Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/038895-26 en 09/216784-25 (ttz.gev.) en 09/103389-25 (ttz.gev.)
Datum uitspraak: 2 juni 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlasteleggingen en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte]
geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 19 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. C. Vermeulen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman
mr. M.D.A. Stam naar voren is gebracht.
[benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4] hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd en schadevergoeding gevorderd. Tijdens de inhoudelijke behandeling van de strafzaak was de heer [benadeelde 1] aanwezig.
2. De tenlasteleggingen
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen met parketnummers 09/038895-26 (hierna: dagvaarding I), 09/216784-25 (hierna: dagvaarding II) en 09/103389-25 (hierna: dagvaarding III). De tekst van de tenlasteleggingen is in bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle bij dagvaarding I, II en III ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het bij dagvaarding I ten laste gelegde feit, omdat de keten van bewijs onvoldoende sluitend zou zijn en de vermeende herkenning van de verdachte door verbalisanten onvoldoende specifiek. De raadsman heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de bij dagvaarding II onder 1 en 3 tenlastegelegde feiten niet wettig en overtuigend kunnen worden bewezen, zodat de verdachte ook hiervan moet worden vrijgesproken. Voor het overige heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in bijlage II opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
De rechtbank zal voor het bij dagvaarding III tenlastegelegde feit volstaan met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De verdachte heeft het bewezen te verklaren feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van dagvaarding I
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich op 30 december 2025 in Den Haag schuldig heeft gemaakt aan diefstal van een geldbedrag. Aan de hand van de op de terechtzitting getoonde camerabeelden constateert de rechtbank dat de aangever op de voormelde datum een geldbedrag wilde opnemen bij een pinautomaat in Den Haag. Op de camerabeelden is te zien dat de aangever daarbij werd afgeleid door een man en dat de man vervolgens het voor de aangever bestemde bedrag heeft weggenomen. Aan de hand van de camerabeelden is de betreffende man door een verbalisant herkend als de verdachte. De verbalisant heeft in een proces verbaal van bevindingen specifieke uiterlijke kenmerken omschreven op grond waarvan hij de verdachte heeft herkend. Het verweer van de verdediging wordt door de rechtbank derhalve niet gevolgd.
Ten aanzien van dagvaarding II, feit 1
De rechtbank acht voorts wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich op 17 maart 2025 te Voorburg schuldig heeft gemaakt aan insluiping in een woning en diefstal van een geldbedrag en een doos met inhoud. Tegenover de ontkennende verklaring van de verdachte staat de aangifte van insluiping, waarin de aangever heeft verklaard dat een man in de kamer stond. De aangever heeft voorts verklaard dat hij zag dat de man spullen in zijn zak stopte, waarna de man de straat op rende. De aangever heeft een foto van de man gemaakt. Diverse verbalisanten hebben de persoon op de foto herkend als de verdachte. Gelet hierop is er naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewijs om tot een bewezenverklaring te komen van het bij dagvaarding II onder 1 tenlastegelegde feit.
Ten aanzien van dagvaarding II, feit 2
De rechtbank heeft ten aanzien van het bij dagvaarding II onder 2 ten laste gelegde feit kennis genomen van de aangifte van diefstal van sigaretten en een telefoon uit de tas van de aangever op 30 maart 2025 in Den Haag. Op de ter terechtzitting getoonde camerabeelden is te zien dat een man op de voormelde datum in Den Haag zijn hand in de tas van de aangever steekt en vervolgens wegrent. De betreffende man is op basis van de beelden door twee verbalisanten herkend als de verdachte. Op grond hiervan acht de rechtbank de tenlastegelegde diefstal van sigaretten en een telefoon op 30 maart 2025 in Den Haag eveneens wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van dagvaarding II, feit 3
Ten aanzien van de verdenking van diefstal van geldbedragen uit een kapperszaak op de [adres 1] in Den Haag stelt de rechtbank aan de hand van de ter terechtzitting getoonde camerabeelden vast dat een man op 3 april 2025 de kapperszaak van de aangeefster is binnengelopen. Op de beelden is te zien dat de man een briefje van 10 euro wegneemt uit een tas. Daarnaast is te zien dat de man een portefeuille wegneemt en de zaak verlaat. De verdachte is aan de hand van de camerabeelden door diverse verbalisanten herkend. Daarnaast is op basis van de beelden een gelaatsvergelijkend onderzoek ingesteld, waarvan de conclusie luidt dat er veel aanwijzingen zijn dat de persoon op de beelden de verdachte is. Op grond hiervan acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 3 april 2025 geldbedragen heeft weggenomen uit de kapperszaak aan de [adres 1] te Den Haag.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Dagvaarding I (09/038895-26)
hij op 30 december 2025 te 's-Gravenhage een geldbedrag dat aan [benadeelde 1] , toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Dagvaarding II (09/216784-25)
1hij op 17 maart 2025 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg, in een woning, te weten een woning gelegen aan de [adres 2] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een hoeveelheid geld en een doos met inhoud die aan een ander toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2hij op 30 maart 2025 te ’s-Gravenhage een pakje sigaretten en een telefoon, die aan [benadeelde 2] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
3hij op 3 april 2025 te ’s-Gravenhage, uit een kapperszaak gelegen aan de [adres 1] , geldbedragen die aan [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Dagvaarding III (09/103389-25)
hij, op 4 april 2025 te 's-Gravenhage, opzettelijk een ambtenaar, te weten [naam 1] (werkzaam als agent), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen:- 'kanker flikker'- 'Je kankermoeder'- 'Neuk je kankermoeder'.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
De bewezen verklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De oplegging van een maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: de ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren wordt opgelegd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich namens de verdachte verzet tegen oplegging van de ISD-maatregel. Volgens de verdediging is het reclasseringsrapport, waarin de ISD-maatregel wordt geadviseerd, te algemeen, te gefragmenteerd en op punten onvolledig. Daarnaast zou de ISD-maatregel in de gegeven omstandigheden een te forse ingreep zijn. Volgens de verdediging kan de problematiek van de verdachte voldoende worden beheerst met voorwaarden in het kader van een voorwaardelijke ISD-maatregel.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden maatregel is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere diefstallen, namelijk twee diefstallen op de openbare weg, een diefstal uit een woning door middel van insluiping en een diefstal uit een bedrijfspand. Diefstal is een hinderlijk feit waarvan burgers en de maatschappij financiële schade en overlast ondervinden. Met het plegen van deze feiten heeft de verdachte geen blijk gegeven van respect voor de persoonlijke levenssfeer en de eigendomsrechten van anderen en kennelijk enkel oog gehad voor zijn eigen financieel gewin. Bovendien werkt het handelen van de verdachte gevoelens van onveiligheid en onrust in de samenleving in de hand.
De verdachte heeft voorts op de bewezenverklaarde wijze een politieambtenaar beledigd door hem uit te schelden. Zodoende heeft hij de agent niet alleen in zijn goede eer en naam aangetast, maar ook heeft de verdachte blijk gegeven van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag en het publieke belang dat door de politie wordt gediend. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 9 april 2026. Hieruit volgt dat de verdachte in het verleden herhaaldelijk is veroordeeld voor vermogensdelicten, waaronder verschillende keren in de afgelopen vijf jaar. Klaarblijkelijk hebben de eerdere veroordelingen, onder meer tot gevangenisstraffen, de verdachte er niet van weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen.
Persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van de reclasseringsadviezen van GGZ Fivoor Den Haag van 12 februari 2026 en 6 mei 2026 die over de verdachte zijn opgesteld. In het laatste rapport wordt geadviseerd over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de ISD-maatregel voor de verdachte. Op de terechtzitting is de heer [naam 2] , reclasseringsmedewerker, als getuige-deskundige gehoord. Hij heeft zijn advies toegelicht en de conclusies daarvan bevestigd.
De reclassering heeft verschillende risicofactoren gesignaleerd; middelengebruik, sociaal netwerk, houding en psychosociaal functioneren, financiën, dagbesteding en relatie gezin. De verdachte staat bij de reclassering bekend als stelselmatige dader en lijkt niet te reageren op bestraffing. In het verleden is aan de verdachte twee keer een ISD-maatregel opgelegd, heeft hij meermaals onder reclasseringstoezicht gestaan en is de verdachte meermaals in een begeleid wonen-project geplaatst. Dit heeft niet kunnen voorkomen dat de verdachte opnieuw vermogensdelicten pleegde. De reclassering schat de kans op recidive in als hoog. De reclassering verwacht dat de verdachte gebaat zal zijn bij strikte kaders en passende hulpverlening en ziet gezien de hoge risico’s op recidive en onttrekking geen mogelijkheden om de risico's met bijzondere voorwaarden te beperken. Bij een veroordeling adviseert de reclassering daarom aan de verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen.
Voldaan aan ‘harde’ ISD-criteria
De rechtbank stelt vast dat de verdachte aan de zogenoemde ‘harde’ ISD-criteria van artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht voldoet. Er is een vordering van de officier van justitie tot oplegging van de ISD-maatregel en de feiten waarvoor de verdachte wordt veroordeeld zijn misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het strafblad van 9 april 2026 blijkt dat de verdachte in de vijf jaren voordat hij dit feit pleegde ten minste drie keer voor een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf. Het feit waarvoor de verdachte nu wordt veroordeeld heeft hij gepleegd nadat deze straffen ten uitvoer waren gelegd. Er moet, gelet op het reclasseringsadvies en het strafblad van de verdachte, ernstig rekening mee gehouden worden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan waarbij de veiligheid van personen of goederen in het geding is.
De rechtbank overweegt verder dat de verdachte valt onder de definitie van ‘zeer actieve veelpleger’ uit de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers, aangezien over een periode van vijf jaren processen-verbaal voor meer dan tien misdrijffeiten tegen hem zijn opgemaakt, waarvan ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijffeit.
Voldaan aan ‘zachte’ ISD-criteria
Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of ook aan de zogenoemde ‘zachte’ ISD-criteria is voldaan. Dat wil zeggen dat de rechtbank beoordeelt of alle reële, minder ingrijpende alternatieven voor hulpverlening en het voorkomen van recidive zijn uitgeput en dus het uiterste middel van de ISD-maatregel overblijft.
Anders dan de verdediging heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat het reclasseringsrapport, waarin de ISD-maatregel wordt geadviseerd, voldoende aanknopingspunten biedt om tot een weloverwogen oordeel te komen.
De rechtbank overweegt dat de verdachte problemen heeft op verschillende leefgebieden en dat hij vaak is veroordeeld voor vermogens- en geweldsdelicten. Er is meermalen sprake geweest van reclasseringstoezicht, welk toezicht voortijdig negatief is beëindigd omdat de verdachte recidiveerde. Ook recente gevangenisstraffen hebben de verdachte er niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
In deze omstandigheden acht de rechtbank het, net als de reclassering, niet haalbaar om binnen een voorwaardelijk kader te komen tot gedragsverandering en tot verlaging van het recidiverisico. De rechtbank overweegt dat de problematiek van de verdachte hulpverlening vereist. Binnen de onvoorwaardelijke ISD-maatregel kan een hulpverleningstraject worden ingezet. Als de verdachte zich niet aan afspraken houdt, wordt hij in de PI teruggeplaatst. De maatschappij wordt hierdoor beter beschermd dan bij oplegging van een voorwaardelijke ISD maatregel. Omdat de verdachte steeds weer overlast en schade veroorzaakt, gaat nu het belang van de samenleving voor.
Conclusie
Alles afwegend acht de rechtbank het opleggen van de onvoorwaardelijke ISD-maatregel passend en geboden. Voor een optimale bescherming van de veiligheid van personen en goederen, maar ook om de verdachte gelegenheid te geven aan zijn problematiek te werken en een passende woonvoorziening te vinden, zal de rechtbank de maatregel opleggen voor de duur van twee jaar. De tijd die de verdachte vóór tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft gezeten wordt niet afgetrokken van de duur van die maatregel.
7. De vorderingen van de benadeelde partijen/de schadevergoedingsmaatregel
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
De heer [benadeelde 1] heeft schadevergoeding van 500 euro gevorderd, bestaand uit materiële schade, met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat [benadeelde 1] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering. Primair vanwege de bepleite vrijspraak ten aanzien van de diefstal, subsidiair omdat de hoogte van het gevorderde bedrag niet is onderbouwd.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de vordering van de heer [benadeelde 1] toewijzen, inclusief wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank overweegt dat uit de bewezenverklaarde diefstal bij het pinautomaat volgt dat de verdachte aan de eigenaar van het weggenomen geldbedrag, de heer [benadeelde 1] , rechtstreeks schade heeft toegebracht. Op grond van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek is de verdachte gehouden om de schade aan hem te vergoeden.
De rechtbank dient de schade op grond van artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek te begroten op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is en mag de hoogte zo nodig schatten.
De heer [benadeelde 1] heeft aan de hand van een bankafschrijving genoegzaam onderbouwd dat een bedrag van € 750,- is weggenomen bij het pinautomaat. Hij heeft voorts ter zitting verklaard dat hij een compensatie van € 250,- heeft ontvangen van de verzekering. De rechtbank stelt de schade daarom vast op € 500,- en zal de vordering van de heer [benadeelde 1] toewijzen tot dit bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente. De schade wordt geacht te zijn geleden op de dag van de diefstal, te weten 30 december 2025. De rechtbank zal de wettelijke rente daarom toewijzen vanaf die datum.
Proceskostenveroordeling
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt.
De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor de schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 30 december 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
De heer [benadeelde 2] heeft een materiele schadevergoeding van € 500,- gevorderd te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit een bedrag van € 100,- contant geld en een bedrag van € 400,- voor een mobiele telefoon. Daarnaast heeft de heer [benadeelde 2] een immateriële schadevergoeding van € 1.000,- gevorderd voor het gevoel van onveiligheid dat hij ervaart sinds de diefstal.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht de vordering van de benadeelde partij af te wijzen, bij gebrek aan onderbouwing.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat [benadeelde 2] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de vordering tot materiële schadevergoeding van de heer [benadeelde 2] afwijzen, nu niet is gebleken dat de gestelde schade een rechtstreeks gevolg van de bewezenverklaarde diefstal. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de bewezenverklaring, conform de aangifte, ziet op diefstal van sigaretten, niet op een bedrag van € 100,- contant geld. Voorts volgt uit de aangifte van de benadeelde partij dat hij zijn telefoon kort na de diefstal heeft teruggevonden bij een bouwplaats. De schade van € 400,- voor de telefoon is
op grond hiervan niet aannemelijk.
Ten aanzien van de immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. Hoewel de rechtbank kan invoelen dat het gebeuren op 3 april 2025 de benadeelde partij niet onberoerd heeft gelaten, bevat het dossier geen objectieve en concrete gegevens (zoals medische stukken) waaruit volgt dat hij als gevolg hiervan geestelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank kan bij gebreke van relevante informatie daaromtrent, niet vaststellen of bij de benadeelde partij sprake is van immateriële schade. Nader onderzoek hiernaar zou tot een onevenredige belasting van het strafgeding leiden. De rechtbank zal daarom de heer [benadeelde 2] niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot immateriële schadevergoeding. Hij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Proceskostenveroordeling
Nu de vordering van de heer [benadeelde 2] wordt afgewezen c.q. niet ontvankelijk wordt verklaard, zal de rechtbank de benadeelde partij veroordelen in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak heeft moeten maken in verband met zijn verdediging tegen die vordering. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]
Mevrouw [benadeelde 3] , eigenaar van de kapperszaak aan de [adres 1] in Den Haag, heeft een schadevergoeding van € 150,- gevorderd, bestaande uit € 50,- contant geld uit haar tas en
€ 100,- wisselgeld van de zaak.
Het standpunt van de officier van justitie
Het standpunt van de officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij, nu deze onvoldoende is onderbouwd.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat [benadeelde 3] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering bij gebrek aan een consistente opgave van de schade.
Het oordeel van de rechtbank
Op grond van het dossier kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat mevrouw [benadeelde 3] rechtstreeks schade heeft geleden door de diefstal van een geldbedrag van € 10,- uit de tas in haar kapperszaak. De rechtbank zal de verdachte veroordelen tot betaling van dit bedrag aan de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente per de datum van de diefstal, te weten 3 april 2025, en de schadevergoedingsmaatregel.
Ten aanzien van de overige schade heeft de benadeelde partij wisselend verklaard. In haar aangifte heeft zij verklaard dat een bedrag van € 500,- is weggenomen uit de kassa. In het wensenformulier is omschreven dat een bedrag van € 100,- zou zijn weggenomen uit een wisseltasje. De rechtbank stelt voorop dat het aan de benadeelde partij is om haar vordering te onderbouwen. Nu sprake is van wisselende verklaringen en uit het dossier niet blijkt welk bedrag - naast het briefje van 10 euro - door de verdachte is weggenomen uit de kapperszaak, verklaart de rechtbank de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering. Zij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Proceskostenveroordeling
Nu de vordering van mevrouw [benadeelde 3] gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor de schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 10,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 3 april 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]
De heer [benadeelde 4] heeft vergoeding gevraagd van een bedrag van € 350,- dat uit zijn portemonnee zou zijn gestolen.
Het standpunt van de officier van justitie
Het standpunt van de officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet ontvankelijkheid van de benadeelde partij, nu deze onvoldoende is onderbouwd.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat [benadeelde 4] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering bij gebrek aan een consistente opgave van de schade.
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van de gestelde schade heeft de benadeelde partij wisselend verklaard. In zijn aangifte heeft hij verklaard dat een bedrag van € 200,- is weggenomen uit zijn jas. In het wensenformulier is omschreven dat een bedrag van € 350,- zou zijn weggenomen uit zijn portemonnee. De rechtbank stelt voorop dat het aan de benadeelde partij is om zijn vordering te onderbouwen. Nu sprake is van wisselende verklaringen en uit het dossier niet blijkt welk bedrag, toebehorende aan [benadeelde 4] , door de verdachte is weggenomen uit de kapperszaak, verklaart de rechtbank de benadeelde partij niet ontvankelijk in zijn vordering. Hij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Proceskostenveroordeling
Nu de vordering van [benadeelde 4] niet ontvankelijk wordt verklaard, zal de rechtbank de benadeelde partij veroordelen in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak heeft moeten maken in verband met zijn verdediging tegen die vordering. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.
8. Strafbeschikking inzake 09-103389-25
Op 24 juni 2025 is door het openbaar ministerie aan de verdachte een strafbeschikking
d.d. 16 juni 2025 met CJIB-nummer 8132 5420 0580 3485 uitgereikt. Het betreft de belediging gepleegd op 4 april 2025. Nu de verdachte voor dit feit is gedagvaard en bij dit vonnis daarvoor wordt veroordeeld, zal de rechtbank deze strafbeschikking vernietigen.
9. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen maatregelen zijn gegrond op de artikelen:
- 36f, 38m, 38n, 57, 63, 266, 267, 310, 311 van het Wetboek van Strafrecht;
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
10. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding I, II en III ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van dagvaarding I:
diefstal;
ten aanzien van dagvaarding II, feit 1:
diefstal, in een woning, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt;
ten aanzien van dagvaarding II, feit 2:
diefstal;
ten aanzien van dagvaarding II, feit 3:
diefstal;
ten aanzien van dagvaarding III:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
Strafbeschikking
vernietigt de strafbeschikking d.d. 16 juni 2025, onder parketnummer 09-103389-25 en met CJIB-nummer 8132 5420 0580 3485;
legt de verdachte op:
de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (TWEE) JAREN;
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van
€ 500,- (vijfhonderd euro) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 30 december 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 1] ;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 30 december 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 1] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 5 dagen, waarbij de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
Wijst de vordering van [benadeelde 2] af;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, begroot op nihil;
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]
wijst de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde 3] toe tot het bedrag van € 10,00 (tien euro) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 3 april 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 3] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 10,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 april 2025, tot de dag waarop deze bedragen zijn betaald, ten behoeve van [benadeelde 3] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 1 dag, waarbij de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]
bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde 4] niet-ontvankelijk is in zijn vordering tot schadevergoeding en dat deze vordering door de benadeelde partij bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.S. Verboom, voorzitter,
mr. F.X. Cozijn , rechter,
mr. J.E. van Essen, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. J.J. Koster, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 juni 2026.