Rechtbank DEN HAAG
2. De tenlastelegging 2
3. De bevoegdheid van de rechtbank en de ontvankelijkheid van de officier van justitie 6
4. De beoordeling van de tenlastelegging 6
5.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde 25
6.De strafbaarheid van de verdachte 25
7. De strafoplegging 25
8 De vordering van de benadeelde partij 29
9.De toepasselijke wetsartikelen 31
10. De beslissing 32
Bijlage I - bewijsmiddelenoverzicht 35
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 71/268956-23
Datum uitspraak: 5 juni 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1976 te [geboorteplaats] ( [land] ),
BRP-adres: [adres] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] .
Inhoudsopgave
1. Het onderzoek ter terechtzitting 2
Het standpunt van de officier van justitie 6
Het standpunt van de verdediging 6
Het oordeel van de rechtbank 6
Het standpunt van de officier van justitie 6
Het standpunt van de verdediging 7
Bewijsoverwegingen 7
Feitelijke vaststellingen 7
Betrouwbaarheid verklaring [zus 1] en verkregen IS-administratie 10
Facebookaccount “ [naam 4] ” 11
Ten aanzien van feit 2: deelname aan een terroristische organisatie 11
Ten aanzien van feit 3: voorbereidingshandelingen 14
Ten aanzien van feit 4: kind in hulpeloze toestand brengen en/of laten 16
Ten aanzien van feit 5: onttrekken aan het ouderlijk gezag 16
Ten aanzien van feit 1: rekruteren en inzetten van kindsoldaten 17
4.3.8.1. Juridisch kader rekruteren en inzetten van kindsoldaten 17
4.3.8.2 Juridisch kader medeplichtigheid 20
4.3.8.3. Beoordeling rechtbank 20
De bewezenverklaring 25
De vordering van de officier van justitie 25
Het standpunt van de verdediging 25
Het oordeel van de rechtbank 26
Het standpunt van de officier van justitie 29
Het standpunt van de verdediging 29
Het oordeel van de rechtbank 29
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 15 augustus 2024, 23 oktober 2024, 7 januari 2025, 26 maart 2025, 5 juni 2025, 27 augustus 2025, 12 november 2025 en 2 februari 2026 (alle pro forma), 27 maart 2026 en 22 mei 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mr. C.J. Kroon en mr. M.A. van der Vlugt (hierna: de officier van justitie) en van hetgeen door de verdachte en haar raadslieden mr. B. Kizilocak en mr. N.F. Christiansen naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
3. De bevoegdheid van de rechtbank en de ontvankelijkheid van de officier van justitie
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 27 maart 2026 - ten laste gelegd dat:
1
een of meer leden van Islamitische Staat, althans een of meer personen,
in of omstreeks de periode van 1 oktober 2015 tot en met 16 augustus 2016 te Al
Bab, Raqqa, en/of Tabqa, althans in een of meer plaatsen in Syrië en/of Irak,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
in verband met een niet-internationaal gewapend conflict op het grondgebied van
Syrië en/of Irak
een kind beneden de leeftijd van vijftien jaar, te weten [minderjarige 1]
bij de nationale strijdkrachten of groepen onder de wapenen heeft/hebben
geroepen of in militaire dienst heeft/hebben genomen dan wel hem heeft/hebben
gebruikt voor actieve deelname aan vijandelijkheden
door
- die [minderjarige 1] aan een Sharia-kamp en/of een Askari-kamp, althans een of
meer militair(e) trainingskamp(en), deel te laten nemen en/of
- hem in te lijven bij en/of werkzaamheden te laten verrichten voor de militaire
politie van Islamitische Staat (al-shurta al-'askariyya) en/of een (ander) onderdeel van de strijdkrachten of groepen van Islamitische Staat,
tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte, in of omstreeks de periode van
1 september 2014 tot en met 16 augustus 2016 in Naaldwijk, althans in Nederland,
Istanbul, Gaziantep, en/of Hatay, althans in Turkije, Al Bab, Raqqa en/of Tabqa,
althans in Syrië, en/of Irak, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk
gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door
- haar zoon [minderjarige 1] over te brengen naar het gebied in Syrië en/of Irak dat in handen was van Islamitische Staat (IS-gebied) en/of
- toe te laten en/of na te laten te beletten dat haar zoon [minderjarige 1] deelnam
aan voornoemd Sharia- en/of Askari-kamp, althans een of meer militair(e)
trainingskamp(en) en/of werd ingelijfd bij en/of werkzaamheden verrichtte voor de
militaire politie van Islamitische Staat (al-shurta al-'askariyya) en/of een (ander) onderdeel van de strijdkrachten of groepen van Islamitische Staat;
terwijl zij, verdachte, kennis had of had moeten hebben van het bestaan van het
(niet-internationaal) gewapend conflict op het grondgebied van Syrië en/of Irak.
2
zij
in de periode van 01 november 2014 tot en met 01 januari 2019, in Syrië
en/of Irak,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie, te weten Islamitische Staat
(IS), althans (een) organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat, welke
organisatie(s) tot oogmerk had(den) en/of heeft/hebben het plegen van
terroristische misdrijven, te weten,
A. het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl
daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel
en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten
gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht),(te)begaan met
een terroristisch oogmerk en/of
B. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a
van het Wetboek van Strafrecht) en/of
C. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel
289/289a jo. 83 van het Wetboek van Strafrecht) en/of
D. de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of
bevordering tot eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176a en/of
289a en/of 96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht) en/of
E. het voorhanden hebben van een of meerdere wapens en/of munitie van de
categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en
munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om een
terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in
artikel 55 lid 1 en/of lid 5 van de Wet wapens en munitie);
3
zij in de periode van 1 januari 2013 tot en met 01 januari 2019, in Nederland, Turkije en/of Syrië en/of Irak,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
met het oogmerk om ter voorbereiding en/of ter bevordering van de te plegen misdrijven:
- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft,(te)begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 157 jo 176a van het Wetboek van Strafrecht) en/of
- doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of
- moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289 jo 83 van het Wetboek van Strafrecht)
- een ander heeft trachten te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en/of
- gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf aan zichzelf of aan anderen heeft verschaft en/of
- voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan zij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van het misdrijf, immers heeft/is verdachte,
A. zich het radicaal-extremistisch gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd met een terroristisch oogmerk, gevoerd door terroristische organisaties zoals de Islamitische Staat (IS), danwel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) of Islamic State of Iraq and Levant (ISIL) eigen gemaakt en/of
B. zich laten informeren over het afreizen naar en/of verblijven in het strijdgebied in Syrië en/of Irak en/of
C. de reis naar Syrië en/of Irak gemaakt teneinde zich te begeven naar het strijdgebied, althans naar een door de terroristische organisatie IS gecontroleerd gebied en/of
D. op Islamitische wijze een huwelijk aangegaan met IS-lid [naam 1] en/of een gezamenlijk huishouden gaan voeren met de IS-leden [naam 1] , [naam 2] , [minderjarige 1] en/of [naam 3] , althans een of meer personen die eveneens deelnamen aan de terroristische organisatie IS en/of
E. haar zoon [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2001, behulpzaam geweest bij en/of in staat gesteld om deel te nemen aan IS-trainingskampen en/of de militaire politie van IS en/of een gevechtseenheid van IS, althans een bijdrage te leveren aan de gewapende Jihadstrijd gevoerd door de terroristische organisatie IS;
F. een vuurwapen, te weten een Kalasjnikov toebehorende aan [naam 1] , voorhanden gehad
4
zij in de periode van 18 oktober 2014 tot en met 1 januari 2018 in Nederland, Turkije, Syrië en/of Irak,
opzettelijk haar minderjarig kind genaamd [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2001, tot wiens onderhoud, verpleging en verzorging zij als moeder van [minderjarige 1] krachtens de wet verplicht was,
in een hulpeloze toestand heeft gebracht en/of heeft gelaten,
door met [minderjarige 1] naar Syrië en/of Irak te reizen en hem mee te nemen naar en langdurig te laten verblijven in een gebied waar gewapende conflicten aan de gang waren en/of oorlogsgeweld heerste en/of
[minderjarige 1] te laten aansluiten en deelnemen aan de terroristische organisatie IS en/of laten deelnemen aan gevechts- en/of geweldsactiviteiten ten behoeve van IS, althans voornoemde handelingen van [minderjarige 1] niet te verhinderen,
ten gevolge waarvan [minderjarige 1] in 2017 in Syrië is overleden;
5
zij
in of omstreeks de periode van 18 oktober 2014 tot en met 21 februari 2018 te
Nederland, Turkije, Syrië en/of Irak, opzettelijk haar minderjarige kinderen [minderjarige 2]
(geboren op [geboortedatum 3] 2000) en [minderjarige 1] (geboren op [geboortedatum 2]
2001)
heeft onttrokken en/of onttrokken heeft gehouden aan het wettig over die
minderjarigen gestelde gezag van de vader, [de vader] ,
immers heeft verdachte de kinderen vanuit Nederland via Turkije meegenomen
naar Syrië en/of Irak en de kinderen aldaar gehouden en niet teruggebracht naar
Nederland, waarbij zij list heeft gebezigd door tegenover [de vader] voor te
doen alsof zij met de kinderen op vakantie zou gaan in Turkije
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank rechtsmacht heeft ten aanzien van de ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het recht tot vervolging van de verdachte ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde op grond van artikel 255 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) inmiddels is verjaard, omdat de maximum op te leggen straf bij overtreding van dit artikel een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren bedraagt.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank Den Haag is ingevolge artikel 15 van de Wet internationale misdrijven (hierna: Wim) bevoegd kennis te nemen van het onder 1 ten laste gelegde misdrijf. De rechtbank stelt verder vast dat met betrekking tot alle ten laste gelegde feiten de Nederlandse strafwet van toepassing is en er dus sprake is van rechtsmacht.
De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde. Aan de verdachte is ten laste gelegd dat zij haar minderjarige zoon [minderjarige 1] in hulpeloze toestand heeft gebracht en gelaten ten gevolge waarvan hij is overleden ex artikel 255 jo. 257 Sr. Artikel 255 Sr stelt – kort gezegd – strafbaar het brengen of laten in een hulpeloze toestand van iemand tot wiens onderhoud of verzorging hij verplicht is. Artikel 257 Sr bepaalt dat indien het in artikel 255 omschreven feit de dood ten gevolge heeft er een gevangenisstraf van maximaal negen jaren opgelegd kan worden. Dit artikel betreft een gekwalificeerde specialis. Op grond van artikel 70, eerste lid, onder 4, Sr bedraagt bij een strafmaximum van negen jaren de verjaringstermijn twintig jaren. Deze termijn is niet verlopen. De officier van justitie is dan ook ontvankelijk in de vervolging.
4. De beoordeling van de tenlastelegging
De verdachte wordt – kort samengevat – verweten dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan het deelnemen aan een terroristische organisatie (feit 2), dat zij voorbereidingshandelingen tot het plegen van terroristische misdrijven heeft verricht (feit 3), dat zij haar minderjarige zoon [minderjarige 1] in een hulpeloze toestand heeft gebracht en gelaten ten gevolge waarvan hij is overleden (feit 4), dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan het onttrekken van haar minderjarige kinderen aan het gezag van de vader (feit 5) en dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid bij en tot het rekruteren en inzetten van haar zoon als kindsoldaat (feit 1).
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde heeft de verdediging vrijspraak bepleit voor alle onderdelen, met uitzondering van het in hulpeloze toestand brengen van [minderjarige 1] . Met betrekking tot het onder 5 ten laste gelegde heeft de verdediging bepleit dat vrijspraak dient te volgen voor het onttrokken houden van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
Voor zover nodig zal de rechtbank hieronder ingaan op de verweren van de verdediging.
Bewijsoverwegingen
Feitelijke vaststellingen
De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond van deze bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten vast.
Islamitische Staat
De organisatie Islamitische Staat in Irak en de Levant (ISIL) riep op 29 juni 2014 het kalifaat uit in de door haar veroverde gebieden in Irak en Syrië. Vanaf dat moment werd de naam ISIL niet langer gebruikt, maar vervangen door Islamitische Staat (hierna: IS). IS wordt omschreven als een jihadi-salafistische organisatie, die opriep tot het op gewelddadige wijze omverwerpen van seculiere regimes. Inwoners van door IS gecontroleerd gebied dienden zich – onder dreiging van extreem geweld – te conformeren aan de door IS gehanteerde interpretatie van de islam.
Aan het hoofd van IS stond, ten tijde van het uitroepen van het kalifaat, Abu Bakr al-Baghdadi, die zichzelf als kalief presenteerde. Moslims werden opgeroepen om de eed van trouw af te leggen aan de kalief. Vanaf de oprichting van IS kenmerkte deze organisatie zich door het systematisch toepassen van extreem geweld, waaronder publiekelijk uitgevoerde executies door middel van onder andere onthoofdingen en kruisigingen. Ook werden terreuraanslagen gepleegd in en buiten het kalifaat. IS en zijn aanhangers verspreidden via internet en sociale media filmpjes van executies van tegenstanders. IS is door de Nederlandse rechter meermaals aangemerkt als een terroristische organisatie.
IS en het rekruteren en inzetten van kindsoldaten
Het dossier bevat een kennisdocument waarin de praktijk van het rekruteren en inzetten van kindsoldaten door IS wordt beschreven en gedocumenteerd.
In de periode dat IS grote delen van Syrië en Irak onder controle had, heeft IS kindsoldaten gerekruteerd en ingezet. Vanaf september 2013 wordt melding gemaakt van de al dan niet gedwongen rekrutering van kinderen in Syrië. Uit video’s en andere publicaties die door mediaorganisaties van IS zijn geproduceerd, blijkt dat IS op verschillende plaatsen in Syrië en Irak trainingskampen voor minderjarigen heeft opgezet. In deze trainingskampen ondergingen kinderen een religieuze training, waarna ze doorstroomden naar een militair trainingskamp. In sommige gevallen werden de religieuze training en de militaire training gecombineerd. De militaire training bestond onder meer uit training in gevechtssporten en wapentraining. Uit IS-documentatie en video’s is gebleken dat IS met de buitenwereld deelde dat hij trainingskampen voor minderjarigen organiseerde.
In 2014 namen meldingen over het rekruteren en de inzet van kinderen bij vijandelijkheden door IS in Syrië en Irak toe. In de regio van de stad Raqqa in het noorden van Syrië waren meerdere trainingskampen voor kindsoldaten. Daar werden kinderen vanaf tien jaar gerekruteerd.
Hoewel IS stelde kinderen beneden de leeftijd van vijftien jaar niet in te zetten bij de aanvallende jihad, was dat in de praktijk niet het geval. Zodra kinderen deelnamen aan militaire trainingskampen, werden zij als rekruten opgenomen binnen IS. Deze rekrutering werd geformaliseerd door het afleggen van een eed van trouw nadat de trainingskampen waren doorlopen. Hierna werden minderjarigen ook daadwerkelijk ingezet door IS bij militaire eenheden, bij de politie of bij administratieve eenheden van de organisatie. Uit administratie van IS blijkt dat kinderen salaris kregen uitbetaald vanaf het moment dat zij formeel ingelijfd waren binnen de groepering. Ook werden kinderen na de formele inlijving doorgaans voorzien van een wapen.
Door kinderen te rekruteren en in te zetten bij de vijandelijkheden vergrootte IS het aandeel van de bevolking dat deelnam aan de strijd, ook op langere termijn. Minderjarige jongens, de ‘welpen van het Kalifaat’, werden als strijders van de toekomst gezien.
Voorbereiding en uitreis naar Syrië door de verdachte met haar kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
In de loop van 2012 verdiepte de verdachte zich in het islamitisch geloof en kwam daarbij in aanraking met de website Ansaar.nl, een islamitisch forum. Op dit forum had zij contact met een groep genaamd Sharia4Belgium. Zij voerde gesprekken met haar zus [zus 1] (hierna: [zus 1] ) over de situatie in Syrië en de komst van IS. Zij vond dat het iets heel goeds was wat IS daar deed, en dat IS de islamitische staat was en dat er zo geleefd moest worden. Toen [zus 1] aankaartte dat mensen verbranden niet mag van de islam zei de verdachte: “ja maar die kuffar dit en dat.” De verdachte wist in die tijd ook dat op grond van de sharia lijfstraffen werden opgelegd.
De verdachte heeft rond mei 2014 een Facebookaccount aangemaakt. Via dit account is zij in contact gekomen met [naam 1] (hierna: [naam 1] ), een man afkomstig uit Denemarken die in februari 2013 naar Syrië was gereisd. In juli 2014 was hij als strijder aangesloten bij IS en opgenomen in een eenheid genaamd ‘Katiba 57’ in de stad Al Bab, een stad in Syrië in de nabijheid van de grens met Turkije.
Op het Facebookaccount van [naam 1] zijn berichten over IS en de jihad geplaatst, waaronder:
op 22 juli 2014 het bericht, vertaald naar het Nederlands: “Mashallah een vrouw die veel beter is dan de zittende zogeheten mannen vrouwen zijn in jihad …” met een foto van een gewapende vrouw in niqab die waarschijnlijk een bomgordel draagt;
op 26 juli 2014 een afbeelding van Al-Baghdadi, de leider van IS, gedeeld met de tekst “De gelovige vorst – Ik offer mezelf op voor jou.”; en
op 26 juli 2014 een foto van [naam 1] waarbij hij knielt bij een afgehakt hoofd en er naar wijst met zijn rechterwijsvinger. [naam 1] draagt op dat moment zwarte kleding met diagonaal een riem/band met de tekst “Islamitische Staat in Irak en Syrië”. De foto is genomen op het Plein van de Hemel in Raqqa.
Op 23 juli 2014 wordt een Nederlandstalige reactie gegeven op het bericht van 22 juli 2014 door “ [naam 4] ” (hierna: [naam 4] ), namelijk: “Maa Sha Allaah zij is een voorbeeld voor ons…..en mannen zitten thuis, wallahi de mannen moeten zich echt schamen!!” Zes dagen later, op 29 juli 2014, staat op het account van [naam 4] vermeld dat zij is getrouwd met [naam 1] , welke vermelding ook op het account van [naam 1] staat.
De rechtbank gaat, zoals hierna nog verder toegelicht, ervan uit dat het de verdachte is geweest die als [naam 4] contact heeft gelegd met [naam 1] en op haar Facebookaccount te kennen heeft gegeven met hem te zijn getrouwd.
De verdachte heeft zich in de maanden na haar eerste contact met [naam 1] via Facebook voorbereid om naar hem toe te gaan. In augustus 2014 regelde zij voor haarzelf en haar twee minderjarige kinderen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (verder te noemen: [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ), nieuwe paspoorten. In september 2014 heeft de verdachte de vader van haar kinderen, genaamd [de vader] (verder te noemen: [de vader] ), gevraagd om toestemming om met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar het buitenland af te reizen. De verdachte deelde met hem het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De verdachte was eerder getrouwd met [de vader] en is in 2003 gescheiden. De toestemming om met de kinderen naar het buitenland te reizen, heeft verdachte in oktober 2014 van [de vader] gekregen. In diezelfde periode heeft zij voor haarzelf en de kinderen vliegtickets geboekt naar Istanbul in Turkije. Tegen haar familieleden en haar kinderen had zij gezegd dat zij naar Turkije zou gaan om daar haar nieuwe man te ontmoeten.
In oktober 2014 heeft de verdachte haar woning leeggeruimd en haar spullen verkocht, en op 20 oktober 2014 is de verdachte met haar kinderen vanaf Schiphol vertrokken naar Istanbul, Turkije. Zij heeft geld opgenomen op Schiphol en in Istanbul en Ankara. Eenmaal in Turkije is de verdachte na telefonische instructie van [naam 1] met de kinderen met een bus naar het grensgebied van Oost-Turkije en Syrië gereisd. Daar zijn zij begin november 2014 de grens lopend overgestoken. Eenmaal in Syrië ontmoette de verdachte [naam 1] en traden zij vrijwel meteen op islamitische wijze in het huwelijk.
In Nederland werd duidelijk dat de kinderen niet meer op school kwamen en dat de woning van de verdachte in Nederland was leeggehaald en achtergelaten met een huurachterstand. [zus 1] ontving begin november het bericht van [minderjarige 1] dat de verdachte met haar kinderen in Syrië was. [de vader] deed op 12 november 2014 aangifte van het onttrekken van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan het ouderlijk gezag.
Verder verloop van het verblijf in IS-gebied
De verdachte woonde met haar twee kinderen en [naam 1] vanaf begin november 2014 in de stad Al Bab. Een jonge vrouw, genaamd [naam 5] (hierna: [naam 5] ), woonde in die tijd een aantal weken in hun woning. Deze getuige heeft in de woning in Al Bab een foto gemaakt van haarzelf met [minderjarige 2] met op de achtergrond een IS-vlag aan de muur. [naam 5] verklaarde dat de verdachte haar te modern en te westers vond, hetgeen niet wenselijk werd gevonden voor [minderjarige 2] .
De verdachte voerde tot met juni 2015 een gezamenlijke huishouding met [naam 1] , die toen aangesloten was bij de ‘Katiba 57’. [naam 1] bewaarde thuis een vuurwapen. In diezelfde tijd trouwde [minderjarige 2] , dan vijftien jaar oud, met [naam 2] (verder te noemen: [naam 2] ), een man die ook was aangesloten was bij IS, en die in die tijd bij de verdachte en haar gezin introk.
In de tweede helft van 2015 heeft [naam 1] de scheiding uitgesproken en is hij ergens anders gaan wonen. De verdachte is in december 2015 bevallen van een zoon. Rond die tijd verhuisde zij met haar kinderen en [naam 2] van Al Bab naar Raqqa.
[minderjarige 1] , de zoon van de verdachte en toen veertien jaar oud, is rond oktober 2015 in een IS-kamp terechtgekomen, waar hij gedurende enige tijd heeft verbleven. De verdachte zelf heeft daarover verklaard dat [minderjarige 1] na een maand tot zes weken op enig moment is thuisgekomen. Hoe [minderjarige 1] precies in het IS-kamp terecht is gekomen, is niet duidelijk geworden. De verdachte en haar dochter [minderjarige 2] verklaren daar verschillend over. In IS-administratie staat geregistreerd dat [minderjarige 1] aan twee kampen heeft deelgenomen: een zogenaamd sharia-kamp en een zogenaamd askari-kamp, de rechtbank begrijpt kampen voor religieuze en militaire training. Ook staat geregistreerd dat [minderjarige 1] vanaf midden januari 2016 is ingedeeld bij de militaire politie in Raqqa, dat hij een vuurwapen in zijn bezit had en dat hij maandelijks een inkomen ontving waarmee hij één volwassene en één kind onderhield. De verdachte heeft hierover verklaard dat [minderjarige 1] eten kookte en schoonmaakte bij een politieonderdeel in de buurt. [minderjarige 1] is op [geboortedatum 2] 2016 vijftien jaar oud geworden. In de verkregen IS-administratie is een briefje van de verdachte aangetroffen waarin zij op 21 september 2016 de gouverneur van Raqqa vroeg om financiële steun, nu de eerdere steun van de katiba van haar zoon was gestopt. Uit de IS-administratie is verder gebleken dat [minderjarige 1] rond april 2017 is overgeplaatst naar een afdeling voor bewaking en gevecht waarna hij op 10 juni 2017 is overleden bij bombardementen ten noorden van Raqqa.
Nadat [naam 2] begin 2016 het gezin had verlaten, hertrouwde [minderjarige 2] drie maanden later met [naam 3] (hierna: [naam 3] ), eveneens een IS-strijder. [naam 3] is op 22 september 2017 overleden tijdens een bombardement. In oktober 2017 is [minderjarige 2] bevallen van een dochtertje.
In december 2017 zijn de verdachte, [minderjarige 2] en hun twee kinderen weggevlucht uit Raqqa
naar Baghouz. Zij kwamen uiteindelijk eind 2018 terecht in het door de Koerden gecontroleerde vluchtelingenkamp Al Hol. Twee jaar later is het gezin overgeplaatst naar Al Roj. De verdachte is op 7 mei 2024 met haar dochter en hun kinderen vanuit Al Roj naar Nederland teruggekomen, alwaar zij is aangehouden en in voorlopige hechtenis is genomen.
Betrouwbaarheid verklaring [zus 1] en verkregen IS-administratie
De verdediging heeft de betrouwbaarheid van de verklaringen van [zus 1] en de verkregen IS-administratie betwist.
[zus 1] heeft vanaf november 2014 op verschillende momenten contact gehad met de politie en is op 8 april 2025 door de politie als getuige gehoord. Zij heeft vanaf het eerste contact met de politie openheid van zaken gegeven. De rechtbank is van oordeel dat [zus 1] op de relevante onderdelen concreet, gedetailleerd en consistent heeft verklaard. Bovendien wordt haar verklaring in voldoende mate ondersteund door andere bevindingen in het dossier, zoals de bevindingen van de wijkagent en de verklaringen van de moeder en een andere zus van de verdachte. De rechtbank acht de verklaring van [zus 1] daarom betrouwbaar en daarmee bruikbaar voor het bewijs.
De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de NMEC-documenten voor zover zij die tot het bewijs heeft gebezigd. Zij gebruikt dit bewijs wel met de nodige behoedzaamheid. Een aantal gegevens zoals opgenomen in deze NMEC-documenten, bijvoorbeeld het gebruik van de verschillende kunya’s (bijnamen) voor [minderjarige 1] , verdachte zelf en haar dochter, en dat [minderjarige 1] naar kampen is gegaan, bij de militaire politie heeft gewerkt, uitbetalingen heeft gehad, daarmee twee familieleden onderhield en is heringedeeld, blijken onder meer ook uit de verklaringen van de verdachte zelf, de verklaringen haar dochter en uit andere documenten, zoals de brief van verdachte waarin zij de gouverneur van Raqqa vraagt om een toelage.
Facebookaccount “ [naam 4] ”
Zoals hiervoor overwogen gaat de rechtbank ervan uit dat het Facebookaccount “ [naam 4] ” van de verdachte is. De verdediging heeft dit betwist. Uit het dossier blijkt hierover het navolgende.
De verdachte heeft verklaard dat zij een Facebookaccount had aangemaakt en dat zij middels dit account contact had met [naam 1] . [zus 1] heeft verklaard dat de verdachte op de website Ansaar.nl gebruik maakte van de gebruikersnaam “ [naam 4] ”. Ook valt op dat het account “ [naam 4] ” in het Nederlands heeft gereageerd op het account van [naam 1] en meldt dat zij op 29 juli 2014 getrouwd is met [naam 1] . Gelet hierop, ook in onderlinge samenhang bezien, stelt de rechtbank vast dat de verdachte de gebruiker was van het Facebookaccount “ [naam 4] ”.
Ten aanzien van feit 2: deelname aan een terroristische organisatie
Onder feit 2 wordt de verdachte deelname aan een terroristische organisatie verweten. Het relevante juridisch kader aan de hand waarvan dit feit beoordeeld dient te worden, laat zich als volgt samenvatten.
Terroristische organisatie
Artikel 140a, eerste lid, Sr ziet op deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven. Het oogmerk van de organisatie – een samenwerkingsverband in al dan niet wisselende samenstelling – moet zijn gericht op het plegen van (specifieke) terroristische misdrijven die zijn opgesomd in artikel 83 Sr, mits begaan met het in artikel 83a Sr omschreven terroristisch oogmerk.
Onder terroristisch oogmerk wordt ingevolge artikel 83a Sr verstaan het oogmerk om de bevolking of een deel der bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen.
Voor het bewijs van het oogmerk kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie al zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking zoals dat kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.
Het gaat bij het misdrijf van artikel 140a Sr niet om het daadwerkelijk gepleegd zijn van terroristische misdrijven, maar om het oogmerk tot het plegen van die misdrijven. Ook indien de organisatie het plegen van terroristische misdrijven als naaste doel nastreeft is van het in art. 140(a) Sr bedoelde oogmerk sprake. Het is niet vereist dat het plegen van terroristische misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is.
Deelneming
Van deelneming aan een terroristische organisatie kan slechts dan sprake zijn als de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk tot het plegen van terroristische misdrijven of als de verdachte vorenbedoelde gedragingen ondersteunt. Een dergelijk aandeel kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand en spandiensten die op zichzelf niet strafbaar hoeven te zijn, maar wel strekken tot verwezenlijking van het oogmerk van de terroristische organisatie.
Het daadstrafrechtbeginsel vereist dat tussen het handelen van de deelnemer en de oogmerkverwezenlijking een concreet, wezenlijk en (voldoende) rechtstreeks verband moet bestaan. Het handelen moet van zodanige betekenis zijn dat de verwezenlijking van de beoogde misdrijven daarmee daadwerkelijk realistischer kan worden dan wel dichterbij kan worden gebracht. Dat betekent dat door de rechter toereikend gemotiveerd dient te worden dat de verweten gedragingen (voorbeelden daarvan zijn: het actief uitdragen van de jihadistische ideologie, het aansporen van anderen om (ook) naar strijdgebied Syrië uit te reizen en het voorhanden hebben van (een) (vuur)wapen(s)), op zichzelf dan wel in onderling verband en in samenhang bezien, aan dat criterium voldoen, aldus de advocaat-generaal bij de Hoge Raad.
De rechtbank zal deze richtinggevende overwegingen meenemen bij het invullen van het begrip deelneming.
Opzet
Voldoende is dat de verdachte in zijn algemeenheid – in de zin van onvoorwaardelijk opzet – weet dat de organisatie het plegen van terroristische misdrijven tot oogmerk heeft. Niet is vereist dat de verdachte enige vorm van opzet heeft op de door de terroristische organisatie beoogde concrete misdrijven. Evenmin is vereist dat de verdachte zelf heeft meegedaan of meedoet aan het plegen van misdrijven die door (leden van) de organisatie zijn of worden gepleegd.
IS
Het is inmiddels bestendige jurisprudentie dat IS in de ten laste gelegde periode het oogmerk had om de fundamentele politieke structuur van Syrië en Irak te vernietigen en de bevolking ernstige vrees aan te jagen en dat deelneming aan de gewapende strijd aan de zijde van IS het plegen van terroristische misdrijven met zich brengt. IS bereikte in de ten laste gelegde periode haar doelen, waaronder het ontwrichten, vernietigen en vervangen van bestaande politieke structuren door een structuur gebaseerd op een extreme en gewelddadige interpretatie van de sharia, mede door dood en verderf te zaaien onder ieder die hun extreem fundamentalistische geloof niet deelde. Het opleggen van nieuwe structuren en het uitroepen van het kalifaat zijn inherent verbonden aan het terroristische doel van IS om de bestaande seculiere structuren in Syrië te ontwrichten en te vernietigen. IS kan aldus worden aangemerkt als een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven, als bedoeld in artikel 140a Sr.
Deelneming aan IS door de verdachte
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte heeft deelgenomen aan de terroristische organisatie IS. Vast staat dat de verdachte met haar twee minderjarige kinderen van dan dertien en veertien jaar oud vanaf 20 oktober 2014 via Turkije is afgereisd naar Syrië. Terwijl de verdachte aan anderen had voorgedaan alsof zij in Turkije tijdens een vakantie haar nieuwe echtgenoot zou gaan ontmoeten en zou gaan trouwen, is zij naar het grensgebied van Turkije met Syrië gereisd. Daar is zij samen met haar kinderen en met hulp van derden de grens overgestoken en vrijwel onmiddellijk getrouwd met [naam 1] , waarmee zij al maanden contact had via onder meer Facebook en van wie zij wist dat hij een IS-strijder was.
