ECLI:NL:RBDHA:2026:14893

ECLI:NL:RBDHA:2026:14893

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 02-06-2026
Datum publicatie 04-06-2026
Zaaknummer NL26.22624
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Dublin België. Beroep gegrond – onzorgvuldige voorbereiding en motiveringsgebrek – opvang niet-kwetsbare alleenstaande mannen – effectieve rechtsbescherming – besluit vernietigd – pkv.

Uitspraak

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. A.J.M. Mohrmann),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. J. Wieman).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 21 april 2026 niet in behandeling genomen omdat België verantwoordelijk is voor de aanvraag.

De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M.D.M. Metry als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

Totstandkoming van het besluit

3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening (Dvo). Op grond van de Dvo neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij België een verzoek om terugname gedaan. België heeft dit verzoek aanvaard.

Interstatelijk vertrouwensbeginsel

4. In de uitspraak van 23 juli 2025 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) geoordeeld dat niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke asielzoekers niet meer overgedragen mogen worden aan België. Volgens de Afdeling kan niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van België worden uitgegaan. De Afdelingsuitspraak ziet op de volgende punten:

5. Eiser stelt dat de minister – nog steeds – niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van België. De minister stelt dat het aantal personen op de doorstroomlijst voor opvang afneemt. Maar er is nog steeds sprake van structurele en aanzienlijke tekortkomingen in de opvangvoorzieningen waardoor na overdracht geen zicht op opvang voor eiser bestaat. Daarbij voert eiser aan dat het onduidelijk is hoeveel en welke opvangplaatsen in de noodopvang bestemd zijn voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen zoals eiser. Uit de Afdelingsuitspraak van 23 juli 2025 valt namelijk af te leiden dat deze noodopvangplaatsen vooral worden ingezet voor gezinnen met kinderen en als tijdelijke plaatsen in de toeristische en jeugdsector, waarvan alleen gebruik wordt gemaakt in de winter. Eiser betwist dan ook dat de verbeteringen in het Belgische opvangstelsel afdoende zijn om te kunnen spreken van een aanzienlijke verbetering en dat de Belgische autoriteiten niet langer onverschillig tegenover de situatie staan. Eiser zal bij terugkeer naar België terechtkomen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie die hem niet in staat stelt om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften.

6. Op 5 februari 2026 heeft het Federaal agentschap voor de opvang van asielzoekers (Fedasil) een brief aan de minister gestuurd met nieuwe informatie. Deze brief gaat over de opvang van niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke asielzoekers en is als bijlage opgenomen bij het Informatiebericht 2026/8. Gebaseerd op deze brief, stelt de minister zich kort gezegd op het standpunt dat de opvang voor alleenstaande niet-kwetsbare mannelijke asielzoekers weer voldoende op orde is en dat (nood)opvang voor iedere alleenstaande mannelijke Dublinclaimant daadwerkelijk beschikbaar is. Al langere tijd staan er veel minder alleenstaande mannen op de doorstroomlijst voor een plek in het reguliere federale opvangnetwerk van Fedasil. In ruim een half jaar tijd is het aantal personen op deze lijst gehalveerd. Zo stonden er op 30 september 2025 1.945 personen op de doorstoomlijst, terwijl het op 1 mei 2026 slechts nog om 1.126 personen ging. Het aantal niet-kwetsbare alleenstaande mannen op deze lijst neemt dus al lange tijd af en blijft steeds verder afnemen. Hierdoor stelt de minister dat sprake is van een structurele en continue afname. Doordat de doorstroomlijst afneemt, wordt de beschikbaarheid van (nood)opvangplekken steeds groter. Gelet op deze cijfers hebben niet-kwetsbare alleenstaande mannen dus weer feitelijk toegang tot een (nood)opvangplaats in België. Daarbij merkt de minister op dat de Belgische autoriteiten middels het claimakkoord hebben gegarandeerd dat zij het verzoek om internationale bescherming van eiser in behandeling zullen nemen met inachtneming van de internationale verplichtingen die voortvloeien uit de verdragen en Europese richtlijnen die horen bij het behandelen van een asielaanvraag. Mocht eiser toch problemen ondervinden in de opvangvoorzieningen of anderszins, mag van hem worden verwacht dat hij klaagt bij de Belgische autoriteiten. Er is niet gebleken dat eiser dit heeft geprobeerd of dat dit voor hem niet mogelijk of bij voorbaat zinloos zal zijn.

7. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is gebleken van een aanzienlijke en structurele verbetering van de opvangsituatie voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen in België sinds de Afdelingsuitspraak van 23 juli 2025. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.7.1 Volgens de brief van Fedasil van 5 februari 2026 kunnen alleenstaande mannelijke verzoekers, die niet onmiddellijk kunnen instromen in het reguliere federale opvangnetwerk van Fedasil, tijdelijk gebruikmaken van de opvangplaatsen in het kader van het samenwerkingsakkoord met het Brussels Hoofdstedelijk gewest. Het gaat hierbij om personen die op de zogenaamde “wachtlijst” staan, die in de praktijk een “doorstroomlijst” is: gemiddeld stromen zij na ongeveer 3,5 maand na indiening van het verzoek om internationale bescherming door naar het reguliere federale opvangnetwerk. Niet in geschil is dat de doorstroomlijst in omvang afneemt; op 2 juni 2025 zakte het aantal alleenstaande mannelijke asielzoekers voor het eerst onder de 2.000 en volgens de minister op de zitting is dit aantal op 1 mei 2026 inmiddels gedaald tot 1.127. 7.2 Volgens de genoemde brief van Fedasil kan worden vastgesteld dat, aangezien het aantal personen op de doorstroomlijst reeds geruime tijd structureel en significant lager ligt dan de beschikbare capaciteit van 2.000 plaatsen met een verder dalende trend, alle alleenstaande mannelijke verzoekers over een opvangplaats kunnen beschikken. Het is voor de rechtbank echter niet duidelijk hoe Fedasil deze conclusie heeft kunnen trekken. In dezelfde brief wordt namelijk ook vermeld dat het bij de 2.000 humanitaire opvangplaatsen gaat om 1800 generieke plaatsen en 200 plaatsen voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen. Verder wordt vermeld dat deze capaciteit niet exclusief bestemd is voor niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke verzoekers en ook wordt ingezet voor andere doelgroepen, waaronder niet-begeleide minderjarige vreemdelingen. Het is daarom naar het oordeel van de rechtbank nog steeds onduidelijk, net zoals ten tijde van de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2025, hoeveel plaatsen binnen de 2.000 humanitaire opvangplaatsen daadwerkelijk beschikbaar zijn voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen. Het enkele feit dat het aantal niet-kwetsbare mannelijke verzoekers op de doorstroomlijst steeds verder daalt biedt, anders dan de minister op de zitting heeft gezegd, onvoldoende grond voor het oordeel dat daarmee voor deze groep asielzoekers een opvangplek is gegarandeerd. Ook blijkt uit de brief van Fedasil niet dat het aantal opvangplekken in de reguliere opvang (voor niet-kwetsbare mannelijke verzoekers) is toegenomen. 7.3 Gelet op wat onder 7.2 is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de brief van Fedasil van 5 februari 2026 onvoldoende grond biedt om nu te oordelen - en anders dan de Afdeling in de uitspraak van 23 juli 2025 heeft gedaan - dat er in België, voor zover het gaat om de opvang van niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke asielzoekers, niet langer sprake is van tekortkomingen in de opvangvoorzieningen. Gelet op wat de Afdeling in de uitspraak van 23 juli 2025 over de opvangvoorzieningen voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen in België heeft overwogen, had het op de weg van de minister gelegen om meer specifiek navraag te doen bij de Belgische autoriteiten naar de stand van zaken over die opvangvoorzieningen op dit moment. 8. De minister heeft zich op de zitting ook op het standpunt gesteld dat, indien eiser toch geen opvang krijgt, hij daarover kan klagen in België. Volgens de minister is niet gebleken dat dit niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is. Ook is volgens de minister niet gebleken dat eiser zich eerder heeft gewend tot de autoriteiten voor hulp of opvang. Hierover oordeelt de rechtbank als volgt.8.1 De Afdeling heeft in de uitspraak van 23 juli 2025 geoordeeld dat asielzoekers in België, doordat de Belgische autoriteiten rechterlijke uitspraken niet naleven en dwangsommen niet betalen, ook geen toegang hebben tot effectieve rechtsbescherming van hun recht op opvang. Daarom is de Afdeling van oordeel dat in België ook op het gebied van rechtsbescherming sprake is van structurele tekortkomingen, die maken dat niet-kwetsbare alleenstaande mannen de geconstateerde tekortkomingen in de opvangvoorzieningen niet effectief bij de Belgische rechter kunnen afdwingen. De rechtbank is niet gebleken van nieuwe informatie op grond waarvan kan worden geoordeeld dat in België nu wel sprake is van effectieve rechtsbescherming als het gaat om het verkrijgen van opvang.

Conclusie en gevolgen

9. Gelet op het voorgaande kon de minister niet zonder nader onderzoek concluderen dat eiser niet terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie zoals bedoeld in het Jawo-arrest. Ook mocht de minister er niet van uitgaan dat voor eiser in België sprake is van effectieve rechtsbescherming als het gaat om het verkrijgen van opvang. De minister mocht dan ook niet zonder nader onderzoek uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank oordeelt dat de minister in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het bestreden besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd. Nu het beroep reeds hierom gegrond is, behoeven de andere beroepsgronden geen bespreking meer.

10. Omdat het beroep gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten van eiser. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 21 april 2026;

- draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

02 juni 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand