RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.41682
(gemachtigde: mr. A.J. de Boer),
en
(gemachtigde: mr. R.A. Mandersloot).
Procesverloop
Op 1 augustus 2025 heeft de minister een terugkeerbesluit opgelegd aan verzoeker. Verzoeker heeft tegen dit terugkeerbesluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het verzoek, samen met behandeling van NL25.41679, op 4 november 2025 op zitting behandeld. Verzoeker en de gemachtigde van verzoeker zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De rechtbank heeft op 12 december 2025 het onderzoek heropend en de minister in de gelegenheid gesteld om te reageren op de aanvullende beroepsgronden in het zaaknummer NL25.41679. De minister heeft gereageerd met een aanvullend verweerschrift. De rechtbank heeft op 9 april 2026 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL25.41679, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
2. Gelet op de uitkomst van de bodemzaak veroordeelt de voorzieningenrechter de minister wel in de door verzoeker gemaakte proceskosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 934,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F.J. Attema, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 29 mei 2026.