De verdachte had voor haar uitreis kennis opgedaan over IS, zij wist dat er oorlog was in Syrië en dat IS extreem geweld pleegde ten aanzien van andersgelovigen. Zelfs in 2023 nog geeft de verdachte in een audiobericht aan haar zus [zus 2] te kennen dat zij liever met haar kinderen naar het oorlogsgebied in Syrië trok dan dat zij haar kinderen aan de Nederlandse autoriteiten zou overlaten, hiermee doelend op de problemen van haar dochter in Nederland. De rechtbank wil aannemen dat de reis naar het kalifaat bij de verdachte mede was ingegeven om aan de problemen die zij in Nederland had te ontkomen, maar de keuze om vervolgens naar het oorlogsgebied in Syrië te reizen en te trouwen met een IS-strijder, en de voorbereiding hiervan, is een bewuste keuze van de verdachte geweest.
Door te trouwen met de IS-strijder [naam 1] heeft de verdachte ervoor gekozen om zich met haar kinderen gedurende een lange periode in het kalifaat van IS te vestigen, in Syrië. Zij heeft daarbij met hem, een actieve IS-strijder, een gezamenlijke huishouding gevoerd. De verdachte en haar gezin kwamen rond van het geld dat [naam 1] van IS ontving. Zodoende hebben zij en haar gezin financieel geprofiteerd van IS. Die steun zorgde ervoor dat de verdachte zich kon wijden aan het huishouden en de opvoeding van de kinderen, hetgeen binnen IS als een belangrijke taak van de vrouw werd gezien. [naam 1] beschikte over een vuurwapen, welk vuurwapen ook in dezelfde woning waar de verdachte verbleef werd bewaard, en waarvan zij op de hoogte was.
Ook nadat zij eind 2015 was gescheiden van [naam 1] is de verdachte tot eind 2018, tot aan de uiteindelijke val van het kalifaat, in Syrië gebleven. De verdachte heeft ervoor gekozen om zich tot de plaatselijke autoriteiten van IS te wenden, zoals blijkt uit de documenten uit de verkregen IS-administratie, om een toelage te vragen. Zij was, evenals haar kinderen, in die periode ook met naam en persoonsnummer geregistreerd in de administratie van IS.
De deelname van de verdachte aan de terroristische organisatie IS blijkt voorts uit het feit dat zij zowel haar minderjarige dochter als haar minderjarige zoon aan IS ter beschikking heeft gesteld.
Zij heeft immers toegelaten dat haar destijds vijftienjarige dochter [minderjarige 2] binnen een halfjaar na aankomst in Syrië met een IS-strijder is getrouwd en een jaar later opnieuw met een andere IS-strijder is getrouwd, en met beiden een gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd. Door zo te handelen heeft zij naar het oordeel van de rechtbank haar dochter ter beschikking gesteld aan het gedachtengoed van IS, in die zin dat de bijdrage van de vrouw in de visie van IS bestaat uit de zorg voor haar man, voor het huishouden, voor het voortbrengen van kinderen en de opvoeding van hen in de geest van de jihad, om zodoende het kalifaat, en daarmee de organisatie IS, uit te breiden.
De verdachte heeft, zoals de rechtbank hierna nog zal toelichten, voorts niet verhinderd dat haar dan veertienjarige zoon twee IS-kampen heeft gevolgd en vervolgens is ingedeeld bij een onderdeel van IS, te weten de militaire politie, en later bij een zogenaamde ‘afdeling voor bewaking en gevecht’, de rechtbank begrijpt: een gevechtseenheid. De verdachte heeft de gouverneur van Raqqa zelfs nog geschreven met het verzoek om doorbetaling van de toelage die haar zoon mede voor haar ontving van de katiba. Door op deze wijze haar minderjarige zoon te laten opleiden en werkzaamheden te laten verrichten voor IS en daarvan financieel te profiteren, heeft de verdachte deze organisatie ondersteund in het verwezenlijken van haar criminele oogmerk.
Concluderend heeft de verdachte door haar handelen, ingegeven door haar bewuste keuze om in IS-gebied te verblijven en door het feit dat zij haar beide kinderen aan IS ter beschikking heeft gesteld, de invloedssfeer van IS getalsmatig versterkt. De verdachte heeft aldus gedragingen verricht die strekten tot of rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het terroristische oogmerk van IS, terwijl de verdachte van het terroristische oogmerk van deze organisatie in zijn algemeenheid op de hoogte was. Zij wist immers van het kalifaat en het extreme geweld dat IS gebruikte, zoals uit haar verklaring bij de politie, maar ook vooraf en achteraf uit uitlatingen aan haar beide zussen bleek.
Alle voornoemde feiten en omstandigheden, ook in onderling verband en samenhang bezien, maken dat de verdachte kan worden beschouwd als lid van en (daarmee) deelnemer aan de terroristische organisatie IS.
Vrijspraak medeplegen
De rechtbank is voorts van oordeel dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat bij het voorgaande sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en een ander die in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering, zodat de rechtbank de verdachte vrij zal spreken van het ten laste gelegde medeplegen.
Conclusie feit 2 De rechtbank is gelet op het bovenstaande van oordeel dat de verdachte in de periode van 1 november 2014 tot 1 januari 2019 in Syrië heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven, te weten IS.
Ten aanzien van feit 3: voorbereidingshandelingen
Onder feit 3 wordt de verdachte verweten verschillende strafbare voorbereidingshandelingen te hebben gepleegd, opgesomd in de tenlastelegging onder de letters A (het eigen maken van extremistisch gedachtengoed), B (het zich laten informeren over het afreizen naar het strijdgebied), C (het afreizen naar Syrië), D (het zich voegen bij IS), E (haar zoon [minderjarige 1] in Syrië laten deelnemen aan IS-trainingskampen en de militaire politie van IS) en F (het voorhanden hebben van een vuurwapen).
Bij de beoordeling van dit verwijt hoort het volgende juridisch kader.
De in artikel 96, tweede lid, Sr beschreven voorbereidings- en bevorderingshandelingen zijn strafbaar ongeacht het resultaat ervan. Vereist is dat de dader de gedraging onderneemt met het oogmerk het betreffende terroristische misdrijf voor te bereiden of te bevorderen. Voorwaardelijk opzet op de voorbereiding of bevordering van een terroristisch misdrijf volstaat niet. Het misdrijf dat wordt voorbereid of bevorderd zal in zoverre moeten vaststaan dat kan worden bepaald of het een misdrijf betreft waarvan de voorbereiding en bevordering als bedoeld in artikel 96, tweede lid, Sr strafbaar is. Tijd, plaats en wijze van uitvoering zullen dus enigszins concreet moeten vaststaan. De verweten voorbereidings- en bevorderingshandelingen kunnen in onderlinge samenhang worden beschouwd. Ook indien op zichzelf staande handelingen geen strafbare voorbereiding opleveren, kan uit de combinatie van alle handelingen en het gedachtegoed van de verdachte tezamen het oogmerk van de verdachte op het voorbereiden van een misdrijf worden afgeleid.
De rechtbank overweegt, aansluitend op de hiervoor weergegeven overwegingen met betrekking tot feit 3, als volgt.
Ten aanzien van de onder A, B, C, D, E en F ten laste gelegde gedragingen overweegt de rechtbank dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte zich voor de uitreis naar Syrië al de ideologie van IS eigen heeft gemaakt door daar kennis over te vergaren en dat zij in Nederland bewust een keuze heeft gemaakt om naar IS-gebied, door haar aangeduid als oorlogsgebied, af te reizen. Met de gedragingen die vervolgens hebben plaatsgevonden, het uitreizen en zich aansluiten bij IS-strijders, heeft zij willens en wetens aansluiting gezocht en gekregen bij het kalifaat van IS, waarbij zij, zoals de rechtbank hierna nog zal toelichten, betrokkenheid heeft gehad bij de deelname van [minderjarige 1] aan IS-trainingskampen en bij zijn indeling bij twee onderdelen van IS. Tenslotte heeft zij in het huishouden dat zij voerde met IS-strijder [naam 1] een vuurwapen voorhanden gehad.
Gelet op het voorgaande en op de hiervoor reeds weergegeven feitelijke vaststellingen en overwegingen ten aanzien van het bij onder 2 ten laste gelegde, acht de rechtbank de onder A – F opgesomde gedragingen wettig en overtuigend bewezen, zoals weergegeven in de bewezenverklaring.
Door zo te handelen heeft de verdachte zichzelf of anderen gelegenheid, middelen en inlichtingen verschaft tot het plegen van de onder 3 genoemde terroristische misdrijven en – door het voorhanden hebben van een vuurwapen – voorwerpen voorhanden gehad waarvan zij wist dat deze bestemd waren tot het plegen van dergelijke misdrijven.
Uit de combinatie van deze bewezenverklaarde gedragingen, in onderlinge samenhang beschouwd, kan tenslotte het oogmerk van de verdachte op het voorbereiden van deze misdrijven worden afgeleid. Het verweer van de verdediging dat er geen sprake was van een terroristisch oogmerk, wordt dan ook verworpen.
Vrijspraak medeplegen
Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en een ander die in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering, zodat de verachte wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde medeplegen.
Conclusie feit 3
Daarmee komt de rechtbank tot het oordeel dat de verdachte zich in de periode mei 2014 tot 1 januari 2019 in Nederland, Turkije en Syrië schuldig heeft gemaakt aan de bevordering en voorbereiding van terroristische misdrijven.
Ten aanzien van feit 4: kind in hulpeloze toestand brengen en/of laten
Onder feit 4 wordt de verdachte verweten haar minderjarige zoon [minderjarige 1] in een hulpeloze toestand te hebben gebracht en gelaten door met hem naar Syrië te reizen, hem daar langdurig te laten verblijven in een gebied waar oorlogsgeweld heerste, hem te laten aansluiten en deelnemen aan de terroristische organisatie IS, en te laten deelnemen aan gevechts- en/of geweldsactiviteiten ten behoeve van IS, althans dit niet te verhinderen, ten gevolge waarvan hij in 2017 in Syrië is overleden.
De verdachte is onder meer met haar minderjarige zoon [minderjarige 1] vanaf 20 oktober 2014 vanuit Nederland naar Syrië afgereisd en heeft langdurig in het kalifaat van IS verbleven. [minderjarige 1] heeft in IS-gebied op veertienjarige leeftijd twee trainingskampen van IS gevolgd en gewerkt voor de militaire politie. Vanaf april 2017 is hij als vijftienjarige opgenomen in een gevechtseenheid van IS en op 10 juni 2017 gedood bij bombardementen ten noorden van Raqqa. Met haar handelen en door na te laten te beletten dat [minderjarige 1] werd opgenomen in IS heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat er gevaar voor zijn leven of gezondheid zou ontstaan en hem op die wijze in een hulpeloze toestand gebracht en gelaten, hetgeen hij uiteindelijk met de dood heeft moeten bekopen.
