsingsverbod, in bruikleen is gegeven aan het Bredius Museum voor de tentoonstelling “Geen Cuyp, wel Calraet”.

De Staat betwist dat hij de last heeft geschonden. Om dit een en ander te kunnen beoordelen, zal de rechtbank eerst nagaan wat de last precies inhoudt.

Wat houdt de aan het legaat verbonden last in? Juridisch kader

Partijen strijden over de vraag of de Staat de aan het legaat verbonden last heeft geschonden. Om dit te kunnen beoordelen moet duidelijk zijn wat de last precies inhoudt. Het hof heeft in zijn arrest in de [naam procedure] (zie r.o. 3.8) geoordeeld dat het aan de rechter is om te beoordelen of in het geval van het legaat aan de Gemeente (volgens de normen van [land] recht) sprake is van een onduidelijke testamentaire bepaling en zo ja, welke uitleg dan aan deze bepaling moet worden gegeven (r.o.12). Ook voor wat betreft de aan het legaat aan de Gemeente verbonden last geldt dat de betekenis daarvan moet worden vastgesteld met inachtneming van het [land] recht (r.o. 24). Vervolgens heeft het hof overwogen dat de tekst van het legaat aan de Gemeente niet geheel duidelijk is, maar dat er enige ruimte voor onzekerheid is over de betekenis van de bewoordingen van dat legaat (r.o. 13). Daarbij geldt een lage drempel naar [land] recht voor het aannemen van onduidelijkheid van een testamentaire bepaling (‘enige mate van onzekerheid’) waarbij zelfs toegekomen kan worden aan uitleg indien de bepaling qua bewoordingen duidelijk lijkt te zijn, maar dubbelzinnig kan blijken gelet op de context ervan of de omstandigheden van het geval. Deze uitleg dient te geschieden in overeenstemming met de wil van de erflater.

Bij het onderzoek naar deze wil kan de rechter volgens het [land] recht rekening houden met de omstandigheden van de zaak en met andere geschriften dan het testament zelf, waarbij het er niet toe doet of de geschriften, die de wil van de erflater kunnen verduidelijken, dateren van vóór of na het testament. Hierbij kan op alle extrinsieke soorten van bewijs die geschikt zijn om de bedoeling van de erflater duidelijk te maken een beroep worden gedaan (r.o. 14). Het hof heeft vervolgens vooropgesteld dat het aan de rechter is om te oordelen of de door [eiser 1] aan de orde gestelde handelingen in dit geval wel of niet zijn toegestaan volgens de last (r.o. 25).

Hoewel de rechtbank in deze procedure strikt genomen niet gebonden is aan het arrest van van het hof, is dit arrest ook niet zonder betekenis. Het betreft immers de uitleg van een ander legaat opgenomen in hetzelfde testament van [erflater] . Hierom past de rechtbank het door het hof ten behoeve van de uitleg van het legaat met last vastgestelde juridische kader toe; dit kader komt haar juist voor. Op de in deze zaak relevante argumenten gaat de rechtbank hierna verder in.

Is de last duidelijk ?

Anders dan [eiser 1] acht de rechtbank ook in dit geval de last ‘ils devront rester exposés exclusivement dans ledit Musée’ niet zo klip en klaar dat de rechtbank niet aan uitleg daarvan toekomt. Er is enige ruimte voor onzekerheid over de betekenis van de bewoordingen van dat legaat. Er kan immers, zo blijkt alleen al uit de in deze procedure ingenomen uiteenlopende standpunten, onduidelijkheid bestaan over de exacte omvang van de last. [eiser 1] meent dat de last een absolute tentoonstellingsplicht en een verplaatsingsverbod inhouden. De Staat betoogt dat de last zo moet worden uitgelegd dat, indien werken uit het legaat van [erflater] tentoon worden gesteld, zij tentoongesteld moeten worden in het gebouw waarin zich de collectie van het Mauritshuis bevindt.

Die onduidelijkheid is er ook als de rechtbank inzoomt op de tekst. Vertaald vanuit het Frans naar het Nederlands is onduidelijk of de woorden ‘ils devront rester exposés’ vertaald moeten worden als ‘blijvend geëxposeerd moeten worden’ of ‘geëxposeerd moeten blijven’. Deze vertalingen hebben niet dezelfde betekenis. Ook is onduidelijk wat [erflater] precies heeft bedoeld met de woorden ‘exclusivement dans ledit Musée’. Wat moet er bijvoorbeeld gebeuren als het Mauritshuis ingrijpend wordt verbouwd en de schilderijen daar niet opgehangen kunnen worden?

Hieraan doet niet af dat de consul in 1946 het legaat met last aldus heeft verwoord dat [erflater] ‘zijne gezamenlijke schilderijen, welke zich in het Mauritshuis bevinden aan de Staat heeft gelegateerd, een en ander onder de verplichting dat deze kunstschatten ter plaatse zullen blijven tentoongesteld.’ (zie 3.12) De minister vatte de last in 1946 (onder verwijzing naar de overeenkomst uit 1931, zie 3.11) immers weer net wat anders op. Hij hield het ervoor dat [erflater] aan de Staat had gelegateerd ‘al zijn schilderijen, die sinds lange jaren het Mauritshuis gesierd hebben, onder het beding, dat zij uitsluitend in dat Museum tentoongesteld zullen worden.’ (zie 3.12).

Uitleg van de last

De rechtbank zal hierna trachten de wil van de erflater zoveel mogelijk te achterhalen. Voor wat betreft de omstandigheden waaronder [erflater] zijn testament heeft opgemaakt is relevant dat op dat moment alle gelegateerde schilderijen al geruime tijd in het Mauritshuis op zaal hingen.

Verder kan worden gekeken naar wat [erflater] in zijn eerdere testamenten heeft opgenomen, die, voor zover van belang, zijn aangehaald onder 3.10. In deze testamenten is opgenomen dat de schilderijen tentoongesteld moeten blijven of geplaatst moeten blijven in het Mauritshuis als deel van de verzameling. Nog daargelaten dat deze testamenten inmiddels door het testament van 1944 achterhaald zijn, geldt dat hieruit niet met zekerheid kan worden afgeleid dat [erflater] met de daarin opgenomen bepalingen beoogde dat al zijn werken steeds in het Mauritshuis op zaal zouden worden gehouden en niet mochten worden verplaatst, ook als dit zou betekenen dat werken van (veel) betere kwaliteit dan niet tentoongesteld zouden kunnen worden of als het voor een tijdelijke tentoonstelling nodig was ruimte te maken of als deze bijvoorbeeld gerestaureerd moesten worden. [erflater] was er destijds immers als museumdirecteur al mee bekend dat schilderijen rouleerden. Ook in zijn tijd als museumdirecteur was de collectie van het Mauritshuis niet statisch, maar een levende verzameling. De verzameling werd steeds verder uitgebreid en ook werden er toen al werken in depot opgeslagen, zoals blijkt uit het jaarverslag van het Mauritshuis van 1895, pagina 56, waarin is vermeld dat twee stukken naar het depot waren verhuisd ‘daar hunne plaatsen door betere stukken konden worden ingenomen’. [erflater] was er vanzelfsprekend mee bekend dat wetenschappelijke inzichten nieuw licht zouden kunnen werpen op de herkomst, toeschrijving en kunsthistorische waarde van schilderijen, nog los van de door de jaren heen veranderende opinie en smaak. Ook dit kan nopen tot andere keuzes voor wat betreft de presentatie van de collectie, en dat was al in de tijd van [erflater] als museumdirecteur het geval. Het standpunt van [eisers] dat [erflater] juist daarom met de bewoordingen in de last zou hebben willen zeker stellen dat juist deze stukken wél steeds op zaal moesten hangen overtuigt de rechtbank niet, omdat, als overwogen in r.o. 5.11, die bewoordingen op verschillende manieren kunnen worden uitgelegd.

