[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. A.J. de Boer),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. R.A. Mandersloot).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het terugkeerbesluit dat door de minister aan eiser op 1 augustus 2025 is opgelegd. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de oplegging van het terugkeerbesluit.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de oplegging van het terugkeerbesluit in stand kan blijven. Het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Inleiding
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1994 en heeft de Egyptische nationaliteit. In Oekraïne had hij een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met de grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit.
4. Op 18 augustus 2023 heeft de minister aanvankelijk aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB van rechtswege eindigt per 4 september 2023. Bij brief van 29 januari 2024 heeft de minister aan eiser medegedeeld dat eiser tot en met 4 maart 2024 onder de RTB valt en dat het eerdere besluit, met als einddatum 4 september 2023, niet klopte en daarom niet langer geldt. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld, wat bij de rechtbank is geregistreerd met zaaknummer NL24.15522.
5. Op 1 augustus 2025 heeft de minister aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB per 4 maart 2024 is beëindigd en op 4 september 2025 de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt. Daarnaast heeft de minister aan hem een terugkeerbesluit opgelegd. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld en daarbij verzocht om een voorlopige voorziening, wat bij de rechtbank is geregistreerd met zaaknummer NL25.41679, respectievelijk NL25.41682.
6. De minister heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
7. De rechtbank heeft de beroepen, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (zaaknummer: NL25.41682), op 4 november 2025 op zitting behandeld. Eiser en de gemachtigde van eiser zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
8. De rechtbank heeft op 12 december 2025 het onderzoek heropend en de minister in de gelegenheid gesteld om te reageren op de aanvullende beroepsgronden in het zaaknummer NL25.41679. De minister heeft gereageerd met een aanvullend verweerschrift. De rechtbank heeft op 9 april 2026 het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Het standpunt van eiser
Het oordeel van de rechtbank
Beroep voor zover gericht tegen de brief van 7 februari 2024
9. De rechtbank is van oordeel dat de brief van 7 februari 2024 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat deze brief geen rechtsgevolgen in het leven roept. In deze brief is uitsluitend vermeld dat eisers tijdelijke bescherming op grond van de RTB per 4 maart 2024 van rechtswege, dus niet als gevolg van de brief, vervalt. Er is in de brief ook geen terugkeerbesluit opgelegd. De rechtbank zal het beroep voor zover gericht tegen deze brief daarom niet-ontvankelijk verklaren.Beroep voor zover gericht tegen het besluit van 1 augustus 2025
10. Het besluit van 1 augustus 2025 is naar het oordeel van de rechtbank op grond van artikel 6:19 van de Awb voorwerp van dit geding.
11. Eiser is het niet eens met het terugkeerbesluit van 1 augustus 2025. Hij voert aan dat de minister zijn tijdelijke bescherming niet mag beëindigen. Volgens eiser handelt de minister in strijd met het gelijkheidsbeginsel door de tijdelijke bescherming van derdelanders uit Oekraïne wel en die van Oekraïners niet te beëindigen. Nergens blijkt uit dat er geen toezegging is gedaan om de facultatief beschermden en de verplicht beschermden gelijk te behandelen. Volgens eiser volgt uit de Kamerbrief van 30 maart 2022 bovendien een duidelijke toezegging. Ook mag de minister geen terugkeermaatregelen nemen zolang de bevriezingsmaatregel geldt, omdat er sprake is van een gedoogsituatie waarin het verblijf van eiser wordt gedoogd. Eiser heeft bovendien rechtmatig verblijf, vanwege de toegewezen voorlopige voorziening. Daarnaast voert eiser aan dat de minister ten onrechte geen belangenafweging heeft gemaakt. De minister heeft geen aandacht besteed aan de duur van het verblijf in Nederland, de banden met Nederland, de afhankelijkheid van voorzieningen, de omstandigheden in Oekraïne, de psychische of medische situatie van eiser en de situatie in het herkomstland van eiser. Het besluit is in strijd met het evenredigheidsbeginsel, omdat de minister het terugkeerbesluit niet concreet en individueel heeft gemotiveerd en het belang van eiser niet zichtbaar heeft meegewogen. Verder beroept eiser zich op het recht op familie- en privéleven zoals neergelegd in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser wijst erop dat hij in Nederland een baan heeft, belasting betaalt en geïntegreerd is. Ook voert eiser aan dat hij niet kan terugkeren naar zijn land van herkomst, omdat hij daar een reëel risico op ernstige schade loopt zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Hierbij wijst eiser naar de algemene veiligheidssituatie in Egypte en het feit dat hij is verwesterd. De minister had een geactualiseerde beoordeling moeten maken en eiser had hier over moeten worden gehoord. Het besluit is daarom in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Verder doet eiser beroep op artikel 64 van de Vreemdelingenwet (Vw), omdat hij last heeft van fysieke gezondheidsklachten.
Het terugkeerbesluit van 1 augustus 2025
12. Uit het arrest Kaduna en Abkez van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 december 2024 volgt dat een lidstaat de door hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip mag intrekken dan het tijdstip waarop de verplichte tijdelijke bescherming eindigt, zolang dit geen afbreuk doet aan de doelstellingen en het nuttig effect van de RTB, en de algemene beginselen van het Unierecht, waaronder het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, in acht worden genomen. Uit het arrest volgt verder dat een lidstaat geen terugkeerbesluit kan uitvaardigen tegen een derdelander die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft en die facultatieve tijdelijke bescherming geniet, voordat deze bescherming is geëindigd, zelfs wanneer blijkt dat die bescherming binnenkort zal eindigen en de gevolgen van dit besluit tot die datum worden opgeschort.
13. Naar het oordeel van de rechtbank is het terugkeerbesluit van 1 augustus 2025 op goede gronden aan eiser opgelegd. Uit voormeld arrest van het Hof van 19 december 2024 volgt dat de beëindiging van de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 door de minister rechtmatig is, wat door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is bevestigd in haar uitspraken van 23 april 2025. Dit betekent dat de tijdelijke bescherming van de ‘derdelanders Oekraïne’ eerder dan die van Oekraïners mag worden beëindigd. De stelling van eiser dat het terugkeerbesluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel kan niet worden gevolgd, omdat zijn tijdelijke bescherming was gebaseerd op de facultatieve bepaling van de RTB en hij de mogelijkheid heeft om terug te keren naar zijn land van herkomst. Dit geldt niet voor Oekraïners en daarmee is geen sprake van gelijke gevallen. Daarbij komt dat de minister geen toezeggingen heeft gedaan waaruit de ‘derdelanders Oekraïne’ mochten afleiden dat zij altijd hetzelfde zouden worden behandeld als Oekraïners of dat hun tijdelijke bescherming pas zou eindigen als de maximale duur daarvan is bereikt. Dit volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025 zoals hiervoor aangehaald, en van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:32. Dergelijke toezeggingen zijn evenmin uit het dossier van eiser op te maken. Het verblijf van eiser was dus per 4 maart 2024 illegaal in de zin van de Terugkeerrichtlijn. Dat het eiser door middel van de bevriezingsmaatregel was toegestaan om tot 4 september 2025 in Nederland te blijven, maakt niet dat sprake was van rechtmatig verblijf in de zin van de Terugkeerrichtlijn. De minister stelt namelijk terecht dat de bevriezingsmaatregel niet betekende dat de tijdelijke bescherming onder de RTB werd verlengd, maar slechts dat eiser feitelijk nog gebruik kon maken van de rechten die hij onder de RTB had. Dit is dus niet meer dan een tijdelijke opschorting.
14. De rechtbank overweegt verder dat de toegewezen voorlopige voorziening betekent dat eiser weliswaar gedurende de beroepsprocedure rechtmatig verblijf heeft om zo de uitkomst van de procedure af te kunnen wachten, maar dat het toewijzen van een voorlopige voorziening ‘slechts’ betekent dat de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit worden opgeschort in afwachting van de uitspraak op het beroep en niet dat aan de voorwaarden voor verblijf wordt voldaan in de zin van de Terugkeerrichtlijn. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest Gnandi van 19 juni 2018. Daaruit volgt dat het recht om een rechtsmiddel in een verblijfsrechtelijke procedure op het grondgebied af te wachten niet betekent dat de betrokkene niet ‘illegaal’ is in de zin van de Terugkeerrichtlijn. De stelling van eiser in beroep dat de rechtsregel uit het arrest Gnandi niet van toepassing is op zijn zaak, volgt de rechtbank niet. Het arrest Gnandi ziet immers op de rechtsgevolgen die voortvloeien uit het opleggen van een terugkeerbesluit. De beroepsgrond slaagt niet.
Individuele belangenafweging en het evenredigheidsbeginsel
15. Dat de minister, buiten de verplichting die volgt uit artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn, een individuele belangenafweging had moeten maken, volgt de rechtbank ook niet. Met het besluit om terug te komen op de toepassing van de facultatieve bepaling voor derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne, bestaat geen grondslag meer voor de toekenning en de voortzetting van tijdelijke bescherming aan deze groep. De minister heeft terecht gesteld dat de op een betrokkene toegespitste beoordeling niet verder gaat dan de beoordeling of terecht is vastgesteld dat de tot dan toe genoten tijdelijke bescherming was gebaseerd op het gegeven dat de derdelander beschikte over een tijdelijke Oekraïense verblijfsvergunning, en dat daarnaast niet op een andere grond
aanspraak kan worden gemaakt op tijdelijke bescherming. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn
16. Artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn bepaalt dat lidstaten bij de tenuitvoerlegging van de Terugkeerrichtlijn het beginsel van non-refoulement moeten eerbiedigen en rekening moeten houden met onder andere het familie- en gezinsleven. Uit vaste rechtspraak van het Hof volgt dat onder dit laatste moet worden begrepen dat er ook geen terugkeerbesluit kan worden vastgesteld als daarmee inbreuk zou worden gedaan op recht van eerbiediging van het privéleven van de betrokken derdelander.
17. De rechtbank stelt voorop dat uit artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn niet volgt dat de minister bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit moet toetsen of eiser op grond van artikel 8 van het EVRM in aanmerking komt voor een verblijfsrecht. De Terugkeerrichtlijn ziet uitsluitend op de terugkeer van illegaal verblijvende derdelanders en niet op de verkrijging van verblijfsrechten.Wanneer eiser meent dat hij een verblijfsrecht ontleent aan het recht op familie- of gezinsleven dan wel zijn privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, kan hij een daartoe strekkende aanvraag indienen.
18. Wel moet de minister dus bij het opleggen van een terugkeerbesluit rekening houden met onder meer het privéleven van de derdelander. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister dat in dit geval voldoende gedaan. Op wat eiser in de zienswijze heeft aangevoerd, namelijk dat hij in Nederland een voltijdbaan heeft, hier belasting betaalt en een sociaal netwerk heeft opgebouwd, is in het besluit van 1 augustus 2025 ingegaan en deze omstandigheden heeft de minister onvoldoende mogen vinden om af te zien van een terugkeerbesluit. In beroep zijn deze omstandigheden slechts herhaald en de minister voert terecht aan dat deze omstandigheden niet zijn geconcretiseerd en onderbouwd. Hierbij is van belang dat uit wat hiervoor is overwogen volgt dat de minister bevoegd is om het tijdelijk verblijf te beëindigen. Verder is van belang dat het niet gaat om langdurig verblijf en dat de aan eiser gegeven rechten op grond van de RTB tijdelijk van aard waren en dit voor hem ook duidelijk moet zijn geweest. De beroepsgrond ten aanzien van eisers privéleven slaagt niet.
19. De rechtbank overweegt ten aanzien van het beginsel van non-refoulement dat het Hof in het arrest Ararat van 17 oktober 2024 heeft geoordeeld dat artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn de bevoegde nationale autoriteit verplicht om in alle fasen van de terugkeerprocedure het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. De rechtbank vindt voor dit toetsingskader ook aansluiting bij de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2025. Hieruit volgt dat de minister op basis van wat een vreemdeling aanvoert en op basis van het dossier en informatie over het land van herkomst een geactualiseerde refoulementbeoordeling moet maken. Dat betekent dat hij er zich van moet vergewissen dat de betrokken vreemdeling bij terugkeer naar zijn land van herkomst geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest).
20. Naar het oordeel van de rechtbank geeft het bestreden besluit van 1 augustus
2025 onvoldoende blijk van een geactualiseerde refoulementbeoordeling in de zin van het arrest Ararat. In de zienswijze naar aanleiding van het voornemen heeft eiser gesteld dat hij bij terugkeer naar Egypte een reëel risico loopt op vervolging en ernstige schade. Eiser geeft aan dat hij verwesterd is en in de afgelopen jaren diverse westerse normen, waarden, overtuigingen en een westerse levensstijl heeft overgenomen. Verder wordt in de zienswijze gesteld dat er een aanmerkelijke kans is dat hij in Egypte wordt gezien als afvallige, liberaal of westerling, wat mogelijk gevaar met zich meebrengt. Hoewel deze stellingen niet nader zijn onderbouwd, is in het bestreden besluit ten aanzien hiervan uitsluitend gesteld dat eiser een (herhaalde) asielaanvraag kan indienen, indien hij van mening is dat hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico op schade loopt. De rechtbank overweegt dat hiermee niet is voldaan aan de beoordeling zoals hiervoor onder 19 is beschreven, nu in essentie wordt volstaan met een verwijzing naar de asielprocedure. De rechtbank wijst in dit verband naar punten 40 en 41 van het arrest Ararat, waarin het Hof heeft overwogen dat van een vreemdeling niet verlangd mag worden dat hij of zij een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd indient om de volledige eerbiediging van het beginsel van non-refoulement tot gelding te laten komen. Dit betekent dat sprake is van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit, zodat het beroep gegrond is en het besluit voor vernietiging in aanmerking komt.
21. De rechtbank constateert echter dat de minister in het verweerschrift van 31 december 2025 nader is ingegaan op de door eiser aangevoerde omstandigheden. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de door eiser in de zienswijze en in beroep herhaalde punten onvoldoende zijn onderbouwd of bestaan uit niet-geconcretiseerde algemene stellingen, zodat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat uit de uitvoering van het terugkeerbesluit een mogelijke schending van het beginsel van non-refoulement voortvloeit. De rechtbank is van oordeel dat de minister hiermee alsnog een deugdelijke geactualiseerde refoulementbeoordeling heeft gemaakt en hieruit blijkt dat het beginsel van non-refoulement niet aan het terugkeerbesluit in de weg staat. Hierbij is van belang dat door eiser op geen enkele wijze is geconcretiseerd waarom de algemene veiligheidssituatie in Egypte maakt dat eiser niet terug kan keren. Evenmin is met concrete landeninformatie nader onderbouwd waarom hij vanwege zijn gestelde verwestering in Egypte een risico zou lopen op refoulement. Eiser is ook niet ter zitting bij de rechtbank verschenen om dit nader toe te lichten. Dit betekent dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit van 1 augustus 2025 in stand zullen worden gelaten.
Hoorplicht
22. De rechtbank volgt de stelling van eiser dat hij voorafgaand aan het opleggen van het terugkeerbesluit gehoord had moeten worden, niet. Eiser is met het indienen van de zienswijze immers in de gelegenheid gesteld om schriftelijk zijn standpunt uiteen te zetten. Niet in geschil is dat het recht te worden gehoord ook op deze manier kan worden ingevuld. In wat eiser heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen grond om aan te nemen dat dit in dit geval niet volstond. Hierbij merkt de rechtbank op dat eiser, hoewel daar in eerste instantie wel om is verzocht, geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om ter zitting zijn standpunt toe te lichten. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 64 van de Vw
23. Tot slot is de rechtbank met de minister van oordeel dat de gestelde medische omstandigheden van eiser geen aanleiding vormen om geen terugkeerbesluit op te leggen. De enkele stelling van eiser dat hij fysieke gezondheidsklachten heeft, enkele maanden geleden een ingrijpende knieoperatie heeft ondergaan, aan het revalideren is en mogelijk nog een operatie moet ondergaan, leidt niet tot een ander oordeel. Eiser heeft dit namelijk op geen enkele wijze onderbouwd. De beroepsgrond slaagt niet.
Beslissing
24. De rechtbank verklaart het beroep met het zaaknummer NL24.15522 tegen de brief van 29 januari 2024 niet-ontvankelijk.
25. Het beroep met het zaaknummer NL25.41679 tegen het bestreden besluit van 1 augustus 2025 is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen laat de rechtbank, gelet op wat hiervoor onder 21 is overwogen, in stand.
26. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,- (1 punt voor het beroepschrift tegen het besluit van 1 augustus 2025 met een waarde van € 934,- per punt en een wegingsfactor van 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, rechter, in aanwezigheid van mr. F.J. Attema, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 29 mei 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze
partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend
binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de
behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de
indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.