Dat de verdachte naar eigen zeggen in een rustig gebied wilde leven doet hier niet aan af. Zij wist van de oorlogssituatie in Syrië voordat zij daar met [minderjarige 1] naartoe is gereisd.
Het gegeven dat een ouder en het kind het strijdgebied niet konden verlaten, kan een rol spelen bij de vraag of er sprake is van het opzettelijk in hulpeloze toestand laten van het minderjarige kind. Het dossier bevat echter geen aanknopingspunten dat de verdachte de wens had om het IS-gebied te verlaten.
Conclusie feit 4
De rechtbank acht daarom het onder 4 ten laste gelegde wettig en overtuigd bewezen voor zover het de periode vanaf 20 oktober 2014 tot aan 10 juni 2017 betreft, de dag dat [minderjarige 1] om het leven is gekomen.
Ten aanzien van feit 5: onttrekken aan het ouderlijk gezag
De verdachte wordt verweten dat zij met een list haar minderjarige kinderen aan het ouderlijk gezag van de vader heeft onttrokken door naar Syrië te reizen en onttrokken heeft gehouden door daar te verblijven met de kinderen en hen niet naar Nederland terug te brengen.
De verdachte is op [datum] 1999 gehuwd met [de vader] . Tijdens dit huwelijk zijn [minderjarige 2] en [minderjarige 1] geboren. Ook na het einde van het huwelijk hadden [de vader] en de verdachte beiden het ouderlijk gezag over de kinderen.
De verdachte heeft in september 2014 aan [de vader] toestemming gevraagd om met de kinderen naar Turkije op vakantie te gaan vanaf 20 oktober 2014, gedurende de herfstvakantie. Op 18 oktober 2014 heeft [de vader] met die voorstelling van zaken die toestemming verleend.
Anders dan zij had voorgespiegeld, is de verdachte met de kinderen in Turkije doorgereisd naar Syrië om niet meer terug te keren naar Nederland. Zij had immers zonder dat [de vader] of haar eigen familie het wist haar woning leeggehaald en de huur opgezegd. Door zo te handelen heeft de verdachte met een list de kinderen onttrokken en onttrokken gehouden aan het ouderlijk gezag van [de vader] .
De verdediging heeft betoogd dat het beschermde rechtsgoed van het onttrekken aan het wettig gezag, te weten: de bescherming van de minderjarige, niet is geschonden nu [de vader] als vader feitelijk geen rol had bij de verzorging en opvoeding van zijn kinderen. Nog daargelaten dat het dossier wel aanknopingspunten biedt dat [de vader] enige bemoeienis had met het welzijn van de kinderen, staat vast dat de verdachte [de vader] als vader met ouderlijk gezag juist bij het vragen om toestemming voor de vakantie naar het buitenland wel heeft erkend en hier naar handelde. De rechtbank meent dat dit verweer, welk verweer de rechtbank als een bewijsverweer ziet en niet zoals door de raadsman betoogd als een kwestie die de strafbaarheid van het feit raakt, reeds daarom moet worden verworpen.
Conclusie feit 5
Daarmee is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode van 20 oktober 2014 tot en met 21 februari 2018 met een list haar kinderen aan het ouderlijk gezag van [de vader] heeft onttrokken en onttrokken gehouden.
Ten aanzien van feit 1: rekruteren en inzetten van kindsoldaten
De verdachte wordt – kort gezegd – verweten dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan de medeplichtigheid tot en/of bij het door anderen rekruteren en inzetten bij vijandelijkheden van haar zoon [minderjarige 1] , jonger dan vijftien jaar, in de periode 1 oktober 2015 tot en met 16 augustus 2016.
4.3.8.1. Juridisch kader rekruteren en inzetten van kindsoldaten
De tenlastelegging is toegesneden op artikel 6, derde lid, onder f, Wim dat in het geval van een niet-internationaal gewapend conflict kinderen beneden de leeftijd van vijftien jaar bij de nationale strijdkrachten of groepen onder de wapenen roepen of in militaire dienst nemen dan wel hen gebruiken voor actieve deelname aan vijandelijkheden strafbaar stelt.
Artikel 6, derde lid, onder f, Wim weerspiegelt artikel 8, tweede lid, onder e (vii), van het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof (hierna: ICC). In dat artikel wordt het kinderen beneden de leeftijd van vijftien jaar bij de nationale strijdkrachten of groepen onder de wapenen roepen of in militaire dienst nemen dan wel hen gebruiken voor actieve deelname aan vijandelijkheden aangemerkt als oorlogsmisdrijf. De rechtbank heeft bij de interpretatie van artikel 6, derde lid, onder f, Wim acht geslagen op de Elements of Crimes, die krachtens voornoemd Statuut bedoeld zijn als hulp bij de interpretatie en toepassing van de bepalingen uit het Statuut. De Elements of Crimes behorend bij artikel 8, tweede lid, onder e (vii) luiden als volgt:
Article 8(2)(e)(vii) War crime of using, conscripting and enlisting children
Elements
The perpetrator conscripted or enlisted one or more persons into an armed force or group or used one or more persons to participate actively in hostilities.
Such person or persons were under the age of 15 years.
The perpetrator knew or should have known that such person or persons were under the age of 15 years.
The conduct took place in the context of and was associated with an armed conflict not of an international character.
The perpetrator was aware of factual circumstances that established the existence of an armed conflict.
De rechtbank heeft verder acht geslagen op uitspraken van internationale straftribunalen en het ICC, waarin nadere aanknopingspunten worden gegeven voor de uitleg en toepassing van het rekruteren en inzetten van kindsoldaten, zoals hierna verder uiteengezet.
Niet-internationaal gewapend conflict en georganiseerde gewapende groepering
Artikel 6, derde lid, onder f, Wim stelt schendingen van het internationaal humanitair recht begaan in een niet-internationaal gewapend conflict strafbaar.
Ingevolge vaste jurisprudentie van het ICC, het Joegoslavië tribunaal (hierna: ICTY) en het Gerechtshof Den Haag is sprake van een niet-internationaal gewapend conflict indien er aanhoudend gewapend geweld is tussen de overheid en één of meer georganiseerde gewapende groeperingen of tussen deze gewapende groeperingen onderling met een voldoende mate van intensiteit.
Voor de vraag of IS kan worden aangemerkt als een “georganiseerde gewapende groepering” in de zin van artikel 8, tweede lid, onder f, Statuut van Rome, slaat de rechtbank eveneens acht op vaste rechtspraak van het ICC en het Gerechtshof Den Haag, waarbij eisen worden gesteld aan het organisatieniveau van de gewapende groep.
Rekruteren en inzetten kindsoldaten
Zoals hierboven reeds beschreven stelt artikel 6, derde lid, onder f, Wim strafbaar het kinderen beneden de leeftijd van vijftien jaar bij de nationale strijdkrachten of groepen onder de wapenen roepen of in militaire dienst nemen dan wel hen inzetten voor actieve deelname aan vijandelijkheden. Dit betreft een vertaling van de wettekst uit het Statuut van Rome, waar de termen conscripting, enlisting en using to paticipate actively in hostilities worden gebruikt. Met conscripting wordt bedoeld het bij de nationale strijdkrachten of groepen onder de wapenen roepen, met enlisting wordt bedoeld het in militaire dienst nemen. Uit de jurisprudentie volgt dat conscripting ziet op gedwongen rekrutering, terwijl enlisting ziet op niet gedwongen rekrutering. Voor de leesbaarheid van dit vonnis vertaalt de rechtbank de termen conscripting en enlisting naar het Nederlands als het (al dan niet gedwongen) rekruteren. De rechtbank gebruikt de term “inzetten voor actieve deelname aan vijandelijkheden” waar het gaat om using to participate actively in hostilities.
De Elements of Crimes spreken van al dan niet gedwongen rekrutering into an armed force or group. Het gaat hierbij om nationale strijdkrachten of gewapende groepen en met al dan niet gedwongen rekrutering wordt bedoeld het toetreden van een kind onder de vijftien jaar bij deze nationale strijdkrachten of gewapende groepen. Gedwongen rekrutering kan worden vastgesteld door aan te tonen dat een persoon zich bij de strijdkrachten of een gewapende groep heeft aangesloten vanwege onder meer een wettelijke verplichting, bruut geweld, dreiging met geweld of psychologische druk die neerkomt op dwang. Onder niet gedwongen rekrutering wordt verstaan: vrijwillige indiensttreding of inschrijving op de lijst van een militaire instantie of gewapende groep.
Het (al dan niet gedwongen) rekruteren is een doorlopend misdrijf. Dit houdt in dat het misdrijf wordt begaan vanaf het moment dat het kind (al dan niet gedwongen) gerekruteerd wordt en voortduurt voor zolang als dat het kind deel uitmaakt van of geassocieerd is met de nationale strijdkrachten of gewapende groep of tot het moment waarop het kind de leeftijd van vijftien jaar bereikt. Het is hierbij geen vereiste dat de (al dan niet gedwongen) rekrutering leidt tot actieve deelname aan vijandelijkheden. De strafbaarstelling ziet immers op drie verschillende strafbare handelingen.
Het inzetten voor actieve deelname aan vijandelijkheden is, gelet op de bewoording van de tenlastelegging, in de onderhavige zaak niet aan de orde en zal daarom niet nader besproken worden.
Leeftijd
Uit de jurisprudentie volgt dat de vaststelling of het kind een persoon beneden de leeftijd van vijftien jaar is een feitelijke vaststelling betreft. Daarnaast volgt uit de Elements of Crimes dat de dader wist of had moeten weten dat het kind onder de vijftien jaar was. Op de dader(s) rust daarmee een actieve onderzoeksplicht om de leeftijd van het kind (nader) vast te stellen.
Nexus
Het nexus-vereiste beoogt het toepassingsbereik van het internationaal humanitair recht te bewaken en ervoor te zorgen dat dit recht niet wordt toegepast op handelingen of commune delicten die geen enkel verband hebben met het gewapende conflict. Het conflict moet een wezenlijke rol hebben gespeeld in de mogelijkheid of beslissing om het misdrijf te plegen, de wijze waarop het misdrijf is begaan of het doel waarmee het misdrijf is begaan. De dader moet op de hoogte zijn geweest van de feitelijke omstandigheden die hebben geleid tot het gewapend conflict.
4.3.8.2 Juridisch kader medeplichtigheid
Van medeplichtigheid in de zin van artikel 48 Sr is sprake wanneer een verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest bij het plegen van een misdrijf of opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft tot het plegen van een misdrijf.
Voor de bewezenverklaring van medeplichtigheid aan een misdrijf is vereist dat niet alleen wordt bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op haar handelingen als medeplichtige als bedoeld in artikel 48, aanhef en onder 1 of 2, Sr, maar ook dat haar opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, was gericht op het door de dader gepleegde misdrijf (het gronddelict).
Ook een persoon die opzettelijk nalaat te beletten dat het misdrijf wordt gepleegd kan zich schuldig maken aan medeplichtigheid, maar daarvan kan slechts sprake zijn indien op de verdachte een rechtsplicht rustte om in te grijpen. In dat geval gaat het om de zogenoemde passieve medeplichtigheid.
Of er voor verdachte een rechtsplicht bestond om in te grijpen toetst de rechtbank aan het volgende:
het bestaan van een rechtsplicht tot ingrijpen kan voortvloeien uit de in de maatschappij algemeen aanvaarde normen. Een uitdrukkelijke wetsbepaling waaruit de rechtsplicht voortvloeit is geen vereiste;
bijzondere omstandigheden kunnen er toe leiden dat van een persoon verlangd mag worden in te grijpen om een misdrijf te beletten of dat dit juist niet verplicht is.
4.3.8.3. Beoordeling rechtbank
Niet-internationaal gewapend conflict in Syrië?
In eerdere uitspraken is reeds vastgesteld dat er vanaf 1 januari 2012 – dus ook in de ten laste gelegde periode – sprake was van een niet-internationaal gewapend conflict in Syrië tussen het Syrische regeringsleger en verschillende georganiseerde, gewapende groeperingen, onder meer met de gewapende groep ISIL/ISIS/IS. De rechtbank zal voor het bestaan van het niet-internationaal gewapende conflict als zodanig volstaan met het verwijzen naar die eerdere uitspraken.
Georganiseerde gewapende groep
De rechtbank stelt vast dat uit eerdere jurisprudentie volgt dat ISIL/ISIS/IS kan worden aangemerkt als een gewapende groep, en dat ook voldaan is aan het vereiste van voldoende organisatie. Het Gerechtshof Den Haag oordeelde dat IS in 2014 en 2015 beschikte over militaire wapens en voertuigen als tanks en artillerie. Voorts kon IS grootschalige militaire operaties uitvoeren. IS beschikte bovendien over een commandostructuur en oefende in ieder geval tot maart 2019 controle uit over een territorium. Daarnaast bestonden er verschillende samenwerkingsverbanden met andere groeperingen. De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat IS in zijn geheel als gewapende groep kan worden aangemerkt.
Het rekruteren van [minderjarige 1]
Aan de rechtbank ligt de vraag voor of wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid aan het rekruteren van [minderjarige 1] , een kind beneden de leeftijd van vijftien jaar, door IS.
Verweer verdediging
De verdediging heeft bepleit dat, gelet op de informatie die zich in het dossier bevindt, niet kan worden vastgesteld dat [minderjarige 1] onderdeel uitmaakte van de militaire politie. Hooguit kan vastgesteld worden dat [minderjarige 1] onderdeel uitmaakte van de gewone politie en dat hij heeft deelgenomen aan een sharia-kamp. De verdediging heeft voorts bepleit, voor zover [minderjarige 1] werkzaam zou zijn voor de militaire politie, dat de militaire politie geen onderdeel was van de gewapende groep IS, maar onderdeel uitmaakte van de civiele infrastructuur. Voorts heeft de verdediging betoogd dat [minderjarige 1] , opgenomen bij IS, niet heeft bijgedragen aan dan wel is ingezet voor de vijandelijkheden.
Beoordeling gronddelict
Uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden blijkt dat [minderjarige 1] , toen veertien jaar oud, rond oktober 2015 heeft deelgenomen aan een sharia-kamp (religieus trainingskamp) van IS en aan een askari-kamp (militair trainingskamp) van IS. Het doorlopen van trainingskampen vormde een onderdeel van rekrutering van nieuwe strijders door IS. Anders dan door de verdediging aangevoerd, concludeert de rechtbank dat dit ook gold voor kinderen beneden de leeftijd van vijftien jaar oud. [minderjarige 1] was tijdens zijn deelname aan beide IS-kampen veertien jaar oud. Vervolgens werd [minderjarige 1] vanaf 18 januari 2016 ingedeeld bij de militaire politie van IS tot ruim na de periode dat hij vijftien jaar is geworden. Hij heeft bij aanvang van die periode een vuurwapen van IS ontvangen en kreeg een maandelijkse toelage in verband met zijn werkzaamheden.
De verdediging neemt de stelling in dat [minderjarige 1] werkzaam was bij een civiel onderdeel van de politie en dus niet werkzaam was voor IS als strijdgroep. De rechtbank is evenwel van oordeel dat IS moet worden beschouwd als één grote, sterk georganiseerde, gewapende groep en dat er geen sprake is van een civiel onderdeel van de politie dat destijds buiten de gewapende groep viel. Alle politieonderdelen waren onderdeel van de gewapende groep IS.
Rekrutering vindt plaats wanneer een kind in een gewapende groep wordt opgenomen waarbij niet van belang is bij welk onderdeel van die gewapende groep. Het is voor rekrutering geen vereiste dat het kind actief bijdraagt aan de vijandelijkheden. Inzet bij de vijandelijkheden, dat in deze strafzaak zoals gezegd niet aan de orde is, is immers apart strafbaar gesteld. [minderjarige 1] werd, eenmaal gerekruteerd, na de twee doorlopen trainingskampen van IS ingedeeld bij de militaire politie, dat deel uitmaakt van IS. De rechtbank is anders dan de verdediging van oordeel dat hier sprake is van voortgezette rekrutering van [minderjarige 1] bij de gewapende groep IS.
Er bestond met betrekking tot het vaststellen van de leeftijd van [minderjarige 1] een actieve onderzoeksplicht voor de IS-leden die [minderjarige 1] rekruteerden. Uit de bewijsmiddelen volgt dat [minderjarige 1] over een paspoort beschikte in Syrië. Blijkens de IS-administratie werden geboortedata geregistreerd. In de IS-administratie staat de geboortedatum van [minderjarige 1] geregistreerd als [geboortedatum 4] 2001, terwijl zijn daadwerkelijke geboortedatum [geboortedatum 2] -2001 betreft. Door enkel te registeren op basis van een geboortejaar, is door leden van IS niet voldaan aan de actieve onderzoeksplicht.
De rechtbank is van oordeel dat er voldoende samenhang was met het gewapend conflict en dat aan het nexus-vereiste is voldaan, nu is vastgesteld dat [minderjarige 1] is gerekruteerd (in militaire dienst genomen) door één van de strijdende partijen in het gewapend conflict, te weten de gewapende groep IS. Deze groep, zo stelde de rechterbank hierboven vast, maakte een onderdeel uit van het niet-internationaal gewapende conflict in Syrië.
Vast staat dat [minderjarige 1] als veertienjarige is gerekruteerd door IS. Nu uit het dossier niet volgt dat de rekrutering van [minderjarige 1] door IS onder dwang heeft plaatsgevonden, is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van niet-gedwongen rekrutering door een of meer leden van de Islamitische Staat.
Beoordeling medeplichtigheid verdachte
Op de verdachte, als moeder van de minderjarige [minderjarige 1] , rustte een rechtsplicht ingevolge onder meer artikel 1:247 van het Burgerlijk Wetboek, om als ouder haar minderjarige kind te verzorgen. Hieronder wordt mede verstaan het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind. Doordat op de verdachte een rechtsplicht bestond ten aanzien van haar zoon, kan in het onderhavige geval sprake zijn van passieve medeplichtigheid.
De verdachte is op 20 oktober 2014 met haar toen dertienjarige zoon [minderjarige 1] naar IS-gebied gereisd. De verdachte was zich bewust van het feit dat zij haar minderjarige kind meenam naar oorlogsgebied. In dit oorlogsgebied werden minderjarige jongens als de toekomstige strijders van de jihad gezien. Nieuwsberichten over de rekrutering en inzet van kindsoldaten door IS werden ook al voor de uitreis van de verdachte gepubliceerd. [minderjarige 1] heeft als veertienjarige in Syrië deelgenomen aan twee door IS georganiseerde trainingskampen. De verdachte heeft de deelname van [minderjarige 1] aan deze kampen niet voorkomen. Daar waar de verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte op enig moment [minderjarige 1] uit het trainingskamp heeft opgehaald of heeft laten ophalen, merkt de rechtbank op dat daarvan niets is gebleken uit het dossier. Sterker nog, na de trainingskampen is [minderjarige 1] vanaf januari 2016 ingedeeld bij de militaire politie van IS waarvoor hij een toelage kreeg mede voor de verdachte, welke situatie de verdachte heeft laten voortduren.
Het is aan haar eigen handelen te wijten dat de verdachte een situatie creëerde waarin het mogelijk werd dat haar minderjarige zoon [minderjarige 1] door IS gerekruteerd zou worden, hetgeen is gebeurd. Aldus aanvaardde zij bewust de aanmerkelijke kans dat [minderjarige 1] als veertienjarige werd gerekruteerd door IS.
Door haar handelen – en haar gebrek daaraan – is de verdachte medeplichtig geweest aan de niet gedwongen rekrutering van haar minderjarige zoon [minderjarige 1] bij IS, zo oordeelt de rechtbank, nu zij [minderjarige 1] heeft overgebracht naar IS-gebied, zij naliet te beletten dat hij deelnam aan twee IS-kampen en zij naliet te beletten dat hij werkzaamheden verrichtte bij de militaire politie van IS. De rekrutering van [minderjarige 1] door IS betreft een voortdurend delict en heeft daarmee voortgeduurd tot zijn vijftiende verjaardag.
Conclusie feit 1
De rechtbank acht daarmee het onder feit 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen voor zover het de periode van 1 oktober 2015 tot en met 16 augustus 2016 betreft.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
een of meer leden van Islamitische Staat,
in de periode van 1 oktober 2015 tot en met 16 augustus 2016 in Syrië
tezamen en in vereniging met anderen in verband met een niet-internationaal gewapend conflict op het grondgebied van Syrië
een kind beneden de leeftijd van vijftien jaar, te weten [minderjarige 1] ,
bij de nationale strijdkrachten of groepen in militaire dienst heeft/hebben genomen
door
- die [minderjarige 1] aan een sharia-kamp en een askari-kamp deel te laten nemen en
- hem in te lijven bij en werkzaamheden te laten verrichten de militaire politie van Islamitische Staat (al-shurta al-'askariyya),
tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 1 september 2014 tot en met 16 augustus 2016 in Nederland, Turkije, en Syrië, opzettelijk gelegenheid heeft verschaft,
door
- haar zoon [minderjarige 1] over te brengen naar het gebied in Syrië dat in handen was van Islamitische Staat (IS-gebied) en
- na te laten te beletten dat haar zoon [minderjarige 1] deelnam
aan voornoemd sharia- en askari-kamp, en werd ingelijfd bij de
militaire politie van Islamitische Staat (al-shurta al-'askariyya);
terwijl zij, verdachte, kennis had van het bestaan van het
niet-internationaal gewapend conflict op het grondgebied van Syrië;
2
zij in de periode van 1 november 2014 tot 1 januari 2019, in Syrië,
heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie, te weten Islamitische Staat, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven, te weten,
A. het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl
daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel
en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten
gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (te) begaan met
een terroristisch oogmerk en/of
B. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a
van het Wetboek van Strafrecht) en/of
C. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel
289/289a jo. 83 van het Wetboek van Strafrecht) en/of
D. de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of
bevordering tot eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176a en/of
289a en/of 96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht) en/of
E. het voorhanden hebben van een of meerdere wapens en/of munitie van de
categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en
munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om een
terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in
artikel 55 lid 1 en/of lid 5 van de Wet wapens en munitie);
3
zij in de periode van mei 2014 tot 1 januari 2019, in Nederland, Turkije en Syrië
met het oogmerk om ter voorbereiding en/of ter bevordering van de te plegen misdrijven:
- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft, (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 157 jo 176a van het Wetboek van Strafrecht) en/of
- doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of
- moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289 jo 83 van het Wetboek van Strafrecht)
- gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van het misdrijf aan zichzelf of aan anderen heeft verschaft en
- voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan zij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van het misdrijf, immers heeft/is verdachte,
A. zich het radicaal-extremistisch gedachtegoed van de gewapende jihadstrijd met een terroristisch oogmerk, gevoerd door terroristische organisatie de Islamitische Staat, eigen gemaakt;
B. zich laten informeren over het afreizen naar en verblijven in het strijdgebied in Syrië;
C. de reis naar Syrië gemaakt teneinde zich te begeven naar het strijdgebied, althans naar een door de terroristische organisatie IS gecontroleerd gebied;
D. op Islamitische wijze een huwelijk aangegaan met IS-lid [naam 1] en een gezamenlijk huishouden gaan voeren met de IS-leden [naam 1] , [naam 2] , [minderjarige 1] en [naam 3] ;
E. haar zoon [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2001, behulpzaam geweest bij en in staat gesteld om deel te nemen aan IS-trainingskampen en de militaire politie van IS en een gevechtseenheid van IS; en
F. een vuurwapen, te weten een Kalasjnikov toebehorende aan [naam 1] , voorhanden gehad;
4
zij in de periode van 20 oktober 2014 tot en met 10 juni 2017 in Nederland, Turkije en Syrië
opzettelijk haar minderjarig kind genaamd [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2001, tot wiens onderhoud, verpleging en verzorging zij als moeder van [minderjarige 1] krachtens de wet verplicht was, in een hulpeloze toestand heeft gebracht en heeft gelaten,
door met [minderjarige 1] naar Syrië te reizen en hem mee te nemen naar en langdurig te laten verblijven in een gebied waar gewapende conflicten aan de gang waren en oorlogsgeweld heerste en [minderjarige 1] te laten aansluiten en deelnemen aan de terroristische organisatie IS en laten deelnemen aan gevechts- en/of geweldsactiviteiten ten behoeve van IS, althans voornoemde handelingen van [minderjarige 1] niet te verhinderen,
ten gevolge waarvan [minderjarige 1] in 2017 in Syrië is overleden;
5
zij in of omstreeks de periode van 20 oktober 2014 tot en met 21 februari 2018 te
Nederland, Turkije en Syrië, opzettelijk haar minderjarige kinderen [minderjarige 2]
(geboren op [geboortedatum 3] 2000) en [minderjarige 1] (geboren op [geboortedatum 2]
2001) heeft onttrokken en onttrokken heeft gehouden aan het wettig over die
minderjarigen gestelde gezag van de vader, [de vader] ,
immers heeft verdachte de kinderen vanuit Nederland via Turkije meegenomen
naar Syrië en de kinderen aldaar gehouden en niet teruggebracht naar
Nederland, waarbij zij list heeft gebezigd door tegenover [de vader] voor te
doen alsof zij met de kinderen op vakantie zou gaan in Turkije.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
5. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
6. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.
7. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht om bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met het feit dat de verdachte naar Syrië is gereisd om te ontkomen aan haar problemen in Nederland, niet zozeer omdat zij achter de jihadstrijd stond. In Syrië is de verdachte slachtoffer geworden van heftig huiselijk geweld en heeft zij vijf jaren onder erbarmelijke omstandigheden in Koerdische kampen gezeten. De verdediging heeft ook aangevoerd dat de redelijke termijn in de onderhavige zaak is overschreden, hetgeen dient te leiden tot strafvermindering. De verdediging heeft verzocht om bij een eventuele bewezenverklaring een deel van de straf in voorwaardelijke vorm op te leggen met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte is in oktober 2014 uitgereisd naar Syrië samen met haar twee minderjarige kinderen, [minderjarige 2] van veertien jaar oud en [minderjarige 1] van dertien jaar oud. De verdachte was op dat moment op de hoogte van de denkbeelden en daden van IS. Eenmaal in Syrië is de verdachte na een paar dagen getrouwd met een IS-strijder met wie zij een gemeenschappelijke huishouding voerde. Zij heeft het extremistische gedachtengoed van IS omarmd en heeft zich jarenlang opgehouden in door IS gecontroleerde gebieden, tot aan het einde, toen het kalifaat viel, en zodoende de macht van IS door haar aanwezigheid versterkt. Voorts heeft zij door haar handelen zowel haar minderjarige dochter als haar minderjarige zoon aan IS ter beschikking gesteld. Zij heeft toegestaan dat haar dochter op jonge leeftijd twee keer met een IS-strijder huwde. Daarnaast heeft zij nagelaten te beletten dat haar zoon, beneden de leeftijd van vijftien jaar oud, deelnam aan twee IS-kampen, waaronder een militair trainingskamp, en heeft zij nagelaten te beletten dat haar toen veertienjarige zoon werkzaamheden verrichtte bij de militaire politie van IS. Niet alleen heeft de verdachte dit nagelaten te beletten, ook heeft de verdachte hier financieel van geprofiteerd.
Gedurende haar huwelijk heeft zij haar echtgenoot als IS-strijder gefaciliteerd in zijn werk voor IS, door het gezamenlijke huishouden te doen en voor hem te zorgen. Na haar huwelijk heeft zij haar zoon gefaciliteerd in zijn werk voor IS, op eenzelfde wijze. Zodoende heeft zij het plegen van terroristische misdrijven bevorderd.
Strijdgroepen als IS hebben tot doel het vestigen van een kalifaat, waarin de rechten van andersdenkenden op systematische en zeer gewelddadige wijze worden geschonden. Vast staat dat het geweld dat IS gebruikte om zijn doel te bereiken buitengewoon wreed was en dat er jegens andersdenkenden op grote schaal ernstige misdrijven werden begaan, zoals standrechtelijke executies, moord, marteling, slavernij en verminking van krijgsgevangenen en burgers. Verder was IS medeverantwoordelijk voor de vernietiging dan wel vernieling van huizen, landbouw en infrastructuur. Geterroriseerde inwoners zijn hierdoor op de vlucht geslagen en hebben alles achter zich moeten laten. Ook zijn in naam van IS talloze aanslagen gepleegd, niet alleen in Syrië en Irak, maar ook in Europa en de rest van de wereld. Dit alles heeft vanaf 2014 op grote schaal tot gevoelens van angst en onveiligheid geleid. Dit is ook het naastgelegen doel van IS: het zaaien van angst en verdeeldheid onder het – in hun ogen – ongelovige deel van de wereldbevolking.
De verdachte is aan dit alles geheel voorbij gegaan toen zij zich aansloot bij IS en heeft geen oog willen hebben voor het enorme leed dat velen in het strijdgebied en daarbuiten heeft getroffen. Dit rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.
Niet alleen heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan misdrijven inzake terrorisme, ook is de verdachte medeplichtig geweest aan een oorlogsmisdrijf. Oorlogsmisdrijven zijn ernstige misdrijven, nu het gaat om zeer grove schendingen van het internationaal humanitair recht. Het oorlogsmisdrijf waar de verdachte medeplichtig aan is geweest, betreft de rekrutering van haar zoon [minderjarige 1] – op dat moment beneden de leeftijd van vijftien jaren – bij de gewapende groep IS. Ook dit rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan. Het verbod op de rekrutering en inzet van kindsoldaten is een regel die als fundamenteel voor de internationale rechtsorde wordt beschouwd. Wanneer kinderen betrokken raken bij gewapende groepen komen zij in groot gevaar. Kinderen die worden gerekruteerd bij strijdkrachten of gewapende groepen lopen een verhoogd risico om in aanraking te komen met zeer verwerpelijk gedachtengoed en een omgeving vol geweld, en om gevangengenomen, gewond of zelfs gedood te worden. En juist kinderen hebben recht op bijzondere bescherming volgens het internationaal humanitair recht.
Voorafgaand aan de uitreis wist de verdachte dat op dat moment in Syrië sprake was van een gewapend conflict, maar zij is toch gegaan. Haar bewuste keuze hiervoor heeft voor de verdachte en haar kinderen onomkeerbare gevolgen gehad. Haar minderjarige kinderen hebben een deel van hun leven moeten doorbrengen in oorlogsgebied en in door IS gecontroleerde gebieden, met alle gevaren en risico’s van dien. Hoewel dit nooit de bedoeling van de verdachte is geweest, heeft [minderjarige 1] dit met de dood moeten bekopen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 5 augustus 2024, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft met betrekking tot de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte acht geslagen op de inhoud van de Pro Justitia rapportage d.d. 4 augustus 2025, het ideologisch duidingsrapport opgemaakt door Nuance door Training en Advies (NTA) d.d. 2 juni 2025 en het reclasseringsrapport d.d. 16 maart 2026.
Toerekeningsvatbaarheid
De deskundige komt in de Pro Justitia rapportage tot de conclusie dat er op dit moment bij de verdachte geen sprake is van een psychische stoornis, verstandelijke beperking of psychogeriatrische aandoening. Wel worden bij de verdachte depressieve symptomen gezien en heeft zij veel traumatische ervaringen opgedaan in haar leven, die zij nog niet echt verwerkt lijkt te hebben en die momenteel zoveel mogelijk weggedrukt worden om zich staande te kunnen houden binnen detentie. Ook ten tijde van de ten laste gelegde feiten lijkt er geen sprake te zijn geweest van een psychische stoornis, verstandelijke beperking of psychogeriatrische aandoening. Gelet hierop adviseert de deskundige om de ten laste gelegde feiten volledig aan de verdachte toe te rekenen.
Recidivegevaar
In het duidingsrapport wordt geconcludeerd dat op dit moment bij de verdachte geen sprake is van politieke dan wel politiek-religieuze attitudes die te plaatsen zijn in een ideologische overtuiging. Specifiek is er bij de verdachte op dit moment geen sprake van extremistische opvattingen ten aanzien van de democratische rechtsorde, jihad, martelaarschap, hijra en het concept kalifaat. De verdachte heeft in het algemeen een zeer basaal islamitisch kennisniveau door een gebrek aan enige scholing of vorming. Ook lijkt zij zich de afgelopen jaren niet verder verdiept te hebben in politiek-religieuze kwesties.
In de Pro Justitia rapportage schat de deskundige het risico op algemene recidive in op laag nu er sprake is van weinig risicofactoren en een aantal beschermende factoren, zoals een prosociaal steunend netwerk, een voldoende ontwikkeld geweten en zelfcontrole. Het risico op extremistisch geweld wordt ook als laag ingeschat.
Het recidivegevaar is eveneens onderzocht door Reclassering Nederland. De reclassering schat het risico op extremistisch geweld in als laag nu de verdachte stellig is in het afwijzen van geweld en er geen sprake is van politieke dan wel politiek-religieuze attitudes die te plaatsen zijn in een extremistische overtuiging. Ook zijn er meerdere protectieve factoren en toont de verdachte spijt met betrekking tot haar keuzes.
Conclusie
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de rapportages van bovengenoemde deskundigen op
zorgvuldige wijze tot stand gekomen en worden de conclusies gedragen door een
deugdelijke en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing. De rechtbank neemt deze
conclusies dan ook over en maakt deze tot de hare.
Strafmodaliteit en strafmaat
Bij het bepalen van de strafmodaliteit en de strafmaat heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de straffen die in enigszins soortgelijke zaken doorgaans worden opgelegd. Daarbij tekent de rechtbank aan dat er in Nederland niet eerder een verdachte is veroordeeld voor medeplichtigheid aan de rekrutering en inzet van kindsoldaten en dat dit strafbare feit bij de straftoemeting een niet gering gewicht in de schaal legt.
Bij het bepalen van de strafmaat houdt de rechtbank, met bovenstaande indachtig, rekening met de volgende strafmatigende omstandigheden.
In strafmatigende zin weegt de rechtbank mee dat de verdachte na de val van het kalifaat langdurig, onder erbarmelijke omstandigheden, in de detentiekampen Al Hol en Al Roj heeft verbleven, en aldus reeds aanzienlijke negatieve gevolgen van haar handelen heeft ondervonden.
Ook weegt de rechtbank, evenals de officier van justitie, in strafmatigende zin mee dat de verdachte niet naar Syrië is gereisd met het doel om [minderjarige 1] te laten rekruteren als kindsoldaat.
Redelijke termijn
De rechtbank overweegt dat in artikel 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte om binnen een redelijke termijn te worden berecht is gewaarborgd. Als uitgangspunt heeft in zaken van preventief gehechte verdachten te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen zestien maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De verdachte is op 7 mei 2024 door de politie aangehouden. De rechtbank zal heden op 5 juni 2026, na meer dan vierentwintig maanden, vonnis wijzen.
Onderhavige zaak heeft betrekking op strafbare feiten die niet op Nederlands grondgebied hebben plaatsgevonden. Het dossier bevat dan ook een aantal in het buitenland verblijvende getuigen die zijn gehoord. Gelet op het hiervoor genoemde, de omvang en ingewikkeldheid van het onderzoek, de aard van de verdenking, en de voortvarende wijze waarop de zaak is onderzocht en behandeld is de rechtbank van oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat de redelijke termijn niet is overschreden.
Conclusie
Naar het oordeel van de rechtbank kan alles afwegende niet anders gereageerd worden dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
De rechtbank is van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeven jaar passend en geboden is. De tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, zal hiervan worden afgetrokken.
8. De vordering van de benadeelde partij
[de vader] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 45.000, te vermeerderen met de wettelijke rente, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Onderbouwing van de vordering
De advocaat heeft namens de benadeelde partij ter onderbouwing van de vordering aangevoerd dat op de vordering Nederlands recht van toepassing is, aangezien de schade zich in Nederland heeft voorgedaan. Verder heeft de advocaat naar voren gebracht dat de benadeelde partij “op andere wijze” in zijn persoon is aangetast ex artikel 6:106, aanhef, onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Deze aantasting vloeit voort uit de schending van het recht op family life ex artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). Door [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan het gezag van de benadeelde partij te onttrekken en hen mee te nemen naar IS-gebied heeft de verdachte zowel de kinderen als ook hun vader het recht op omgang ontnomen. De persoonsaantasting “op andere wijze” volgt uit de aard en de ernst van de normschending, aldus de advocaat. Hij wijst hierbij op jarenlange onzekerheid en onmacht waarin de benadeelde partij heeft verkeerd over de situatie en het lot van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De benadeelde partij kreeg pas jaren later de definitieve bevestiging dat zijn zoon in oorlogsgebied om het leven was gekomen. Ook heeft hij pas duidelijkheid gekregen over de wijze waarop [minderjarige 1] om het leven is gekomen toen hij in het kader van deze strafzaak inzage kreeg in het strafdossier. Verder heeft de advocaat aangevoerd dat het aan de benadeelde partij knaagt dat de verdachte niet altijd het achterste van haar tong heeft laten zien.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij geconcludeerd tot toewijzing van de vordering. Ter onderbouwing heeft de officier van justitie aangevoerd dat de vordering duidelijk is onderbouwd en het gevorderde schadebedrag redelijk is.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de benadeelde partij primair bepleit dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard nu de verdediging (partiële) vrijspraak heeft bepleit. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij moet worden afgewezen nu niet met concrete gegevens is onderbouwd dat sprake is van een aantasting in persoon op “andere wijze”. Meer subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
Het oordeel van de rechtbank
Nederlands recht van toepassing
Op de vorderingen van de benadeelde partijen is het materiële burgerlijk recht van toepassing. Dat houdt ook in dat de rechtbank – op de voet van artikel 10:2 BW – de regels van het internationaal privaatrecht en het door die regels aangewezen recht ambtshalve toepast. In dit geval dient de beoordeling van de vorderingen te geschieden naar Nederlands recht. Dat volgt uit de zogeheten Rome II-verordening. De vordering betreft immers niet-contractuele vorderingen in de betekenis van artikel 1 van de Rome II-verordening. Deze verordening heeft op grond van artikel 3 een universeel formeel toepassingsgebied. Dit betekent dat deze verordening van toepassing is op zaken die aan de Nederlandse rechter worden voorgelegd, ook indien het recht van een niet-lidstaat door de toepassing van de regels van de Rome II-verordening wordt aangewezen. De Rome II-verordening is tenslotte van toepassing op schadeveroorzakende gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan vanaf 11 januari 2009. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Rome II-verordening is bij de beoordeling van een gestelde onrechtmatige daad het recht van het land waar de schade zich voordoet van toepassing. Dit leidt tot de conclusie dat bij de beoordeling van de vordering van de benadeelde partij het Nederlands recht van toepassing is. De (gestelde) schadeveroorzakende gebeurtenis waar de benadeelde partij zijn vordering op heeft gestoeld, heeft zich immers voorgedaan in Nederland. De toepasselijkheid van het Nederlands recht heeft gedurende de behandeling van de zaak ter zitting niet ter discussie gestaan.
Artikel 6:106 BW
De rechtbank overweegt dat in artikel 6:106 BW een limitatieve opsomming van gevallen wordt gegeven waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade. Blijkens artikel 6:106, aanhef, onder b, BW heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, indien de benadeelde partij letsel heeft opgelopen, in zijn goede eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De vraag die voorligt is of de benadeelde partij “op andere wijze” in zijn persoon is aangetast.
De Hoge Raad heeft in het overzichtsarrest van 28 mei 2019 ten aanzien van de aantasting in de persoon “op andere wijze” het navolgende overwogen:
“Van de onder b.) bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.”
De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat de enkele schending van het recht op “family life” ex artikel 8 EVRM onvoldoende is om te spreken van een aantasting in de persoon “op andere wijze”. Gelet op het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is de rechtbank voorts van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan in onderhavige zaak niet zo evident zijn dat een zodanige aantasting zoals gesteld kan worden aangenomen. Zo is er weliswaar sprake van een formele gezagsverhouding, maar is het onduidelijk gebleven in welke mate de benadeelde partij daadwerkelijk betrokken was bij het gezinsleven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Van de benadeelde partij mag dan ook verwacht worden dat die aan de hand van concrete gegevens onderbouwt dat sprake is van een aantasting in de persoon “op andere wijze”, welke onderbouwing thans ontbreekt. De benadeelde partij de gelegenheid geven om zijn vordering nader te onderbouwen zou onevenredige belasting van het strafgeding opleveren, mede gelet op het feit dat de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering. De benadeelde partij kan zijn vordering nog wel aanbrengen bij de burgerlijke rechter.
Aangezien de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard zal de rechtbank de kosten die in verband met deze vordering zijn gemaakt compenseren door te bepalen dat de verdachte en de benadeelde partij ieder de eigen kosten dragen.
9. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 48, 49, 57, 83, 83 a, 96, 140a, 157, 176a, 176b, 255, 257, 279, 288, 288a 289, 289a van het Wetboek van Strafrecht;
- 6 van de Wet internationale misdrijven.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
10. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 4.4 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
medeplichtigheid aan het oorlogsmisdrijf kinderen beneden de leeftijd van vijftien jaar bij de nationale strijdkrachten of groepen in militaire dienst nemen;
ten aanzien van feit 2:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven;
ten aanzien van feit 3:
met het oogmerk om moord en / of doodslag en / of opzettelijk brand stichten en / of ontploffingen teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en / of levensgevaar voor een ander en / of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is en / of dit feit iemands dood ten gevolge heeft, begaan met een terroristisch oogmerk, voor te bereiden en / of te bevorderen, zich gelegenheid en middelen en inlichtingen tot het plegen van het misdrijf verschaffen en een voorwerp voorhanden hebben waarvan zij weet dat zij bestemd is tot het plegen van het misdrijf;
ten aanzien van feit 4:
opzettelijk iemand tot wiens onderhoud, verpleging of verzorging hij krachtens wet of overeenkomst verplicht is, in een hulpeloze toestand brengen en laten, de dood ten gevolge hebbend;
ten aanzien van feit 5:
opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag, terwijl list is gebezigd, meermalen gepleegd;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 7 (ZEVEN) JAREN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de haar opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
de vordering van de benadeelde partij;
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. E.C. Kole, voorzitter,
mr. A. Boer, rechter,
mr. L.J. van den Herik, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. K. Muijsert en S.J.H. Oosterloo, LL.M., griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 juni 2026.