Tussen de in 3.3 genoemde schilderijen zitten diverse topstukken. Evenwel is niet komen vast te staan dat al deze schilderijen topstukken waren. [erflater] heeft juist enkele van zijn topstukken aan de gemeente Den Haag (museum Bredius) gelegateerd. De aard van de gelegateerde schilderijen leidt dus niet zonder meer tot de conclusie dat [erflater] wel moet hebben bedoeld dat alle in 3.3 genoemde schilderijen steeds in het Mauritshuis op zaal moeten blijven hangen.

Ook uit de correspondentie tussen [erflater] en de in 1931 met de Staat gesloten overeenkomst (r.o. 3.11) kan niet met zekerheid worden afgeleid dat [erflater] met de daarin opgenomen bepalingen beoogde dat al zijn werken steeds in het Mauritshuis op zaal moesten blijven hangen en dat ze niet mochten worden verplaatst. Uit de correspondentie volgt wel dat de Staat er veel aan gelegen was de - al aan de Staat in bruikleen gegeven schilderijen - voor de Rijkscollectie te behouden. Ook blijkt hieruit dat [erflater] een eigenzinnig persoon was, die voor alles wilde afdwingen dat zijn voorwaarden werden nageleefd. Duidelijk was dat hij zou kunnen besluiten om zijn collectie bij een ander museum onder te brengen. Maar hieruit kan niet met zekerheid worden afgeleid wat hij precies heeft beoogd met de gestelde voorwaarden en met name niet dat [erflater] een absolute tentoonstellingsplicht en een verplaatsingverbod voorstond, zoals [eiser 1] betoogt. Uit de (correspondentie voorafgaand aan de) overeenkomst uit 1931en ook uit diverse krantenartikelen van de hand van [erflater] volgt dat hij vooral bevreesd was voor de risico’s die verbonden waren aan het verplaatsen van schilderijen in verband met bruikleen aan andere musea (zie ook de conclusie van [naam 6] , r.o. 3.22).

De omstandigheid dat de Staat na aanvaarding van het legaat er aanvankelijk voor heeft gekozen deze schilderijen steeds in het Mauritshuis op zaal te houden, leidt evenmin tot de conclusie dat de last daartoe ook verplichtte.

In de [naam procedure] (r.o. 3.8) heeft het hof geoordeeld over de aan het legaat van de Gemeente verbonden, gelijkluidende last. Het hof heeft, in navolging van deze rechtbank, beslist dat de last geen absolute tentoonstellingsplicht inhoudt, geen verplaatsingsverbod inhoudt en dat depot onder omstandigheden is toegestaan. Dat wil dus zeggen dat niet ieder voorwerp steeds tentoongesteld behoeft te worden en dat kunstvoorwerpen ook opgeslagen kunnen worden in een depot. [erflater] heeft beide legaten in hetzelfde testament opgenomen. Mede hierom komt de rechtbank ook in deze zaak tot de conclusie dat [erflater] met de last geen absolute tentoonstellingsplicht of verplaatsingsverbod heeft beoogd. In het geval [erflater] voor wat betreft de in 3.3 genoemde schilderijen een andersluidende last voorstond dan bij de aan de Gemeente gelegateerde kunstvoorwerpen, had het voor de hand gelegen dat hij de aan de Staat opgelegde last verder zou hebben geëxpliciteerd en dat hij het niet (net zoals in het geval van de Gemeente) bij dat ene zinnetje had gelaten. De rechtbank gaat er, met andere woorden, vanuit dat [erflater] met dezelfde zin, dezelfde betekenis voor ogen heeft gehad. Zeker nu [erflater] als voormalig museumdirecteur bekend was met de praktijen en ontwikkelingen in de museumwereld, het fenomeen van de zich verder uitbreidende collecties en met het wisselen van opvattingen over welke schilderijen het tonen aan het publiek de moeite waard zijn.

Al het voorgaande in aanmerking genomen, ook in onderling verband en samenhang beschouwd, komt de rechtbank tot de conclusie dat de last aldus moet worden uitgelegd dat deze geen absolute tentoonstellingsplicht inhoudt en ook geen verplaatsingsverbod. Dat er schilderijen van het in 3.3 genoemde legaat in depot worden gehangen is hierom op zichzelf toegestaan.

De gestelde schendingen onder 1 en 2 - zichtbaarheid van de collectie en (extern) depot

De omstandigheid dat volgens [eiser 1] op het moment van dagvaarden vijf van de 25 schilderijen op zaal hingen en de overige schilderijen in depot hingen (en ten tijde van de mondelinge behandeling tien van de 25 schilderijen op zaal hingen) leidt, gezien het voorgaande, niet tot schending van de last. Dat - zoals namens de Staat ter zitting is verklaard - over de afgelopen jaren gemiddeld genomen 60% van het legaat in depot heeft gehangen maakt dit niet anders. Namens de Staat is toegelicht dat het Mauritshuis, als topmuseum, keuzes maakt bij de opstelling mede om zoveel mogelijk bezoekers te trekken. De collectie van het Mauritshuis is uitgebreid, de Stichting beheert meer stukken dan zij in het Mauritshuis (en de Galerij) tentoon kan stellen. Verder moeten schilderijen uit het legaat soms eerst gerestaureerd worden (vergeeld vernis) alvorens ze tentoongesteld kunnen worden. De Staat heeft onweersproken gesteld dat de topstukken in principe steeds op zaal hangen, dat wisselt welke schilderijen in depot hangen en ook dat niet is beslist dat bepaalde schilderijen helemaal niet meer uit het depot worden gehaald.

Vaststaat dat alle schilderijen ook te zien zijn via de website van het Mauritshuis. Als een schilderij in depot hangt wordt op de website vermeld ‘Niet te zien’. Een medewerker van het Mauritshuis heeft onlangs (op 6 november 2025) op een verzoek tot bezichtiging van schilderijen in het depot per e-mail afwijzend gereageerd. In reactie hierop is ter zitting namens de Staat verklaard dat de vermelding op de website minder gelukkig is, dat men nog zoekt naar een andere wijze van vermelding, dat het publiek kan aanvragen om een stuk dat in depot is te mogen zien, dat de Stichting ongeveer vijf van deze verzoeken per jaar krijgt, meestal van kunsthistorici, en dat dergelijke verzoeken in het algemeen worden gehonoreerd. In het geval van het verzoek van 6 november 2025 kwam het verzoek op een donderdagmiddag binnen voor de daarop volgende zaterdag om 16:00 uur. Binnen deze periode was het helaas niet mogelijk dit verzoek te honoreren. [eiser 1] heeft dit alles niet meer weersproken. Hierom gaat de rechtbank ervan uit dat ook schilderijen die in depot hangen in beginsel op aanvraag fysiek kunnen worden bekeken.

Tegenover de gemotiveerde betwisting door de Staat is niet komen vast te staan dat voor de in 3.3 genoemde schilderijen van een extern depot gebruik is of wordt gemaakt. Namens de Staat is te kennen gegeven dat men - gezien de uitleg die de familie [eiser 1] geeft aan de last - gebruik van een extern depot niet aandurft. De onder 1 en 2 gestelde schendingen gaan niet op.

De Staat heeft duidelijk gemaakt waarom hij voor alle tot de collectie van het Mauritshuis behorende schilderijen (en dus ook voor de in 3.3 genoemde schilderijen) in voorkomende gevallen bij voorkeur gebruik maakt van een extern depot. Het interne depot onder het Mauritshuis ligt namelijk onder Normaal Amsterdams Peil. In het geval de Staat een uitspraak had willen hebben over de vraag of de last het gebruik van een extern depot toelaat, had hij hiertoe een vordering in reconventie moeten instellen.

De gestelde schending onder 3 - de Galerij

Vaststaat dat het schilderij van Pieter Soutman ‘Portret van een dame’ (r.o. 3.3

onder 17) geruime tijd niet in het Mauritshuis maar in de Galerij heeft gehangen. Dit geldt

ook voor de overige in r.o. 3.18 genoemde schilderijen. Hierom moet de rechtbank nagaan

of de last hierdoor is geschonden.

Naar het oordeel van de rechtbank moeten met name de bewoordingen ‘dans ledit Musée’ zo worden uitgelegd dat de in 3.3 genoemde schilderijen moeten worden opgehangen in het gebouw dat bestemd is om de vaste collectie van het Mauritshuis te tonen. [erflater] wilde kennelijk vooral dat zijn schilderijen tot de collectie van het Mauritshuis zouden behoren. Dit volgt uit de omstandigheid dat hij - blijkens zijn testamenten - steeds heeft beoogd de schilderijen aan het Mauritshuis te legateren en rijmt ook met de specifiekere clausules die hij in zijn eerdere testamenten opnam (zie bijvoorbeeld in het testament van 19 juli 1936, in r.o. 3.10 dat de schilderijen tentoongesteld moeten blijven in het Mauritshuis als deel van de verzameling ook al mocht een ander deel van de verzameling naar een andere plaats worden vervoerd, tenzij dit ten gevolge van een grote verbouwing of herstelling onvermijdelijk zou zijn”). [erflater] had kennelijk begrip voor verplaatsing van schilderijen wegens verbouwing of herstel van het Mauritshuis en wilde vooral verplaatsing wegens bruikleen vanwege de daarmee gepaard gaande risico’s (zie ook r.o. 5.14) voorkomen. Uit deze specifiekere clausules volgt niet dat als de Staat een deel van de vaste collectie van het Mauritshuis in een dependance tentoon zou willen stellen dit niet zou zijn toegestaan.

De Staat heeft de Galerij, gezien de door hem - onweersproken - geschetste historische context, als de ‘kraamkamer’ van het Mauritshuis aangeduid. De Staat heeft onweersproken gesteld dat de gebouwen van de Galerij en het Mauritshuis beide eigendom zijn van de Staat. Verder heeft de Staat, tegenover de betwisting door [eiser 1] , voldoende onderbouwd dat het Mauritshuis en de Galerij onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en dat de Galerij organisatorisch en qua beheer onderdeel uitmaakt van en een dependance is van het Mauritshuis. Voldoende gebleken is dat deze situatie statutair verankerd is. Dit volgt bijvoorbeeld uit artikel 3.1 van de meest recente akte van statutenwijziging van de Stichting: “De stichting heeft ten doel het instandhouden, beheren en wetenschappelijk bewerken van de collectie van het Mauritshuis en de Galerij Prins Willem V, alsmede het beheer van de gebouwen Mauritshuis en Galerij Prins Willem V, waarin de collecties zijn gehuisvest, ten einde nu en in de toekomst, met en door middel van die collectie, in die gebouwen de bezoeker te informeren, te onderwijzen en een visueel genot te schenken, en al hetgeen met vorenstaande verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin van het woord.” Vaststaat verder dat schilderijen uit de vaste collectie van het Mauritshuis in de Galerij hangen. Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat de last niet is geschonden, doordat er tot het legaat behorende schilderijen in de Galerij hebben gehangen. Hieraan doet niet af dat de hoofdconservator van het Mauritshuis, de heer [naam 7] , blijkens een artikel in Trouw d.d. 28 juni 2011 heeft verklaard “In het testament staat dat de werken alleen door het Mauritshuis mogen worden tentoongesteld. Daarom hangt dit werk nu ook niet in de Galerij” Deze uiting is voor de uitleg van de last niet relevant. Hieruit volgt immers niet wat erflater [erflater] bij het opmaken van zijn testament voor ogen heeft gestaan.

De gestelde schending onder 4 - bruikleen

Dat Abraham Calraets ‘Stilleven met perziken en druiven’ (zie r.o. 3.3 onder 3) in bruikleen is gegeven aan het Bredius Museum voor de tentoonstelling “Geen Cuyp, wel Calraet” heeft [eiser 1] , tegenover de gemotiveerde betwisting door de Staat, niet voldoende onderbouwd. Weliswaar is dit schilderij in de catalogus van die tentoonstelling opgenomen, maar het is niet daadwerkelijk in bruikleen gegeven. Dit volgt genoegzaam uit het in r.o. 3.21 aangehaalde artikel in het Financieel Dagblad. De onder 4 gestelde schending mist feitelijke grondslag.

Tegenover de betwisting door de Staat is evenmin komen vast te staan dat de in 3.3 genoemde schilderijen aan andere instellingen in bruikleen zijn gegeven. De Staat heeft te kennen gegeven dat men - gezien de uitleg die de familie [eiser 1] geeft aan de last - bruikleen niet aandurft. Eerst ter zitting heeft [eiser 1] , zonder onderbouwing, gesteld dat de schilderijen die in de Galerij hebben gehangen, daar hebben gehangen ten titel van bruikleen. De Staat heeft dit betwist; hiervan kan dus niet worden uitgegaan. Overigens valt niet in te zien waarom de Staat met zichzelf (zie ook r.o. 5.24) een bruikleenovereenkomst zou sluiten. Van de door [eiser 1] gestelde schending van de last is geen sprake.

De Staat heeft betoogd dat publieke toegankelijkheid en collectiemobiliteit, d.w.z. de uitwisseling van collectiestukken tussen musea, bij het Mauritshuis hoog in het vaandel staan. Hierom acht de Staat het - zo begrijpt de rechtbank - wenselijk dat ook de in 3.3 genoemde schilderijen in bruikleen kunnen worden gegeven. De rechtbank behoeft zich, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet te buigen over de vraag of dat is toegestaan. De Staat heeft ook geen vordering in reconventie ingesteld die tot beantwoording van deze vraagt noopt.

Conclusie wat betreft de vervallenverklaring

Kortom, het door [eiser 1] gestelde levert hetzij geen schending op van de last (de gestelde schendingen 1 tot en met 3) dan wel mist feitelijke grondslag (de gestelde schending onder 4). Gesteld noch gebleken is overigens dat de Stichting niet als een goed huisvader voor de in 3.3 genoemde schilderijen zorgdraagt. Voor toewijzing van het onder A gevorderde (vervallenverklaring van het legaat) bestaat geen grond. De daarop voortbouwende vordering onder B (afgifte van de schilderijen aan [eiser 1] ) wordt hierom eveneens afgewezen. Gelet op deze oordelen komt de rechtbank niet toe aan het verweer van de Staat dat [eiser 1] niet in zijn vordering tot afgifte kan worden ontvangen omdat sprake is van een ondeelbare rechtsverhouding met (de rechtsopvolger(s)) van [naam 4] .

Hieraan voegt de rechtbank voor wat betreft de vordering onder B volledigheidshalve nog toe dat deze vordering ook afstuit op het feit dat de Staat niet kan worden verplicht onrechtmatig te handelen jegens mede-erfgenaam [naam 4] dan wel haar rechtsopvolger(s).

In het incident

[eisers] vorderen in het incident de Staat c.s., naar de rechtbank begrijpt op grond van het bepaalde in art. 843a (oud) Rv, afgifte van diverse stukken. Ook vorderen zij op de voet van art. 223 Rv bij wege van voorlopige voorziening dat de Staat c.s. hen van diverse stukken voorzien.

Welke procespartijen zijn relevant?

Nu [eiser 2] en [eiser 3] niet in hun vorderingen in de hoofdzaak kunnen worden ontvangen, zijn zij evenmin ontvankelijk in hun incidentele vorderingen. Zij zijn immers nog geen erfgenaam. Verder geldt, net als in de hoofdzaak, dat de Staat de partij is die het legaat heeft ontvangen en gehouden is de last uit te (doen) voeren. [eiser 1] heeft onvoldoende toegelicht dat en waarom hij de Stichting in het incident heeft betrokken. De tegen deze gedaagde ingestelde vorderingen zullen dan ook worden afgewezen.

De vorderingen van [eiser 1] tegen de Staat ogen, vooral gezien de periode waarop de vordering betrekking heeft en de aard en inhoud van de gevraagde stukken, als een verboden fishing expedition. [eiser 1] heeft bij de gevorderde stukken bovendien geen rechtmatig belang. Hij heeft zijn vordering gebaseerd op door de rechtbank onjuist bevonden uitgangspunten omtrent de betekenis en de uitleg van de testamentaire last (zoals de gestelde absolute tentoonstellingsplicht, het gestelde verplaatsingsverbod en het gestelde depotverbod). Dat er schilderijen van het in 3.3 genoemde legaat in depot worden gehangen is op zichzelf toegestaan en ook dat ze in de Galerij worden opgehangen. De vorderingen van [eiser 1] zijn hiermee goeddeels gebaseerd op een uitleg van de last die de rechtbank niet volgt. Bij de gevraagde stukken heeft [eiser 1] in zoverre geen belang.

Daarnaast hebben [eisers] , tegenover de gemotiveerde betwisting van de Staat, niet dan wel onvoldoende toegelicht dat de stukken die zij vorderen ook daadwerkelijk bestaan of nodig zijn voor een goede rechtsbedeling. Hoe de Staat en medewerkers van het Mauritshuis decennia intern tegen verschillende kwesties hebben aan gekeken en daarover intern hebben gecorrespondeerd, is voor de gang van zaken toen en de beoordeling van nu niet relevant.

Tot slot is voldoende gebleken dat de Staat zich op gewichtige redenen als bedoeld in art. 843a lid 4 Rv kan beroepen voor zover wordt gevorderd hem te veroordelen stukken te verstrekken die zijn interne besluit- en gedachtevorming betroffen. Een procespartij heeft immers het recht om haar verdediging in vrijheid en beslotenheid voor te bereiden (r.o. 58 van het arrest van het hof).

Verder geldt het volgende. Gezien de periode waarop de vordering betrekking heeft - vanaf het begin van het legaat in 1946 tot heden - in combinatie met de aard en inhoud van de gevraagde stukken, kan het gevorderde naar het oordeel van de rechtbank op één lijn worden gesteld met een vordering tot het doen van rekening en verantwoording. [eiser 1] heeft niet dan wel onvoldoende toegelicht waarom de Staat jegens hem een dergelijke, vergaande, verplichting heeft. Er zijn geen aanknopingspunten gesteld of gebleken dat de last een dergelijke verplichting behelst en dat dit [erflater] voor ogen stond. Een wettelijke verplichting hiertoe ontbreekt evenzeer, ook naar [land] recht. De Staat voert geen beheer over enig vermogen van [eiser 1] ; hij is eigenaar van de Brediuscollectie en is belast met de uitvoering van de last. [eiser 1] heeft niet het recht naleving van de last af te dwingen. Weliswaar kan hij ingeval van schending van de last vervallenverklaring van het legaat vorderen, maar zelfs als die schending komt vast te staan behoeft zijn verzoek niet te worden toegewezen. De rechter heeft immers een discretionaire bevoegdheid op dit punt, zo volgt uit art. 4:131 lid 1 BW.

De rechtsverhouding tussen de Staat en [eiser 1] vertoont hiermee geen dan wel volstrekt onvoldoende verwantschap met in de wet geregelde gevallen waarin een verplichting tot rekening en verantwoording is neergelegd. Ook uit de aangehaalde museale codes volgt zo’n verplichting niet.

Hierbij komt dat noch uit de last, noch uit de ( [land] en de Nederlandse) wet, noch uit voormelde codes kan worden afgeleid dat de Staat verplicht is [eiser 1] voortdurend actief te informeren over de locaties van de kunstwerken uit het legaat of om hem te consulteren over het beheer en onderhoud van de gelegateerde werken. Kortom, [eiser 1] heeft geen toezichthoudende bevoegdheden.

Tot slot voert het naar het oordeel van de rechtbank te ver dat [eiser 1] met deze informatievordering bewijs wil verzamelen om anno 2025/2026 met terugwerkende kracht en kennelijk over de gehele periode vanaf 1946 aan de Staat schendingen van de last te kunnen tegenwerpen. [eiser 1] heeft de onderhavige procedure tegen de Staat vrijwel rauwelijks aangespannen (zie r.o. 3.13). Onduidelijk is gebleven wat er tijdens het gesprek dat een aantal familieleden [eiser 1] met een medewerker van het Mauritshuis heeft gehad in 2014 is besproken. Wat hiervan ook zij, dit gesprek noch een van de eerdere gebleken contactmomenten (e-mails) tussen medewerkers van het Mauritshuis en leden van de familie [eiser 1] kunnen redelijkerwijs worden aangemerkt als een door de erven jegens de Staat geuite klacht over gebrekkige naleving van de last. Dat sprake is van een voortdurende verplichting van de Staat tot nakoming van de last en dat voor het vorderen van vervallenverklaring geen voorafgaande ingebrekestelling vereist is, maakt niet dat erfgenamen, zoals [eiser 1] , niet tijdig behoeven te klagen over een vermoede gebrekkige nakoming van een last. Gelet op de ingrijpendheid van de rechtsgevolgen bij vervallenverklaring mag dit in redelijkheid van een erfgenaam worden verlangd.

De vorderingen in het incident zullen om al deze redenen worden afgewezen.

Wisselbepaling art. 69 Rv

De rechtbank ziet er in dit geding vanaf de wisselbepaling (art. 69 Rv) toe te passen. Weliswaar had [eiser 1] , gezien het bepaalde in art. 4:131 BW, de vervallenverklaring bij verzoekschrift moeten verzoeken, maar dit geldt niet voor de vordering onder B. Het komt in strijd met de goede procesorde en met de proceseconomie om de zaak op deze onderdelen uit te splitsen. Ook beide partijen houden bij voorkeur de zaak bij elkaar. De rechtbank zal hierom in dit vonnis over alle vorderingen beslissen.

Proceskosten hoofdzaak en in het incident

[eisers] worden zowel in de hoofdzaak als in het incident in het ongelijk gesteld. Zij moeten daarom de proceskosten (inclusief eventuele nakosten) aan de Gemeente c.s. vergoeden.

De proceskosten van de Staat c.s. begroot de rechtbank in de hoofdzaak op:

- griffierecht

688,00

- salaris advocaat

1.959,00

(3 punten × € 653,00)

- nakosten

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

2.836,00

De proceskosten van de Staat c.s. worden in het incident begroot op:

- salaris advocaat

653,00

(1 punt × € 653,00)

- nakosten

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

842,00

De proceskostenveroordelingen worden, zoals gevorderd, zowel in de hoofdzaak als in het incident vermeerderd met de wettelijke rente en uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

6. De beslissing

De rechtbank

in de hoofdzaak

verklaart [eiser 2] en [eiser 3] niet-ontvankelijk;

wijst het door [eiser 1] gevorderde af;

veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 2.836,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;

veroordeelt [eisers] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de in r.o. 6.3 genoemde proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;

verklaart r.o. 6.3 en 6.4 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

in het incident

verklaart [eiser 2] en [eiser 3] niet-ontvankelijk;

wijst het door [eiser 1] gevorderde af;

veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 842,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;

veroordeelt [eisers] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de in 6.8 genoemde proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;

verklaart r.o. 6.8 en 6.9 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Alt-van Endt, mr. I.A.M. Kroft en mr. D.E. Alink en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.

1308

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand