ECLI:NL:RBDHA:2026:14891

ECLI:NL:RBDHA:2026:14891

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 03-06-2026
Datum publicatie 04-06-2026
Zaaknummer NL26.28916
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Bewaring – beroep ongegrond – machtiging tot binnentreden – bewaringsgronden – artikel 59, tweede lid, van de Vw.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.28916

(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),

en

(gemachtigde: mr. W. Vrooman).

Procesverloop

Bij besluit van 22 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 1 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Hamidi. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek op 1 juni 2026 heropend en de minister om nadere inlichtingen gevraagd. De minister heeft deze inlichtingen verstrekt en partijen hebben ingestemd met verdere afdoening van deze zaak buiten zitting.

De rechtbank heeft het onderzoek op 2 juni 2026 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2000.

Machtiging tot binnentreden

2. Eiser stelt ter zitting dat de machtiging tot binnentreden van 20 mei 2026 niet is ondertekend. De elektronische handtekening die onder de in het dossier opgenomen machtiging staat is niet te verifiëren, waardoor geen sprake is van rechtsgeldig binnentreden.

3. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser voor het binnentreden geen toestemming heeft gegeven. Dit betekent dat voor het binnentreden een rechtsgeldige machtiging moet zijn afgegeven. Ter zitting heeft de minister erkend dat de elektronische handtekening op de in het dossier aanwezige machtiging tot binnentreden niet kan worden gevalideerd. Nadat de rechtbank het onderzoek heeft heropend heeft de minister de op 20 mei 2026 afgegeven machtiging tot binnentreden met daarop de te valideren elektronische handtekening in het digitale dossier geüpload. Eiser heeft de rechtbank laten weten zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank indien blijkt dat de machtiging wel rechtsgeldig is getekend.

4. De rechtbank is van oordeel dat uit de door de minister overgelegde machtiging tot binnentreden van 20 mei 2026 blijkt dat hierop een digitale handtekening is geplaatst, dat deze handtekening geldig is en dat de identiteit van de ondertekenaar eveneens geldig is. Dit leidt tot het oordeel dat voor het binnentreden zonder toestemming van de bewoner gebruik is gemaakt van een rechtsgeldig digitaal ondertekende machtiging tot binnentreden, zoals vereist in artikel 2 van de Algemene wet op het binnentreden. De beroepsgrond slaagt niet.

Bewaringsgronden

5. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:

3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;

en als lichte gronden vermeld dat eiser:

4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

6. Eiser betwist de lichte grond onder 4c. De rechtbank is echter van oordeel dat de niet-betwiste zware en lichte gronden feitelijk juist en voor zover nodig voldoende gemotiveerd zijn. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring in voldoende mate dragen, omdat hieruit een risico op onttrekking aan het toezicht blijkt. De rechtbank laat de door eiser betwiste grond om die reden verder onbesproken. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Artikel 59a, tweede lid, van de Vw

7. Op 27 mei 2026 heeft de Dienst Terugkeer en Vertrek (DTenV) eisers verzoek om toepassing van artikel 59a, tweede lid, van de Vw afgewezen omdat toestemming voor de doorreis via Duitsland en Denemarken ontbrak en omdat het vertrekvoorstel niet voldeed aan de voorwaarden als vastgelegd in het claimakkoord van 20 februari 2026. Hierdoor was volgens de DTenV geen sprake van een feitelijk uitvoerbaar vertrektraject.

8. Eiser stelt dat de minister artikel 59a, tweede lid, van de Vw ten onrechte niet heeft toegepast. Eiser heeft tweemaal veel moeite gedaan om een treinticket te regelen om terug te keren naar Zweden, zodat voor hem de mogelijkheid bestond om zelfstandig naar Zweden terug te keren. De minister heeft hem hiertoe echter niet in de gelegenheid gesteld door hem te voorzien van een Dublindocument of laissez-passer en de maatregel op te heffen. Eiser heeft beide tickets aan het dossier toegevoegd en wijst ook op het in het dossier aanwezige ten behoeve van eiser afgegeven laissez-passer van 26 mei 2026, waar eiser gebruik van zou kunnen maken. Door hem niet in gelegenheid te stellen om zelfstandig te vertrekken heeft de minister de maatregel onrechtmatig voortgezet vanaf 25 mei 2026, de datum van het eerste treinticket.

9. Ter zitting heeft de minister herhaald dat doorreistoestemming ontbreekt en dat het vertrekvoorstel niet aan de voorwaarden uit het claimakkoord voldoet. Bovendien bestaat de vrees dat eiser bij gebruikmaking van het treinticket uitstapt voordat hij Zweden bereikt.

10. De rechtbank overweegt als volgt. Uit artikel 59a, tweede lid, van de Vw volgt dat artikel 59, derde lid, van de Vw van overeenkomstige toepassing is. Daarin is bepaald dat de bewaring van een vreemdeling achterwege blijft indien en beëindigd wordt zodra hij te kennen geeft Nederland te willen verlaten en hiertoe voor hem ook gelegenheid bestaat.

11. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 59a, tweede lid, van de Vw. Eiser is niet in bezit van een geldig grensoverschrijdingsdocument of doorlaatbewijs voor een treinreis naar Zweden via Duitsland en Denemarken. Uit het ten behoeve van eiser afgegeven laissez-passer blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat dit is afgegeven overeenkomstig de Dublinverordening, uitsluitend geldig voor de overdracht aan Zweden, en – zo begrijpt de rechtbank – slechts te gebruiken voor een overdracht per vliegtuig. Bovendien moet er, zoals is vermeld in het claimakkoord, sprake zijn van een “supervised departure”, waarvan in het geval van een zelfstandige treinreis geen sprake is. Hieruit leidt de rechtbank af dat dit laissez-passer niet is te gebruiken voor de door eiser beoogde treinreis. Daarnaast wijst de rechtbank naar de eerdere verklaring van eiser in het vertrekgesprek van 11 mei 2026 dat hij niet wil terugkeren naar Zweden en de verklaring tijdens het gehoor voorafgaand aan inbewaringstelling van 22 mei 2026, waarin eiser heeft verklaard dat de voorzieningen en opvang in Zweden niet goed zijn en dat hij de voorwaarde verbindt aan een terugkeer naar Zweden dat hij daar in het bezit wordt gesteld van een verblijfsvergunning, zodat de minister vraagtekens mocht zetten bij de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser om daadwerkelijk zelfstandig naar Zweden te vertrekken. Gelet hierop heeft de minister aan het overleggen van treintickets niet de betekenis hoeven toe te kennen die eiser hieraan toekent. De minister heeft hierom terecht geen toepassing gegeven aan artikel 59a, tweede lid van de Vw. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

12. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de

rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het

onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie

13. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Bruins, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

3 juni 2026

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. P. Bruins

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand