RECHTBANK Den Haag
Team handel
Zaak- / rolnummer: C/09/689098 / HA ZA 25-656
Vonnis van 3 juni 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V. in liquidatie,
te [vestigingsplaats] ,
eiseres,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. A.J.T.J. Meuwissen te Afferden, gemeente Bergen, voorheen mr. R.S. Wijling te Rotterdam,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Financiën, de Belastingdienst),
te Den Haag,
gedaagde,
hierna te noemen: de Staat,
advocaat: mr. H.J.S.M. Langbroek te Den Haag.
1. Inleiding
Deze zaak gaat in de kern over de vraag of de Belastingdienst bevoegd was om een uitvraag te doen in januari 2015 bij aanvragers van kinderopvangtoeslag die verbonden waren aan kinderopvangorganisatie [eiseres] . [eiseres] is kort gezegd van mening dat de Staat door het doen van deze uitvraag onrechtmatig heeft gehandeld en vordert schadevergoeding van de Staat.
Dienst Toeslagen is verantwoordelijk voor het toekennen en uitkeren van kinderopvangtoeslag. Dienst Toeslagen maakt nu geen deel meer uit van de Belastingdienst, maar vormt een zelfstandig onderdeel van het Ministerie van Financiën. De rechtbank gebruikt in dit vonnis, ten behoeve van de leesbaarheid, Belastingdienst en Dienst Toeslagen door elkaar waar het strikt genomen soms het handelen van de ander betreft.
In dit vonnis oordeelt de rechtbank dat Dienst Toeslagen met het doen van de uitvraag niet onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld, omdat er concrete signalen waren dat er iets niet goed ging met de toeslagen van aan [eiseres] verbonden ouders – deels door signalen vanuit [eiseres] zelf, deels door signalen vanuit (de aanvragen van) aan [eiseres] verbonden ouders. Dienst Toeslagen heeft naar aanleiding van die signalen onderzoek gedaan en is ook in gesprek gegaan met [eiseres] . De uitkomsten van dat onderzoek en de gesprekken met [eiseres] konden redelijkerwijze tot vragen leiden. Dienst Toeslagen heeft aan de uitslagen van de aanvraag ook geen onevenredige consequenties verbonden. De vorderingen van [eiseres] worden daarom afgewezen.
2. De procedure
Het procesdossier bestaat uit de volgende documenten:
- de dagvaarding van 7 juli 2025, met producties 1 tot en met 53;
- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 18;
- de zittingsagenda van 14 april 2026;
- de spreekaantekeningen van beide advocaten voor de mondelinge behandeling.
Op 21 april 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Beide advocaten hebben spreekaantekeningen voorgedragen; partijen hebben vragen van de rechtbank beantwoord en op elkaar kunnen reageren. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er tijdens de zitting is besproken.
3. De feiten
[eiseres] bood tot 2016 kinderopvang aan in [plaats] . Zij exploiteerde een kinderdagverblijf en buitenschoolse opvang.
[bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ) exploiteerde een particuliere basisschool, op dezelfde locatie als de kinderopvang van [eiseres] .
Mevrouw [naam 1] was indirect bestuurder en enig aandeelhouder van [eiseres] en van [bedrijf 1] .
[naam 1] heeft ouders bijgestaan die cliënten van [eiseres] waren en kinderopvangtoeslag ontvingen van de Belastingdienst. In dat kader heeft [naam 1] op 15 juni 2014, namens [eiseres] en [bedrijf 1] , een schriftelijke klacht ingediend bij de Belastingdienst. De klacht luidt als volgt:
“Mij klacht betreft BSN (…)
Wij zijn een kleine kinderopvang en een kleine particuliere school. Wij zijn door de maatregelen van de regering behoorlijk getroffen en hebben een omzetdaling van 70% gehad de afgelopen jaren. Als kinderopvang instantie zijn wij afhankelijk van de betalingen van de ouders. Deze krijgen via de belasting kinderopvangtoeslag. De afgelopen jaren hebben wij regelmatig discussie gehad met uw dienst over de uitbetaling van de toeslag. Bij wijzigingen gebeurt dit vaak veel te laat. Dit houdt in dat ouders ons een groot deel van de rekening niet kunnen betalen. Dit jaar was het zo erg dat wij ook de normale loonbelasting vanaf maart niet konden betalen. Een aantal ouders zijn op 0 gezet en een aantal zaken waarvan 1 van oktober vorig jaar werden maar niet afgehandeld. Het ging uiteindelijk in totaal om een bedrag van € 39,000,-- (dit is meer dan een maand omzet). Momenteel is er € 27.000,-- uitgekeerd. We hebben via onze belastingadviseur in [plaats] de heer [naam 2] , contact gekregen met de heer [naam 3] van de afdeling kinderopvangtoeslag en deze doet zijn uiterste best om zaken voor ons te regelen. Blijft staan dat als wij niet kunnen betalen wij boetes krijgen over de niet betaalde bedragen. Over de aan onze ouders uitgekeerde bedragen wordt geen boete en/of rente uitgekeerd. Dit houdt in dat wij enkele duizende euros aan boete hebben opgelegd gekregen die ons inziens niet terecht zijn. Dat wij niet konden betalen lag immers bij de belastingdienst die niet uitkeerde.
Wij verzoeken u alle boete van bovengenoemde BSN-nummers ongedaan te maken van af maart dit jaar, toen wij de problemen aanhangig hebben gemaakt.”
Bij brief van 7 september 2014 heeft [naam 1] namens [eiseres] het volgende geschreven aan de Belastingdienst:
“Deze week heb ik telefonisch contact gehad met uw medewerker de heer (…) naar aanleiding van een door mij ingediende klacht. Na overleg hebben we besloten dat het misschien verstandig is om een en ander aan u voor te leggen. De klachten die wij hebben ingediend hebben allemaal te maken met de kinderopvangtoeslag en de gevolgen die het niet, of te laat, uitbetalen voor onze organisatie heeft (en ik kan me niet anders voorstellen dat dit ook voor andere kinderopvangorganisaties geldt).
Wij zijn momenteel een kleine kinderopvangorganisatie. Wij hebben maandelijks nog maar een omzet van € 24.000,-- (dit was voor de wijzigingen in 2012 nog € 90.000,-- per maand). U kunt zich voorstellen dat door de daling de reserves van ons bedrijf op nul staan. Wij worden regelmatig geconfronteerd met stopzetting van betalingen, wijzigingen die niet tijdig worden doorgevoerd en nieuwe aanvragen die pas na maanden worden uitbetaald. Naar aanleiding van de klachten die wij hadden hebben wij momenteel rechtsreeks contact gezocht met de heer [naam 3] van de afdeling toeslagen, die overigens erg zijn best doet om zaken voor ons te bespoedigen. Niet tegenstaand, ontstaan er grote problemen met betalingen.
