Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/037733-26 en 09/353899-25 (ttz. gev.) en 96/123826-25 (tul)
Datum uitspraak: 2 juni 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaken van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
BRP-adres: [adres 1] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 19 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C. Vermeulen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. P.H.W. Spoelstra naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen met parketnummers 09/037733-26 (hierna: dagvaarding I) en 09/353899-25 (hierna: dagvaarding II).
Ten aanzien van dagvaarding I dat:
hij op of omstreeks 4 februari 2026 te Woubrugge, gemeente Kaag en Braassem althans in Nederland aan een ander, te weten [aangever 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een gebroken voet en/of enkel en/of letsel en/of hoofdletsel) heeft toegebracht, door met een ploertendoder en/of met de vuist met kracht meerdere malen tegen het hoofd en/of lichaam te slaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 4 februari 2026 te Woubrugge, gemeente Kaag en Braassem althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangever 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen doordat hij met een ploertendoder en/of zijn vuist hem meermalen met kracht op het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Ten aanzien van dagvaarding II dat:
hij op of omstreeks 31 december 2025 te Leiden
[aangever 2] en [aangever 3] heeft mishandeld, door
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het bij dagvaardingen I en II tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman namens de verdachte vrijspraak bepleit van het bij dagvaarding I tenlastegelegde en heeft zich met betrekking tot het tenlastegelegde bij dagvaarding II op het standpunt gesteld dat dit kan worden bewezen verklaard.
Opgave van bewijsmiddelen bij dagvaarding II
De rechtbank zal voor het tenlastegelegde bij dagvaarding II volstaan met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De verdachte heeft dit feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025442472, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 81).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 19 mei 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , opgemaakt op 31 december 2025 (p. 7-9);
3. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 3] , opgemaakt op 31 december 2025 (p. 24-26).
Gebruikte bewijsmiddelen bij dagvaarding I
De rechtbank heeft hierna voor het tenlastegelegde bij dagvaarding I de wettige bewijsmiddelen opgenomen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2026040631, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 66).
1. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 19 mei 2026, voor zover inhoudende:
Ik heb hem toen met de linkerkant geslagen. Ik raakte hem, want hij boog. Hij had niet geluisterd, dus ik dacht, ik sla hem nog een keer. Ik denk dat ik hem twee keer sloeg met mijn linkerarm en ik heb hem geschopt. Ik sloeg met mijn hand ergens op zijn hoofd en ik heb hem geschopt in zijn gezicht. Toen was hij bewusteloos. Ik heb gewacht tot hij weer bijkwam. Ik wilde zeker weten dat hij niet weer zou aanvallen.
U houdt mij voor dat ik tegen de politie heb gezegd dat ik ook met een stok had geslagen. Klopt. Toen hij weer bijkwam. Hij beschermde zich met zijn armen, toen heb ik hem op zijn armen geslagen.
Ja, dat ben ik op de beelden. Maar dat is het laatste, het einde. Het klopt dat ik met de stok op zijn hoofd sloeg. Toen kwamen druppels en die heeft hij weggeveegd.
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , opgemaakt op 5 februari 2026, voor zover inhoudende (p. 6-7):
Op 4 februari 2026 wilde ik mijn spullen ophalen bij [adres 2] te Woubrugge.
Ik zag dat de man op mijn auto afkwam en mijn deur opentrok. Ik voelde vervolgens dat de man mij begon te slaan met een stok of een ander hard voorwerp. Ik zag dat hij zijn rechterhand meerdere keren omhoog zwaaide en ik voelde dat mijn hoofd alle kanten op ging.
Het lukte mij uiteindelijk om de stok van de man af te pakken en uit mijn voertuig te stappen. Naast de auto ging het over in duwen en trekken. Ik kan niet meer exact aangeven hoe het verder ging, maar ik weet wel dat ik een enorme klap op mijn achterhoofd kreeg. Tijdens dit gevecht is mijn voet gebroken. Ik vermoed dat dit is gebeurd doordat ik mij probeerde te weren of doordat hij mij daar een klap gaf.
Toen ik terugliep naar mijn voertuig voelde ik dat mijn hoofd nat en koud was. Ik keek in de spiegel van mijn auto en zag dat ik helemaal onder het bloed zat. Op dat moment arriveerde de politie met drie voertuigen. Ik heb momenteel hevige hoofdpijn als gevolg van mishandeling.
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 4 februari 2026, voor zover inhoudende (p. 23-24):
Op woensdag 4 februari 2026 ging ik met meerdere collega's ter plaatse voor een melding op de [adres 3] in Woubrugge.
Ik zag dat de melder een bebloed gezicht had. Ik zag dat zijn handen onder het bloed zaten. Ik zag dat de melder niet op zijn benen kon staan. Ik hoorde de melder zeggen dat hij last heeft van zijn linker enkel.
Ik hoorde de melder zeggen: "Ik ben geslagen op mijn hoofd, ook met een ijzeren stok of staaf. Ik heb ook last van mijn enkel. Dit kwam ook hierdoor."
4. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] , opgemaakt op 5 februari 2026, voor zover inhoudende (p. 10-11):
Op 4 februari 2026 omstreeks 22:15 uur keek ik vanuit mijn slaapkamerraam naar beneden de straat in. Ik zag doordat de man in de donkere jas aan zijn jas trok, de man in de witte jas op de grond viel. Ik zag dat de man in de donkere jas de man in de witte jas een klap en een schop gaf.
Ik hoorde de melder zeggen: "Ik ben geslagen op mijn hoofd, ook met een ijzeren stok of staaf. Ik heb ook last van mijn enkel. Dit kwam ook hierdoor."
5. Het geschrift, te weten SEH huisartsenbrief van 6 februari 2026 (vordering benadeelde partij, bijlage 8, p. 53-54).
6. Het geschrift, te weten controle na gipswissel van 17 maart 2026 (vordering benadeelde partij, bijlage 8, p. 60).
7. Het geschrift, te weten de brief van 13 mei 2026 van fysio-manueel therapeut [naam] (vordering benadeelde partij, bijlage 14, p. 3-4).
Bewijsoverwegingen bij dagvaarding I
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte op 4 februari 2026 in Woubrugge de aangever op meerdere plekken op zijn lichaam en hoofd heeft geschopt en heeft geslagen met zijn handen en met een ploertendoder. Deze handelingen hebben ook plaatsgevonden toen aangever op de grond lag.
Zwaar lichamelijk letsel
De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of sprake is geweest van zwaar lichamelijk letsel. Bij de beoordeling daarvan wordt volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad gekeken naar de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.
Zoals blijkt uit het proces-verbaal van aangifte, een brief aan de huisarts van 6 februari 2026 en een controlenotitie van 17 maart 2026 heeft de aangever als gevolg van de mishandeling door de verdachte (onder meer) zijn enkel en zijn voet op meerdere plekken gebroken. De aangever heeft twee operaties aan zijn voet en één operatie aan zijn enkel moeten ondergaan, waarbij ijzeren platen in zijn voet en enkel zijn gezet ter genezing van de botfracturen.
Uit de brief van 13 mei 2026 van de fysio-manueel therapeut blijkt dat de aangever op dat moment nog pijn ervoer en dat het looppatroon nog verre van normaal was. Er waren grote beperkingen in activiteiten en participatie en het uitvoeren van zijn werkzaamheden was voor de aangever nog niet mogelijk. Gezien de ernst van het letsel en de daaropvolgende operaties was het (op dat moment) de vraag of volledig herstel haalbaar was en mogelijk zijn er (lichte) blijvende beperkingen. De verwachte hersteltijd bedroeg 6 tot 12 maanden.
Gelet op de totaliteit, ernst en de aard van het letsel en de noodzaak van een ingrijpende behandeling is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat het door de verdachte tegen aangever gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad.
Opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel
Voor een bewezenverklaring van een zware mishandeling is vereist dat de verdachte, al dan niet in voorwaardelijke zin, opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij de aangever.
De verdachte en de aangever zijn tot een gevecht gekomen waarbij de verdachte de aangever meerdere keren heeft geslagen met zijn vuist en met een ploertendoder en hem heeft geschopt. Toen de aangever op de grond lag is de verdachte doorgegaan met slaan met de ploertendoder en schoppen, blijkbaar ook nadat de aangever door de klappen bewusteloos was geraakt. Door onder deze omstandigheden en op die manier te handelen kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden geconcludeerd dan dat de verdachte de intentie had om zwaar lichamelijk letsel aan de aangever toe te brengen en dat hij hier dus vol opzet op had.
Conclusie
De rechtbank komt op grond van het bovenstaande tot een bewezenverklaring van de primair tenlastegelegde zware mishandeling.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
ten aanzien van dagvaarding I
hij op of omstreeks 4 februari 2026 te Woubrugge, gemeente Kaag en Braassem althans in Nederland aan een ander, te weten [aangever 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een gebroken voet en/of enkel en/of letsel en/of hoofdletsel) heeft toegebracht, door met een ploertendoder en/of met de vuist met kracht meerdere malen tegen het hoofd en/of lichaam te slaan.
ten aanzien van dagvaarding II
hij op of omstreeks 31 december 2025 te Leiden [aangever 2] en [aangever 3] heeft mishandeld, door
die [aangever 2] een knietje te geven en/of te schoppen tegens diens hoofd en/of
die [aangever 3] meermaals, althans eenmaal, te slaan en/of te stompen tegen het hoofd, althans het lichaam;
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarden die zijn geadviseerd door de reclassering.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat bij bewezenverklaring kan worden volstaan met een gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van de voorlopige hechtenis. Desnoods zou daarbij een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf kunnen worden opgelegd onder de bijzondere voorwaarden uit het reclasseringsrapport.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich in korte tijd schuldig gemaakt aan twee mishandelingen. De verdachte heeft met zijn handelen ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangevers en zijn gedragingen hebben tot forse gevolgen voor deze aangevers geleid.
Bij de mishandeling van [aangever 1] heeft verdachte zwaar geweld toegepast en heeft hij de aangever onder meer met een ploertendoder geslagen en tegen het hoofd geschopt. Hij is daarmee doorgegaan toen de aangever bewusteloos, of in ieder geval weerloos, op de grond lag. Zoals blijkt uit de toelichting op de vordering benadeelde partij heeft [aangever 1] nog steeds last van het lichamelijk letsel – waaronder beperkingen in het functioneren, pijnklachten en slaapproblemen – en heeft hij te kampen met psychische klachten. De mishandeling heeft diepe indruk gemaakt op de aangever en heeft zijn gevoel van veiligheid aanzienlijk aangetast.
De verdachte heeft aangevers [aangever 2] en [aangever 3] lastiggevallen bij een tankstation, waarna het tot een handgemeen is gekomen. De verdachte heeft meerdere keren geprobeerd aangevers te slaan en te schoppen en uiteindelijk is hij er in geslaagd aangever [aangever 3] tegen zijn hoofd te slaan en aangever [aangever 2] een knietje tegen zijn hoofd te geven. Aangever [aangever 2] heeft de dagen na de mishandeling in bed moeten doorbrengen vanwege het opgelopen letsel aan zijn hoofd en oog, waaronder duizeligheid, misselijkheid en pijnklachten. Ook had hij last van slaapproblemen in de maand na de mishandeling. De aangever heeft verklaard erg te zijn geschrokken omdat de mishandeling voor hem onverwacht was, dat hij de plek van het voorval nog steeds vermijdt en dat hij op straat alerter is dan voorheen.
Voor het geweld lijkt nauwelijks een aanleiding te zijn geweest, anders dan dat de verdachte zijn agressie niet onder controle had. Desgevraagd kon de verdachte dan ook maar beperkt inzicht in zijn handelen verschaffen, namelijk dat hij het bij de eerste mishandeling nodig vond de aangever volledig uit te schakelen en bij de tweede mishandeling dronken was. De mishandelingen vonden bovendien op straat plaats, hetgeen kan bijdragen aan gevoelens van onveiligheid van getuigen en omwonenden. Dit alles rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 3 april 2026. De verdachte is in de afgelopen jaren niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten veroordeeld.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 15 mei 2026, waaruit volgt dat sprake is van problematiek op het gebied van huisvesting, dagbesteding, financiën, middelengebruik en psychosociaal functioneren. Het recidiverisico wordt ingeschat op gemiddeld. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, een contactverbod met de aangevers en medewerking aan controles op het gebruik van alcohol en verdovende middelen.
De straf
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
De rechtbank acht, alles afwegende een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, passend en geboden.
De rechtbank zal een deel van die straf, te weten 4 maanden, voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van twee jaren en daaraan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden. De voorwaardelijke straf dient ertoe de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.
7. De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel bij dagvaarding I
[aangever 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces onder dagvaarding I en vordert een schadevergoeding van € 34.077,93 te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 871,68 aan materiële schade en € 33.206,25 aan immateriële schade.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd om de vordering deels toe te wijzen.
Het schadevergoedingsbedrag voor wat betreft de materiële schade is volgens de officier van justitie voldoende onderbouwd en toewijsbaar.
Omdat het enkel- en voetletsel als samenhangend kan worden beschouwd, dient voor wat betreft de immateriële schade volgens de officier van justitie aansluiting te worden gezocht bij de gevorderde schadepost met het hoogste schadevergoedingsbedrag. In dit geval is dat middelzwaar voetletsel, waarbij volgens de Rotterdamse schaal (categorie 5.17, onderdeel c) qua smartengeld een bandbreedte van € 17.000,- tot € 27.000,- passend is. Dat hoogste bedrag dient volgens de officier van justitie in dit geval te worden toegewezen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft voor wat betreft de vordering van vergoeding van materiële schade verzocht de aanschafkosten van de rollator af te wijzen vanwege het ontbreken van een medische onderbouwing.
Voor wat betreft de vordering voor vergoeding van immateriële schade heeft de verdediging verzocht deze deels af te wijzen. De verdediging meent ten eerste dat de behandeling van deze complexe vordering een te grote belasting is op het strafproces. Ten tweede is volgens de verdediging niet vast komen te staan dat het voet- en enkelletsel bij [aangever 1] door het toedoen van de verdachte zijn ontstaan. Indien de rechtbank hier anders over oordeelt gaat de verdediging ervan uit dat bij het voetletsel sprake is van licht letsel als genoemd in hoofdstuk 13 van de Rotterdamse schaal. Daarbij is de herstelperiode volgens de verdediging niet gespecificeerd door de medisch specialist. De verdediging meent dat een schadevergoedingsbedrag van € 3093,75 als billijk kan worden beschouwd (hierbij is het midden van de bandbreedte van categorie 13, onderdeel c, namelijk € 2026,50, verhoogd met 50% voor het enkelletsel).
Het oordeel van de rechtbank
De vordering voor wat betreft de materiële schade is namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de bewezenverklaarde feiten, ter grootte van het gevorderde bedrag.
De rechtbank heeft voor wat betreft de immateriële schade acht geslagen op de Rotterdamse schaal. Volgens de door de Rechtspraak opgestelde aanbevelingen bij het hanteren van de schaal, geldend vanaf 1 januari 2026, wordt bij meervoudig letsel het zwaarste letsel volledig meegewogen en wordt het tweede letsel voor 50% meegewogen (aanbeveling 5). Het volgende letsel weegt niet op dezelfde manier mee, maar kan als factor worden betrokken bij het vaststellen van de hoogte van het smartengeld. Volgens dezelfde aanbevelingen kan bij opzet op het toebrengen van lichamelijk letsel het smartengeld worden verhoogd met een percentage dat ligt tussen de 10% en 25%, waarbij het laatste percentage is gereserveerd voor uiterst verwijtbare gedragingen (aanbeveling 3).
Het door de benadeelde partij opgelopen voetletsel wordt door de rechtbank aangemerkt als aan als ‘minder ernstig voetletsel’ (par. 5.17, categorie d). Mede gelet op de vastgestelde verbeteringen die relatief kort na de mishandeling zijn waargenomen door de fysio-manueel therapeut en de te verwachten hersteltijd van 6 tot 12 maanden, wordt de hieruit voortvloeiende immateriële schade begroot op € 9.500,-.
Het enkelletsel wordt door de rechtbank aangemerkt als ‘middelzwaar enkelletsel’ (par. 5.15, categorie c). Ook gezien de bovenstaande vaststellingen door de fysio-manueel therapeut, wordt de hieruit voortvloeiende immateriële schade begroot op € 9.500,-. Op dit secundaire letsel wordt, conform de aanbevelingen, een factor van 50% toegepast, resulterend in een bedrag van € 4.750,-.
Vanwege het overige letsel (buiten het voet- en enkelletsel) en het vastgestelde opzet van de verdachte op het toebrengen van lichamelijk letsel wordt het smartengeld van in totaal
€ 14.250,- verhoogd met een percentage van 10%.
Gezien het voorgaande stelt de rechtbank de immateriële schade vast op € 15.675,-.
Gelet op de bedragen aan immateriële schadevergoeding die volgens de Rotterdamse schaal in vergelijkbare gevallen worden toegekend, acht de rechtbank toewijzing van dit bedrag = billijk.
De rechtbank wijst – gelet op het voorgaande – de vordering toe tot een bedrag van € 16.546,68, bestaande uit € 871,68 aan materiële schade en € 15.675,- aan immateriële schade. Voor wat betreft het overige verklaart de rechtbank de vordering niet-ontvankelijk.
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente over de materiele schade uit praktische overwegingen toe met ingang van 13 mei 2026, de datum van de vordering, en de immateriële schade vanaf 4 februari 2026, omdat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt.
De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor de schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 871,68 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 13 mei 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is voldaan en een bedrag van € 15.675,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 4 februari 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is voldaan.
8. De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel bij dagvaarding II
[aangever 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces onder dagvaarding II en vordert een schadevergoeding van € 1.707,49 te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 907,49 aan materiële schade en € 800,- aan immateriële schade.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd om de vordering van de benadeelde toe te wijzen, te verhogen met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij af te wijzen. Het conflict was niet begonnen indien aangevers in de auto waren gebleven, of waren weggereden. De vordering is volgens de verdediging bovendien onvoldoende onderbouwd vanwege het ontbreken van bijvoorbeeld een verklaring van de werkgever of de boekhouder van de benadeelde partij. Bij eventuele toewijzing zou een schadevergoedingsbedrag van € 250,- eerder billijk zijn dan het gevorderde bedrag.
Het oordeel van de rechtbank
De vordering is namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de bewezenverklaarde feiten, ter grootte van het gevorderde bedrag.
De rechtbank wijst - gelet op het voorgaande - de vordering toe tot een bedrag van € 1.707,49, bestaande uit € 907,49 aan materiële schade en € 800,- aan immateriële schade.
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe met ingang van 31 december 2025, de datum van het strafbare feit, omdat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt.
De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor de schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.707,49 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 31 december 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is voldaan.
9. De vordering tot tenuitvoerlegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op 1 april 2026 gevorderd dat de bij parketnummer 96/123826-25 door de politierechter van de rechtbank Rotterdam op 19 augustus 2025 voorwaardelijk opgelegde taakstraf van 20 uren met een proeftijd van 2 jaren en de voorwaardelijk opgelegde ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren, ten uitvoer worden gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de vordering af te wijzen, dan wel de proeftijd met maximaal 1 jaar te verlengen. De verdachte heeft waarschijnlijk zijn rijbewijs nodig om werk te zoeken en uit te voeren.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal tenuitvoerlegging gelasten van het voorwaardelijk deel van de opgelegde taakstraf en ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, waartoe verdachte werd veroordeeld bij het voornoemde onherroepelijk geworden vonnis.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is immers gebleken dat verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat hij zich voor het einde van de proeftijd wederom heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten.
10. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf en is gegrond op de artikelen
- 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
11. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van dagvaarding I:
zware mishandeling
ten aanzien van dagvaarding II:
mishandeling
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 12 (TWAALF) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 4 (VIER) MAANDEN, niet zal worden ten uitvoer gelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- gedurende de proeftijd geen contact legt of laat leggen – direct of indirect – met [aangever 1] , [aangever 2] of [aangever 3] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;
- zich gedurende de proeftijd meldt bij GGZ Reclassering Fivoor op het adres [adres 4] op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht;
- gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, ademonderzoek en/of een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
- gedurende de proeftijd meewerkt aan een intakegesprek en zich, indien geïndiceerd en haalbaar, laat behandelen door Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op agressiebeheersing en middelengebruik;
geeft opdracht aan GGZ Reclassering Fivoor tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
de vordering van de benadeelde partijen;
wijst de vordering tot materiële schadevergoeding van benadeelde [aangever 1] toe tot een bedrag van € 871,68 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 mei 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, te betalen aan [aangever 1] ;
wijst de vordering tot immateriële schadevergoeding van benadeelde [aangever 1] toe tot een bedrag van € 15.675,- en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 februari 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, te betalen aan [aangever 1] ;
wijst de vordering tot schadevergoeding van benadeelde [aangever 2] toe tot een bedrag van € 1.707,49 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, te betalen aan [aangever 2] ;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partijen, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
de schadevergoedingsmaatregel;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 871,68, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 13 mei 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 1] ; alsmede een bedrag van € 15.675,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 4 februari 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 1] ;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.707,49, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 31 december 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 2] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 107 dagen waarbij de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen in zoverre doet vervallen;
de vordering tenuitvoerlegging;
gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de politierechter van de rechtbank te Rotterdam van 19 augustus 2025, gewezen onder parketnummer 96/123826-25, te weten een taakstraf voor de duur van 20 uren;
gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de politierechter van de rechtbank Rotterdam te 19 augustus 2025, gewezen onder parketnummer 96/123826-25 te weten een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 maanden, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs reeds ingevorderd is geweest.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.E. van Essen, voorzitter,
mr. F.X. Cozijn, rechter,
mr. M.S. Verboom, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. J.J. Koster, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 juni 2026.