Een voorbeeld: Wij hebben een klant voor wie wij een wijziging in oktober 2013 hebben doorgevoerd. Deze wijziging is pas in juni 2014 doorgevoerd. Ondertussen was de huidige kinderopvangtoeslag van deze mevrouw ook per april stopgezet (dit ging om € 3.120,-- per maand). Ruim € 3.000,-- op een omzet van € 24.000,-- is een aanslag! En buiten deze mevrouw waren er nog 2 zaken waar ouders (en wij dus ook) geen toeslag kregen totaal ging het om bijna € 6.000,-- per maand (25% van onze omzet).
U kunt zich voorstellen dat dit grote problemen veroorzaakt. Daarbij komt nog dat als ouders een groot bedrag in één keer krijgen uitbetaald de verleiding groot is dat dit bedrag niet naar de kinderopvang gaat maar voor andere doeleinden wordt gebruikt.
Vorig jaar zijn wij bijna een jaar bezig geweest om aanvullende kinderopvangtoeslag voor een van onze ouders te krijgen. Uiteindelijk is er na elf maanden in september 2013 een bedrag van ruim € 6.000,-- op de rekening van de klant gestort, dit terwijl in onze klachtenbrief, die mede door onze klant was ondertekend verzoek is gedaan om het geld op onze rekening te storten. Onze klant heeft hier een mooie vakantie naar [land] geboekt en wij hebben geen cent gezien van het uitbetaalde bedrag.
Wij begrijpen dat u als belastingdienst niet verantwoordelijk bent voor de daden van ouders. Maar u kunt ook begrijpen dat wij de dupe zijn en hier niets tegen kunnen doen. Vooral in gevallen waarin het lang duurt voordat de belastingdienst uitkeert zijn wij regelmatig gedupeerd. Wij willen u aandacht vragen voor deze problemen en zijn natuurlijk altijd bereid een en ander nader toe te lichten.”
In verband met deze brief heeft op 3 november 2014 een gesprek plaatsgevonden met [naam 1] op het kantoor van de Belastingdienst in Utrecht. In het door de Belastingdienst van het gesprek opgestelde verslag staat onder andere:
“Mevrouw [naam 1] stelt dat zij niet begrijpt waarom er nog onduidelijkheid is over het vast te stellen recht, nu zij alle benodigde informatie reeds heeft geleverd. Mevrouw [naam 4] [Belastingdienst, rechtbank] geeft aan dat er nog steeds onduidelijkheid is over de contracten en de verhouding tussen de school- en opvanguren.
Hierop geeft mevrouw [naam 1] aan dat zij nieuwe contracten kan gaan opstellen om dit onderscheid helder te maken.
Mevrouw [naam 5] [Belastingdienst, rechtbank] vraagt of mevrouw [naam 1] akkoord gaat met een formeel bedrijfsbezoek. Hier zullen een collega van Belastingdienst en een collega van Dienst Toeslagen bij aanwezig zijn. Doel hiervan is om meer inzicht te krijgen in de gevoerde administratie. Mevrouw [naam 1] reageert hier welwillend op en er wordt afgesproken dat hierover nader contact wordt opgenomen.”
De Belastingdienst heeft dit verslag op 17 december 2014 aan [eiseres] gezonden.
Naar aanleiding van het gesprek van 3 november 2014 heeft de Belastingdienst op 21 november 2014 – met toestemming van [naam 1] – een bedrijfsbezoek aan [eiseres] gebracht. In het door de Belastingdienst gemaakte verslag van dit bezoek is onder meer het volgende opgenomen:
“Bedrijfsstructuur
(…).
Mevrouw [naam 1] geeft aan dat het verschil tussen opvang- en schoolcontracten duidelijk te onderscheiden is. Als er [bedrijf 1] op het contract staat dan gaat het kind naar de particuliere school [en mogelijk ook naar de opvang], als er alleen [eiseres] op staat gaat het kind alleen naar de opvang. Het problematische is dat bij de kinderen die naar zowel de school als de opvang gaan, contracten niet gescheiden zijn. De schooluren en opvanguren staan als één blok op de factuur en het plaatsingscontract, zonder onderscheid. [eiseres] was op het moment van het bezoek druk bezig om deze contracten (en bijbehorende facturen) van elkaar te scheiden. Mevrouw [naam 1] gaf aan dat ze het zelf wilde scheiden omdat enkele ouders de opzegtermijn van de opvang (één maand van tevoren) probeerden te gebruiken voor het opzeggen van de school, welke drie maanden is en slechts twee keer per jaar kan. De heer [naam 6] en mevrouw [naam 7] [beiden van de Belastingdienst, rechtbank] geven aan dat het scheiden van de contracten een goed idee is aangezien het momenteel onduidelijk is welke uren schooluren zijn, en welke uren opvanguren zijn die in aanmerking komen voor kinderopvangtoeslag.
(…).
Facturatie
De school heeft geen apart factureringssysteem, de facturen komen uit het systeem van de opvang. Hierdoor staat op de factuur het rekeningnummer van de opvang. Mevrouw [naam 1] legt uit dat er afspraken met de ouders zijn gemaakt dat de kosten voor de school naar de aparte rekening van de school worden overgemaakt. (…).
Op de rekening van de opvang zit incasso, de schoolkosten kunnen niet via incasso geïnd worden. In het dossier dat erbij gepakt is staat er 180uur op het contract, maar dat is inclusief de schooluren, als deze vraagouder aanvraagt zouden deze uren er af gehaald moeten worden. Of dit ook gebeurt, weet mevrouw [naam 1] niet, ze heeft bij deze vraagouder niet geholpen met de aanvraag. (…). Met andere woorden, de facturen en contracten van kinderen die ook naar de school gaan zijn inclusief, de schooluren moeten er af gehaald worden. Mevrouw [naam 1] geeft aan dat het wellicht handig is dat ook de facturatie uit elkaar wordt gehaald zodat de geldstromen inzichtelijker zijn.
(…).
Ik heb met de boekhouder kortgesloten hoe de berekening loopt voor de verdeling tussen [eiseres] en [bedrijf 1] . De inkomsten van kinderen die gebruik maken van de school worden geboekt op [bedrijf 1] , ook de kinderopvangtoeslag wordt dan geboekt op de rekening van [bedrijf 1] . De kinderopvang van deze kinderen wordt verzorgd door de medewerkers van [bedrijf 1] , vandaar deze keuze. Een andere reden voor deze keuze is om inzicht te krijgen welke omzet via onze brede school wordt verkregen en welke omzet via de reguliere opvang wordt verkregen.
(…).
Opvanguren
(…).
Als iemand binnenkomt heb je de kosten van de school, en dan wordt er afgesproken hoeveel uren opvang nodig zijn, vaak zijn dan de schoolkosten wat lager. Qua opvang worden er over het algemeen urenpakketten afgesproken van bijvoorbeeld 80 tot 200uur per maand. Er kunnen ook individuele urenpakketten worden afgesloten, maar dit is per uur duurder. Mevrouw [naam 1] geeft aan dat ze niet precies weet hoeveel uren een kind daadwerkelijk in de opvang zit, dit maakt volgens haar ook niet uit omdat ze met vaste contracten werkt.
(…).
Afsluiting
Aan het einde van dit bezoek benadrukt de heer [naam 6] dat hij begrijpt dat de aanvragen met hele hoge uren (180 uur BSO) opvallen bij B/Toeslagen. Dit zijn opmerkelijk hoge uren waar de gemiddelde werkende ouder niet aan komt wanneer het ‘gewerkte uren’ criteria in acht wordt genomen. Verder wordt opgemerkt dat de situatie erg lastig wordt gemaakt door de aanwezigheid van de particuliere school en het feit dat de school en opvang niet duidelijk genoeg van elkaar gescheiden zijn. Mevrouw [naam 7] geeft ook aan dat het lastig is om vast te stellen waar ouders recht op hebben als er niet wordt bijgehouden hoeveel uur de kinderen daadwerkelijk in de opvang zitten. Op dit laatste reageert mevrouw [naam 1] dat het niet relevant is omdat ze met op-maat-gemaakte urenpakketten werkt. Tevens wordt er nogmaals ingegaan op dat niet elke ouder alle kosten voor de school betaald. Mevrouw [naam 1] zegt wederom dat hoewel niet iedere ouder de schoolkosten betaalt, elke ouder betaalt wel altijd álle opvangkosten. De heer [naam 6] merkt op dat dit momenteel niet inzichtelijk is.”
De belastingdienst heeft het verslag op 9 februari 2015 aan [eiseres] gezonden.
Op 27 november 2014 heeft Dienst Toeslagen een brief ontvangen van een aan [eiseres] verbonden ouder. Deze ouder schreef dat zij van [naam 1] het maximum aantal uren kinderopvangtoeslag moest aanvragen, maar dat zij daarover in onzekerheid verkeerde omdat ze niet zoveel opvang afnam.
Bij brief van 7 december 2014 heeft [naam 1] zich opnieuw tot de Belastingdienst gewend. Volgens [naam 1] waren alle voor de kinderopvangtoeslag benodigde documenten aangeleverd en stonden alle benodigde gegevens in de contracten en bijbehorende plaatsingsformulieren.
Op 18 december 2014 heeft de Belastingdienst – mede naar aanleiding van bevindingen in de zaken waarover [naam 1] een klacht had ingediend – een intern memo (hierna: het memo) opgesteld, waarin mogelijke vervolgstappen worden voorgesteld. De Belastingdienst heeft gekozen voor “Mogelijkheid 2”, dat in het memo als volgt is beschreven:
“Mogelijkheid 2: Nihilstellen
De aanvragers ontvangen een informatieverzoek over de betrokken jaren. Indien er onder andere contracten en facturen worden aangeleverd waaruit een duidelijk verklaarbare scheiding is tussen de school- en de (daadwerkelijk afgenomen) opvanguren worden deze gebruikt om de uren aan te passen. Indien deze contracten er niet zijn dan hebben we de feitelijke situatie niet kunnen vaststellen. Om deze reden kunnen we de hoogte van de aanspraak niet bepalen. De toeslagen worden bij deze aanvrager op nihil gesteld, omdat er valse aangiften zijn gedaan. Deze behandelwijze is juridisch juist, uitlegbaar en transparant.”
Vanaf januari 2015 heeft de Belastingdienst bij 57 ouders informatie opgevraagd (hierna: de uitvraag). De groep waaronder de uitvraag heeft plaatsgevonden bestond uit ouders die op enig moment in of na 2012 opvang hadden genoten bij [eiseres] . Die groep was groter dan de groep ouders die ten tijde van de uitvraag nog bij [eiseres] klant waren. Op de uitvraag hebben 30 ouders gereageerd. Hiervan hebben achttien ouders een definitieve toekenning kinderopvangtoeslag ontvangen en is niets gewijzigd aan de hoogte van de toeslag, omdat het recht op kinderopvangtoeslag volgens de Belastingdienst voldoende was aangetoond. Bij tien ouders is de kinderopvangtoeslag aangepast en bij twee ouders is de kinderopvangtoeslag stopgezet.
Van de negentien ouders die niet op de uitvraag hebben gereageerd hebben drie ouders een nihilstelling van de kinderopvangtoeslag ontvangen en van de overige zestien ouders werd de kinderopvangtoeslag stopgezet. Een nihilstelling brengt mee dat de ontvangen kinderopvangtoeslag moet worden terugbetaald. Bij een stopzetting hoeft dat niet.
Zeven ouders hebben onvoldoende op de uitvraag gereageerd en hebben een stopzetting van de kinderopvangtoeslag ontvangen.
In een interne notitie van Dienst Toeslagen van 10 maart 2015 staat onder meer:
“Enkele aantekeningen n.a.v. het uitvragen van bewijsstukken bij burgers i.z. [eiseres] 2012-2015
(…).
[eiseres] bemoeit zich intensief met de gang van zaken als het de KOT [kinderopvangtoeslag, rechtbank] betreft:
- (…)
- Gespreksnotitie: bezwaar waar AV [aanvrager, rechtbank] niets van wist; BSN in DAS [Digitaal Archief Systeem, rechtbank] waarbij AV opgeeft dat hij min of meer wordt gedwongen om teveel uren aan te vragen en de directie een ‘allround’ machtiging heeft gevraagd (zie DAS 27-11-2014 bij BSN (…); wellicht ook iets voor Fraude? ).
(…).
Contracten zijn rommelig, inconsistent en noemen geen uren of type kinderopvang. Het lijkt erop dat dezelfde documenten op verschillende momenten zijn gebruikt en aangepast (…).
Plaatsingscontracten/-overzichten bevatten meestal geen precieze kinderopvanguren, soms is de plaatsingsovereenkomst een contract, soms een overzicht; overal wordt BSO genoemd, wat vermoedelijk een combi is van school en opvanguren.
(…).
Facturen laten soms kortingen zien (2e kind), er wordt geen onderscheid in uurtarief gemaakt.
[eiseres] heeft een pinautomaat in huis waar soms gebruik van wordt gemaakt bij betalingen. Er is dan alleen te zien dat een bedrag aan hen wordt overgemaakt, maar volstrekt zonder info over wat er wordt betaald.
(…).
Nogal wat aanvragers hebben een inkomen waarbij je je afvraagt hoe men 1250 euro per maand kan betalen voor de particuliere school (+ opvang).”
[naam 1] en de Belastingdienst hebben nog verder met elkaar gecorrespondeerd en gesproken over de kinderopvangtoeslag van de klanten van [eiseres] . [naam 1] heeft haar standpunt gehandhaafd dat de contracten, plaatsingsformulieren, facturen en betalingsbewijzen een voldoende basis boden voor de vaststelling van (de hoogte van) de kinderopvangtoeslag. Deze correspondentie is afgesloten met de brief van 23 juni 2016, waarin de Belastingdienst de klachten van [naam 1] grotendeels ongegrond heeft verklaard.
Op 18 april 2017 heeft [naam 1] namens [eiseres] bij de Belastingdienst een verzoek om schadevergoeding ingediend, waarbij zij onder meer de volgende toelichting heeft gegeven:
“In de bijgevoegde bijlage zal worden toegelicht op welke manieren [eiseres] B.V. schade heeft geleden door toedoen van het handelen van de Belastingdienst in de jaren 2014 t/m 2016. De grondslag van de geleden schade ligt in alle posten bij het onterecht en op grote schaal inhouden en terugvorderen van de Kinderopvangtoeslag van klanten van [eiseres] . Aan de hand van deze gelden schade wordt dan ook deze claim ingediend bij de Belastingdienst. De geleden schade is onderbedeeld in directe en indirecte schade, welke beiden uitgebreid onderbouwd en becijferd zijn in het document.
De directe schade bestaat uit de volgende posten;
Gederfde inkomsten door het onterecht inhouden (en terugvorderen) van de Kinderopvangtoeslag van klanten gedurende de contractduur. In sommige gevallen is het bedrag nooit uitbetaald, in sommige gevallen ernstig verlaat met financiële achterstanden voor [eiseres] tot gevolg.
Verlies van klanten waar de kinderopvang toeslag onterecht is ingehouden, waar redelijkerwijs kon worden aangenomen dat ze onder normale omstandigheden klant waren gebleven.
Vertrek van klanten als gevolg van de verregaande extra controles en angst om ook op nul gezet te worden door de Belastingdienst op alle klanten van [eiseres] .
De indirecte schade bestaat uit verscheidene posten welke verderop toegelicht zullen worden.”
Bij brief van 14 juli 2017 heeft de Belastingdienst het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
[eiseres] is op 30 november 2018 ontbonden. Hierna hebben [eiseres] en [naam 1] geprobeerd om tot een minnelijke schikking te komen met de Belastingdienst ten aanzien van het verzoek van [naam 1] om schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van de Belastingdienst. Dit is niet gelukt.
Rond 2019/2020 is algemeen bekend geworden dat er bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag in de voorgaande jaren ernstige fouten zijn gemaakt, waarvan onder anderen ouders de dupe zijn geworden. Dit is bekend komen te staan als de toeslagenaffaire.
De Belastingdienst verdacht onterecht tienduizenden ouders van fraude met kinderopvangtoeslag. Door een strikt terugvorderingsbeleid en een rigide uitvoering van wet- en regelgeving raakten gezinnen in grote (financiële) problemen. De overheid biedt compensatieregelingen aan de betrokken ouders en kinderen. Volgens onderzoeken was er in sommige gevallen sprake van institutioneel racisme, institutionele vooringenomenheid en schending van de grondbeginselen van de rechtsstaat.
Bij e-mail van 15 juli 2020 heeft mr. Wijling aan de staatssecretaris van Financiën, voor zover hier van belang, het volgende bericht:
”Graag vraag ik uw aandacht voor het volgende. Zoals ik eerder de Landsadvocaat berichtte heeft zich tot mij gewend [eiseres] B.V. te [plaats] (cliënte) met het verzoek om haar belangen te behartigen in de kwesties die spelen met de Belastingdienst/Toeslagen (Staat der Nederlanden). Meer specifiek gaat het dan om de stopzetting van toeslagen van aan cliënte verbonden ouders door de Belastingdienst/Toeslagen. Deze kwestie is ook nog onderwerp van de lopende procedures bij de Afdeling Bestuursrechtspraak waar het recht op toeslag van de aan cliënte verbonden ouders centraal staat.
Alhoewel de zaak van cliënte niet (kenbaar) is beoordeeld door de Commissie Donner, stelt zij dat zij toch vergelijkbaar is met de zogenoemde CAF-onderzoeken. Uit het dossier zoals dat cliënte inmiddels ter beschikking staat, volgt dat de Belastingdienst heeft verzocht om een beoordeling van cliënte door het CAF, en dat de CAF-methodiek ook in het onderzoek naar haar bedrijfsvoering en het recht van opvang van de aan haar verbonden ouders. Cliënte stelt zich op het standpunt dat de Belastingdienst door de stopzetting van toeslagen van de aan haar verbonden ouders ook jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld en hierdoor schade is ontstaan. Voor deze schade stelt zij de Belastingdienst aansprakelijk en cliënte wenst deze schade ook vergoed te zien.”
Hierna hebben vier gesprekken plaatsgevonden tussen [naam 1] en mr. Wijling en de Belastingdienst. Uiteindelijk heeft de Belastingdienst per e-mail van 3 oktober 2022 aan mr. Wijling bericht dat er geen onrechtmatige handeling is geweest vanuit de Belastingdienst jegens [eiseres] .
Bij vonnis van deze rechtbank van 7 augustus 2024 heeft de rechtbank de vorderingen van [naam 1] en [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2]) tegen de Staat afgewezen. Zij vorderden onder meer een verklaring voor recht dat de Belastingdienst onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld. De vorderingen zijn afgewezen omdat het gestelde handelen door de Belastingdienst [eiseres] trof en niet de aandeelhouders. In het vonnis staat onder meer het volgende (r.o. 4.11):
“Zelfs al zou de rechtbank de stelling van [naam 1] volgen dat het onderzoek (mede) persoonlijk op haar was gericht, dan kan dit niet tot toewijzing van haar vordering leiden. De Belastingdienst is, zoals de rechtbank hiervoor in rov. 4.8 heeft overwogen, een onderzoek gestart omdat verschillende vraagouders kinderopvangtoeslag aanvroegen voor een opvallend hoog aantal uren. Tussen partijen is niet in geschil dat de Belastingdienst naar aanleiding van deze signalen nader onderzoek mocht doen. Daartoe heeft op 21 november 2014 een bedrijfsbezoek plaatsgevonden. Tijdens het bedrijfsbezoek heeft de Belastingdienst geconstateerd dat uit de administratie van [eiseres] en [bedrijf 1] niet kon worden afgeleid welke bedragen ouders nu betaalden voor de uren op de opvang (waarvoor ouders recht hadden op kinderopvangtoeslag) en welke bedragen de ouders betaalden voor de particuliere school (waarvoor ouders geen recht hadden op kinderopvangtoeslag). [naam 1] heeft dit ook naar aanleiding van vragen van de rechtbank op de mondelinge behandeling van 27 juni 2024 in onvoldoende mate kunnen verduidelijken. De rechtbank is in deze omstandigheden van oordeel dat de Belastingdienst in 2014/2015 een nadere uitvraag bij de ouders mocht doen om vast te stellen voor welke uren en bedragen recht op kinderopvangtoeslag bestond. Gelet op het voorgaande heeft [naam 1] onvoldoende gemotiveerd onderbouwd waarom het onderzoek jegens haar onzorgvuldig (laat staan: onrechtmatig) is geweest.”
[naam 1] en [bedrijf 2] hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Bij beschikking van 9 januari 2025 heeft de rechtbank Midden-Nederland de vereffening van het vermogen van [eiseres] heropend, zodat [eiseres] de Staat zelfstandig in rechte kan aanpreken.
4. Het geschil
[eiseres] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dat:
voor recht zal worden verklaard dat de Staat onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld;
de Staat zal worden veroordeeld tot schadevergoeding op te maken bij staat;
de Staat zal worden veroordeeld in de kosten van het geding, waaronder begrepen de noodzakelijke reis- en verblijfkosten en verletkosten van [eiseres] en het salaris en de noodzakelijke verschotten van de advocaat van [eiseres] , te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis en – voor het geval dat voldoening van deze kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de veertiende dag na dagtekening van het vonnis.
[eiseres] legt daaraan – samengevat – het volgende ten grondslag. [eiseres] verkeerde in zwaar weer en haar bedrijfsvoering en bestaan liepen gevaar. Die financiële situatie is veroorzaakt door de onregelmatige betalingen van kinderopvangtoeslag aan de aan [eiseres] verbonden ouders, waardoor zij de kinderopvang niet meer (op tijd) konden betalen. Dienst Toeslagen heeft nagelaten om – in weerwil van de bij haar bekende omstandigheden – minder belastende keuzes te maken. De Staat is aansprakelijk op grond van artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad) omdat Dienst Toeslagen in strijd heeft gehandeld met een maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm zoals verwoord in het arrest van de Hoge Raad van 19 juli 2019. Bovendien heeft de Staat het bepaalde in artikel 3:13 lid 2 BW (misbruik van bevoegdheid) geschonden. Hierdoor heeft de Staat onrechtmatig jegens [eiseres] gehandeld.
Daarnaast is de door Dienst Toeslagen gevolgde aanpak CAF-vergelijkbaar geweest, hadden de aan [eiseres] verbonden ouders geen enkele invloed op “het lot dat hen was beschoren” en is sprake van hardheid, dan wel vooringenomenheid, van Dienst Toeslagen. De Staat heeft onrechtmatig gehandeld tegenover de aan [eiseres] verbonden ouders en heeft daarom volgens [eiseres] ook tegenover haar onrechtmatig gehandeld.
De Staat voert verweer. De Staat meent dat geen sprake is van onrechtmatig handelen en evenmin van indirect onrechtmatig handelen. De uitvraag vond plaats in het kader van de vaststelling van het recht op kinderopvangtoeslag van de betrokken ouders, naar aanleiding van opvallend hoge uren en een vraag van een ouder. Dat was ook de achtergrond van het memo. Dienst Toeslagen hoefde niet vanwege de belangen van [eiseres] van een uitvraag af te zien, vooral omdat de uitvraag mede het gevolg was van de wijze waarop [eiseres] haar administratie voerde. Dienst Toeslagen mocht dus tot de uitvraag overgaan zoals in januari 2015 is gebeurd. Hierbij heeft Dienst Toeslagen geen misbruik van bevoegdheid gemaakt.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5. De beoordeling
In essentie is het standpunt van [eiseres] dat de door de Staat gemaakte keuze om de uitvraag te doen in januari 2015 bij ouders die verbonden waren aan [eiseres] , jegens haar onzorgvuldig is, en de keuze voor de meest ingrijpende sanctiemogelijkheid (optie 2 uit het memo) ook. [eiseres] heeft het gevoel te worden gestraft voor haar mondige optreden namens de ouders.
Het toetsingskader
Op deze zaak zijn de volgende regels van toepassing:
wet- en regelgeving voor de beoordeling en toekenning van kinderopvangtoeslag aan ouders van kinderen die gebruik maken van kinderopvang;
wet- en regelgeving die ziet op de verplichtingen van de kinderopvanginstelling.
a). Regels voor de beoordeling en toekenning van kinderopvangtoeslag aan ouders
De artikelen 1.5 tot en met 1.9 Wko bepalen wanneer een ouder recht heeft op kinderopvangtoeslag. Een ouder heeft aanspraak op kinderopvangtoeslag als bijdrage in de door hem of zijn partner betaalde kosten voor kinderopvang voor kinderopvang in een geregistreerd kindercentrum (artikel 1.5 lid 1 sub a Wko). Uit artikel 1.7 lid 1 Wko volgt dat de hoogte van de kinderopvangtoeslag afhankelijk is van de draagkracht, de kosten van kinderopvang die per kind worden bepaald door het aantal uren kinderopvang en de voor die kinderopvang te bepalen prijs (met inachtneming van het maximumbedrag) en de soort kinderopvang (dagopvang of buitenschoolse opvang).
Sinds 1 januari 2012 is in het Besluit Kinderopvangtoeslag een koppeling gemaakt tussen het aantal arbeidsuren van de minst werkende ouder en het aantal uren waarvoor kinderopvangtoeslag wordt toegekend.
Een tegemoetkoming in de kinderopvangkosten wordt op aanvraag toegekend door Dienst Toeslagen (artikel 14 lid 1 Awir). Ingevolge artikel 18 Awir verstrekt een belanghebbende desgevraagd aan Dienst Toeslagen alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.
Uit artikel 18 lid 1 Awir in verbinding met artikel 1.7 lid 1 aanhef en onder b Wko volgt dat de ouder die aanspraak maakt op kinderopvangtoeslag moet kunnen aantonen dat hij kosten voor kinderopvang heeft gemaakt en wat de hoogte van die kosten is.
b). Regels met betrekking tot de kinderopvanginstelling
Artikel 11 lid 2 sub f van de Regeling Wet kinderopvang (hierna: de Regeling) bepaalt dat de overeenkomst tussen de houder van het kinderopvangcentrum (hier: [eiseres] ) en de ouder moet vermelden: de soort kinderopvang waarop de overeenkomst betrekking heeft, de voor die kinderopvang te betalen prijs per uur, naam, geboortedatum en adres van het kind, het aantal uren kinderopvang per jaar en de duur van de overeenkomst.
De administratie van een kindercentrum moet zodanig ingericht zijn dat op verzoek van Dienst Toeslagen tijdig de gegevens of inlichtingen over de gegevens bedoeld in artikel 11 lid 1 onder b van de Regeling kunnen worden verstrekt die van belang kunnen zijn voor de aanspraak van een ouder op en de hoogte van de kinderopvangtoeslag en het voorschot daarop. Die gegevens of inlichtingen zijn onder andere: de overeenkomsten als hiervoor bedoeld (zie 5.7), betaalbewijzen waaruit de betalingen van de ouder aan het kindercentrum blijken en een jaaroverzicht en maandoverzichten per ouder, met vermelding van de naam, het burgerservicenummer en de geboortedatum van het kind, met daarin opgave van het aantal uren per jaar en per maand dat per kind is afgenomen en de gemiddelde uurprijs per kind.
Tegen de achtergrond van dit toetsingskader worden hierna de verwijten van [eiseres] besproken.
Is sprake van schending van een maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm?
[eiseres] stelt dat de Belastingdienst jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is op grond van artikel 6:162 BW omdat de Belastingdienst de daarin vervatte maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm zoals verwoord in het arrest van de Hoge Raad van 19 juli 2019 heeft geschonden.
Het arrest van 19 juli 2019 ziet op de Groninger aardbevingsschade. De Hoge Raad oordeelde dat een bewoner van een huis waaraan fysieke schade is ontstaan die is veroorzaakt of verergerd door aardbevingen in Groningen recht heeft op schadevergoeding wegens gederfd woongenot, omdat in dat geval het niveau is bereikt waarop de door de Nederlandse Aardoliemaatschappij (hierna: NAM) veroorzaakte hinder en overlast onrechtmatig is en dat NAM op grond daarvan aansprakelijk is. In het arrest staat onder meer het volgende (in r.o. 2.7.3):
“De Staat handelt onrechtmatig als bedoeld in artikel 6:162 BW indien hij ermee bekend is of ermee bekend moet zijn:
(i) dat aan de gaswinning in Groningen gevaren verbonden zijn die met bodembeweging verband houden,
(ii) dat de kans op verwezenlijking van deze gevaren tot ernstige of wijdverbreide schade kan leiden,
maar desalniettemin nalaat tijdig de gezien de omstandigheden van het geval passende en redelijkerwijs te vergen maatregelen te treffen om het ontstaan van schade als gevolg van de gaswinning te voorkomen.”
[eiseres] stelt dat de Belastingdienst de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden door de handhavingsstrategie onder “Mogelijkheid 2: Nihilstellen” uit het memo te volgen, terwijl:
de Belastingdienst ermee bekend was dat aan de tenuitvoerlegging van de handhavingsstrategie onder “Mogelijkheid 2: Nihilstellen” uit het memo i) gevaren verbonden waren die verband hielden met het voortbestaan en de bedrijfsvoering van [eiseres] ; ii) dat verwezenlijking van deze gevaren reëel was; iii) verwezenlijking ervan tot ernstige schade zou leiden en iv) er een (veel) minder belastend alternatief voorhanden was dat de gevaren onder i), ii) en iii) zou ondervangen;
de Belastingdienst ondanks deze (meervoudige) bekendheid en bekendheid met het beschikbare alternatief geen andere handelwijze heeft gekozen en/of andere mitigerende maatregelen heeft getroffen en daardoor disproportioneel c.q. onevenredig heeft gehandeld; en
achteraf is komen vast te staan dat vergelijkbaar handelen jegens de aan [eiseres] verbonden ouders vanwege de hardheid, vooringenomenheid en/of opzet/grove schuld daarvan niet door de beugel kon en aan [eiseres] verbonden ouders ook zijn erkend als gedupeerde ouders als bedoeld in de Wet hersteloperatie toeslagen.
De redenen voor de uitvraag
De Staat betoogt dat er verschillende redenen waren voor het doen van de uitvraag bij de ouders. De Staat wijst ten eerste op het opvallend hoge aantal uren waarvoor aan [eiseres] verbonden ouders kinderopvangtoeslag hadden aangevraagd; zo zou de minst verdienende ouder per gezin 64 uur per week moeten werken om voor de doorgaans door aan [eiseres] verbonden ouders aangevraagde 180 uur kinderopvangtoeslag in aanmerking te komen. Ten tweede riep de administratie van [eiseres] vragen op.
1). Hoog aantal uren?
[eiseres] heeft het hoge aantal uren kinderopvang als volgt toegelicht. [eiseres] bood opvang aan in abonnementsvorm. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] toegelicht dat dit voor ouders goedkoper is dan een uurcontract en dat het wettelijk niet vereist is dat het kind voor al die uren gebruik moet hebben gemaakt van de opvang. Dit verklaart volgens [eiseres] de afname van het hoge aantal uren kinderopvang door haar klanten. Bovendien had [eiseres] onder haar klanten veel ondernemers die veel uren afnamen en had zij ruime openingstijden. Verder heeft [eiseres] hierover tijdens de mondelinge behandeling nog verklaard dat ouders hun kinderen vaak naar de dagopvang of de naschoolse opvang brachten omdat zij even tijd voor zichzelf wensten te hebben.
De rechtbank begrijpt dat het hoge aantal uren bij de Belastingdienst vragen opriep, ook na de door [eiseres] gegeven uitleg.
Het recht op toeslag is immers gekoppeld aan het aantal arbeidsuren van de minst werkende ouder en is bedoeld voor daadwerkelijk afgenomen kinderopvang. De abonnementsconstructie van [eiseres] berustte op een wel zeer ruime uitleg van deze wettelijke vereisten. Ook door de hiervoor in 3.8 bedoelde vraag van een aan [eiseres] verbonden ouder was er ruimte voor twijfel of de abonnementsconstructie wel gebaseerd was op daadwerkelijk afgenomen uren.
In samenhang met wat de rechtbank hierna over de administratie van [eiseres] oordeelt, is de rechtbank daarom van oordeel dat Dienst Toeslagen hierin aanleiding kon zien voor een uitvraag.
2). De administratie van [eiseres]
De Staat betoogt dat de uitvraag mede het gevolg was van de wijze waarop [eiseres] haar administratie voerde, wat leidde tot problemen bij de vaststelling van de kinderopvangtoeslag. De Staat verwijst naar het verslag van het gesprek van 3 november 2014 (zie 3.6), het verslag van het bedrijfsbezoek van 21 november 2014 (zie 3.7), de interne notitie van Dienst Toeslagen van 10 maart 2015 (zie 3.12) en het memo (zie 3.10). Hieruit volgt volgens de Staat dat er voldoende aanleiding bestond voor Dienst Toeslagen om gebruik te maken van zijn controlebevoegdheid in het kader van de vaststelling van het recht op kinderopvangtoeslag.
De rechtbank is van oordeel dat de administratie van [eiseres] niet zodanig was ingericht dat tijdig de gegevens konden worden verstrekt die voor de aanspraak van een ouder op kinderopvangtoeslag, de hoogte daarvan en het voorschot daarop, van belang kunnen zijn, zoals de Regeling vereist. De volgende feiten en omstandigheden zijn hiertoe redengevend.
De Staat betoogt dat de administraties van [eiseres] en [bedrijf 1] niet goed van elkaar gescheiden waren, zodat het onderscheid tussen schooluren en kinderopvanguren moeilijk te maken was. Dit blijkt uit het verslag van het bedrijfsbezoek, waarin hierover staat: “Het problematische is dat bij de kinderen die naar zowel de school als de opvang gaan, contracten niet gescheiden zijn. De schooluren en opvanguren staan als één blok op de factuur en het plaatsingscontract, zonder onderscheid. [eiseres] was op het moment van het bezoek druk bezig om deze contracten (en bijbehorende facturen) van elkaar te scheiden.”
Tijdens de mondelinge behandeling ontstond verwarring bij de advocaat van [eiseres] over de contracten van [eiseres] en [bedrijf 1] . De advocaat van [eiseres] was in de veronderstelling dat de betreffende contracten op de school zagen, omdat er ‘Particuliere school’ op stond, terwijl deze contracten volgens [eiseres] zagen op de opvang van kinderen die ook op de particuliere school zaten. [eiseres] heeft toegelicht dat dit op deze wijze in het contract stond ten behoeve van de boekhouder van [eiseres] en [bedrijf 1] , om inzicht te krijgen welke kinderen van andere scholen naar de buitenschoolse opvang van [eiseres] kwamen en welke kinderen van de eigen school.
Uit het voorgaande volgt dat de contracten van [eiseres] niet duidelijk waren en niet voldeden aan de eisen die artikel 11 lid 2 sub f van de Regeling aan de overeenkomsten stelt. Het contract moet onder meer de soort opvang waarop de overeenkomst betrekking heeft vermelden, de voor die kinderopvang te betalen prijs per uur en het aantal uren kinderopvang per jaar en per maand. Dit blijkt niet eenvoudig uit de overeenkomsten tussen [eiseres] en de ouders. Dat het voor [eiseres] zelf wel duidelijk was, maakt dit niet anders: haar administratie moest ook voor derden controleerbaar en begrijpelijk zijn, juist vanwege de aard van het bedrijf dat zij voerde.
Verder blijkt uit het verslag van het bedrijfsbezoek dat [bedrijf 1] geen eigen factureringssysteem had. De facturen van [bedrijf 1] kwamen uit het systeem van [eiseres] , waardoor op de factuur voor de particuliere school het rekeningnummer van de opvang stond. De kinderopvangtoeslag werd geboekt op de rekening van [bedrijf 1] (de school). [eiseres] heeft toegelicht dat de reden hiervoor is dat de kinderopvang van deze kinderen werd verzorgd door de medewerkers van de school en om inzicht te krijgen welke omzet via de reguliere opvang werd verkregen. Ook hier geldt dat de factuur voor de kinderopvang niet alleen bestemd is voor de eigen boekhouding van [eiseres] , maar ook voor de klant die kinderopvangtoeslag ontvangt of wil ontvangen. Door deze manier van factureren is het voor de ouders lastig aan te tonen welke kosten betrekking hebben op de school (waarvoor ouders geen recht hebben op kinderopvangtoeslag) en welke kosten zien op de opvang (waarvoor ouders recht kunnen hebben op kinderopvangtoeslag).
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank aan [eiseres] voorgehouden dat op de afschriften van een ING Betaalrekening ten name van [eiseres] over de periode van 1 januari 2013 tot en met 19 januari 2014 bij de bijgeschreven bedragen de omschrijving ‘schoolgeld’ staat. [eiseres] heeft toegelicht dat op de betreffende facturen staat dat dit de buitenschoolse opvang betreft en dat het ging om een kind dat iedere dag naar de opvang kwam. Het betrof volgens [eiseres] dus niet de betaling van schoolgeld, maar betaling van kosten voor kinderopvang. De omschrijving “schoolgeld” past echter niet bij deze uitleg; dat Dienst Toeslagen hierover vragen had, was dus niet vreemd.
[eiseres] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat er één soort briefpapier was voor beide ondernemingen, waarboven stond: “ [bedrijf 1] ”. Dat briefpapier werd zowel gebruikt door [eiseres] als door [bedrijf 1] . Dit schept verwarring bij de lezer van het document.
[eiseres] heeft er nog op gewezen dat [eiseres] en [bedrijf 1] gescheiden vermogens hadden en dat beide vennootschappen stonden ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel en voldeden aan hun deponeringsplicht. Hieruit volgt volgens [eiseres] dat de administraties goed gescheiden waren. Dat de vennootschappen apart stonden ingeschreven en aan hun deponeringsplicht voldeden, betekent echter nog niet dat de administratie van [eiseres] ook voldeed aan de eisen die de Regeling daaraan stelt. De vereisten die het vennootschapsrecht stelt aan de boekhouding van bedrijven in het algemeen, zijn immers andere dan de vereisten die de Regeling stelt aan de administratie van kindercentra in het bijzonder.
Het voorgaande brengt mee dat Dienst Toeslagen gegronde redenen had voor het doen van een informatieverzoek bij de aan [eiseres] verbonden ouders om het recht op (en de hoogte van de) kinderopvangtoeslag vast te kunnen stellen. Op grond van het bepaalde in artikel 18 lid 1 Awir is Dienst Toeslagen daartoe bevoegd en op grond van artikel 1.7 lid 1 aanhef en onder b Wko moet de ouder die aanspraak maakt op kinderopvangtoeslag kunnen aantonen dat hij kosten voor kinderopvang heeft gemaakt en wat de hoogte van die kosten is.
De keuze voor mogelijkheid 2 uit het memo
De volgende vraag die ter beoordeling voorligt, is of de Belastingdienst mocht kiezen voor mogelijkheid 2 uit het memo (zie 3.10).
Mogelijkheid 2 gaat uit van het doen van een informatieverzoek onder de ouders. Hierin staat duidelijk vermeld dat alleen in het geval dat de juiste contracten en facturen niet door de ouders worden aangeleverd de hoogte van de aanspraak niet kan worden vastgesteld en dat dan de toeslagen bij die ouders op nihil worden gesteld. De kop “Mogelijkheid 2: Nihilstellen” boven dit gedeelte van het memo dekt de lading feitelijk niet, want als de ouders voldoende informatie aanleverden, volgde geen nihilstelling. Bij achttien ouders die op de uitvraag hebben gereageerd is niets gewijzigd aan de hoogte van de kinderopvangtoeslag; bij tien ouders is de kinderopvangtoeslag aangepast aan de nagekomen informatie. Bij deze 28 ouders is de kinderopvangtoeslag dus niet op nihil gesteld, terwijl zij wel onderdeel uitmaakten van de uitvraag. De drie ouders waarbij de kinderopvangtoeslag naar aanleiding van de uitvraag op nihil is gesteld, hebben niet op de uitvraag gereageerd.
Optie 2 in het memo hield dus in: navraag doen en de aanspraken van de ouders vaststellen op basis van de verstrekte informatie, en niet: zonder meer alle aanspraken op nihil stellen. De situatie was dus anders dan [eiseres] in haar betoog schetst. Dat aan het volgen van optie 2 gevaren verbonden waren voor het voortbestaan en de bedrijfsvoering van [eiseres] waarmee Dienst Toeslagen rekening had moeten houden, is daarom niet duidelijk. De uitvraag vond plaats in het kader van de vaststelling van het recht op kinderopvangtoeslag van de betrokken ouders; Dienst Toeslagen heeft het recht van die ouders vervolgens vastgesteld op basis van de door hen aangeleverde informatie. Voor de meeste ouders die op dat moment nog aan [eiseres] verbonden waren, heeft dit niet tot een nihilstelling geleid. Alleen de aanspraken van ouders die geen informatie hebben aangeleverd terwijl zij wettelijk verplicht waren dit te doen, zijn op nihil gesteld; deze sanctiemogelijkheid vloeit voort uit de wet. Waarom desondanks sprake zou zijn van disproportioneel of onevenredig handelen door Dienst Toeslagen heeft [eiseres] niet toegelicht; dit kan de rechtbank daarom niet beoordelen.
Gezien het voorgaande is niet duidelijk waarom Dienst Toeslagen tegenover de ouders gehouden zou zijn om niet voor optie 2 te kiezen, en al helemaal niet waarom Dienst Toeslagen daartoe gehouden zou zijn tegenover een derde als [eiseres] .
Tussenconclusie
Dienst Toeslagen heeft de wettelijke taak om erop toe te zien dat toeslagen volgens de wet worden toegekend. Wanneer er concrete signalen zijn dat dit ergens niet goed gaat, moet zij dit controleren: het gaat immers om de besteding van belastinggeld. In dit geval waren er meerdere signalen dat er iets niet goed ging met de toeslagen van aan [eiseres] verbonden ouders – deels door signalen vanuit [eiseres] zelf, deels door signalen vanuit (de aanvragen van) aan [eiseres] verbonden ouders.
Dienst Toeslagen heeft naar aanleiding van die signalen onderzoek gedaan en is ook in gesprek gegaan met [eiseres] . De uitkomsten van dat nadere onderzoek en de gesprekken met [eiseres] konden redelijkerwijze tot vragen leiden. Dienst Toeslagen mocht daarom overgaan tot een uitvraag bij de betrokken ouders, om vast te stellen voor welke uren en bedragen recht op kinderopvangtoeslag bestond.
De Belastingdienst heeft hiermee geen maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm geschonden en heeft met het doen van de uitvraag niet onrechtmatig jegens [eiseres] gehandeld.
Dit betekent dat ook geen sprake is van misbruik van bevoegdheid als bedoeld in artikel 3:13 lid 2 BW, aangezien [eiseres] hieraan dezelfde feiten en omstandigheden ten grondslag heeft gelegd.
De overige grondslagen van de vorderingen
[eiseres] heeft verder aangevoerd dat de door Dienst Toeslagen gevolgde aanpak CAF-verglijkbaar is geweest, namelijk “een groepsgewijze benadering en het bevriezen van bezwaren”. [eiseres] verwijst ter onderbouwing naar de interne notitie van Dienst Toeslagen van 10 maart 2015 (zie 3.12), waarin staat: “wellicht ook iets voor Fraude?” en een onderdeel volledig is weggelakt.
In 2013 heeft de Belastingdienst het CAF (Combiteam Aanpak Facilitators) opgericht om degenen die systeemfraude met betrekking tot kinderopvangtoeslag faciliteerden integraal te kunnen aanpakken. Hierbij heeft de Belastingdienst niet altijd zorgvuldig gehandeld. De Staat heeft gemotiveerd weersproken dat ten aanzien van [eiseres] of de aan [eiseres] verbonden ouders van een CAF-onderzoek, of een hiermee vergelijkbaar onderzoek, sprake is geweest. Die term is volgens de Staat alleen in het interne berichtenverkeer van Dienst Toeslagen gebruikt. Hiertegenover heeft [eiseres] onvoldoende argumenten naar voren gebracht ter rechtvaardiging van haar stelling dat de Belastingdienst op dit punt onrechtmatig jegens haar of haar klanten heeft gehandeld. Er zijn geen aanwijzingen dat de uitvraag niet naar behoren is gedaan of dat de Belastingdienst hierbij, of anderszins, onzorgvuldig heeft gehandeld.
[eiseres] heeft slechts in algemene zin gesteld dat sprake is geweest van hardheid of vooringenomenheid van de Belastingdienst bij de beoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag van de bij de uitvraag betrokken ouders; deze stelling heeft zij op geen enkele wijze geconcretiseerd. Het enkele feit dat de Belastingdienst veel fouten heeft gemaakt, is onvoldoende om te oordelen dat zij dat ook in deze zaak heeft gedaan, en dan ook nog op een manier die ook onrechtmatig is tegenover [eiseres] . Bovendien kwam de uitvraag in deze zaak niet voort uit een verdenking van fraude met kinderopvangtoeslag door de betrokken ouders, maar uit vragen die de administratie en het abonnement van [eiseres] betroffen.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van [eiseres] zich op het standpunt gesteld dat de uitvraag was gericht tegen de onderneming van [eiseres] en bedoeld was om de persoon van [naam 1] te schaden. Nog afgezien van het feit dat [naam 1] geen partij is in deze procedure, is hiervan niet gebleken.
Ten slotte heeft [eiseres] tijdens de mondelinge behandeling nog betoogd dat sprake was van discriminatie en dat de nihilstelling allemaal klanten met een buitenlandse achtergrond betrof. In de documenten die [eiseres] in deze procedure heeft ingediend, is hierover niets te vinden; in de dagvaarding staat er ook niets over. Bovendien volgt uit het voorgaande dat met name het hoge aantal aangevraagde uren en de wijze waarop [eiseres] haar administratie voerde aanleiding gaven tot de uitvraag, niet de nationaliteit of namen van haar klanten.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat ook op basis van de overige door [eiseres] aangevoerde gronden geen sprake is van rechtstreeks of indirect onrechtmatig handelen door de Staat tegenover haar.
Slotsom
De slotsom is dat de vorderingen op geen van de aangevoerde grondslagen toewijsbaar zijn en dat deze worden afgewezen. [eiseres] heeft onvoldoende concrete te bewijzen feiten en omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel kunnen leiden. Aan een bewijsopdracht komt de rechtbank daarom niet toe.
Proceskosten
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op:
- griffierecht € 714
- salaris advocaat € 1.306 (2 punten x tarief II à € 653)
- nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.209
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6. De beslissing
De rechtbank:
wijst de vorderingen van [eiseres] af;
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van de Staat van € 2.209, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van algehele voldoening van de proceskosten;
verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.J-A. Seinen en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.
2339