RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.28117
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. M.K. Ruijzendaal).
Procesverloop
De minister heeft op 11 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De rechtbank heeft de rechtmatigheid van deze maatregel van bewaring al eerder getoetst. Uit de uitspraak van deze zittingsplaats van 11 maart 2026 (in de zaak NL26.10784) volgt dat de bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek in die zaak op 5 maart 2026 rechtmatig was.
De minister heeft de rechtbank door middel van een kennisgeving van de voortduring van de maatregel in kennis gesteld en een voortgangsrapportage overgelegd.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Partijen hebben hierna over en weer schriftelijk standpunten uitgewisseld.
De rechtbank heeft het beroep op 26 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen J. Ankomah. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Ambtshalve toetsing
1. Eiser voert aan dat het onderzoek bij de Nigeriaanse autoriteiten al een jaar loopt en dat een kopie van zijn geboorteakte bekend is bij deze autoriteiten. Desondanks is tot nu toe zijn nationaliteit niet vastgesteld. Bij deze stand van zaken kan niet meer gesteld worden dat er zicht op uitzetting is binnen redelijke termijn. Verder stelt eiser zich op het standpunt dat gelet op de duur van de maatregel van bewaring de belangenafweging in zijn voordeel dient uit te vallen.
2. De rechtbank overweegt als volgt.
Zicht op uitzetting
3. Eiser is eerder op 6 mei 2025 in verband met zijn asielaanvraag in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en d van de Vw, omdat hij beschikbaar dient te zijn voor de behandeling van zijn asielaanvraag. Deze maatregel is op 11 december 2025 omgezet naar artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Anders dan de gemachtigde van eiser meent was de maatregel van bewaring van 6 mei 2025 derhalve geen maatregel die gericht was op de uitzetting van eiser.
De rechtbank verwijst verder met betrekking tot het zicht op uitzetting naar Nigeria naar wat de rechtbank heeft overwogen in de uitspraak van 11 maart 2026 (in de zaak NL26.10784), rechtsoverwegingen 5 en 6. In deze uitspraak is het voorhanden zijn van een kopie van een geboorteakte ook al betrokken. De rechtbank ziet in de voortgangsrapportage van 19 mei 2026 geen reden voor een ander oordeel. Het onderzoek bij de Nigeriaanse autoriteiten loopt. De minister rappelleert regelmatig bij deze autoriteiten in verband met de afgifte van een laissez passer (lp), laatstelijk op 15 mei 2026. Dat het onderzoek lang duurt is op zichzelf niet doorslaggevend, te meer niet nu de Nigeriaanse autoriteiten niet op voorhand te kennen hebben gegeven geen lp te zullen verstrekken. De rechtbank overweegt verder dat de minister voor de afgifte van een lp en het realiseren van een daadwerkelijk vertrek afhankelijk is van de werkwijze van de Nigeriaanse autoriteiten. Daarnaast heeft de minister in zijn verweerschrift van 22 mei 2026 en ter zitting toegelicht dat er op korte termijn een afspraak wordt gepland bij de Nigeriaanse ambassade om eisers lp-aanvraag op individueel niveau te bespreken. De rechtbank is van oordeel dat er, gelet op het voorgaande, geen aanleiding bestaat voor de conclusie dat de werkwijze niet tot het gewenste resultaat zal leiden. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen zicht op uitzetting is naar Nigeria in eisers geval. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Belangenafweging
4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in het kader van de belangenafweging voldoende gemotiveerd waarom hij de bewaring nog niet heeft opgeheven. Daarbij heeft de minister kunnen betrekken dat eiser op geen enkele wijze meewerkt en tot tweemaal heeft geweigerd om te verschijnen voor een presentatie bij de Nigeriaanse autoriteiten. Eiser is vervolgens op 30 januari 2026 in persoon gepresenteerd bij de Nigeriaanse autoriteiten maar hij heeft geweigerd om (Engels) te spreken tijdens deze presentatie. Hoewel op eiser de verplichting rust om zijn volledige en actieve medewerking te verlenen, heeft hij tot nu toe geen enkele aantoonbare actie ondernomen om zijn uitzetting te bespoedigen terwijl tijdens meerdere vertrekgesprekken aan hem is verteld wat hij kan doen om het proces te bespoedigen. De rechtbank wijst in dit verband ook naar haar eerdere uitspraak van 11 maart 2026 (in de zaak NL26.10784), rechtsoverweging 6. In wat eiser verder in het kader van de belangenafweging heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen feiten of omstandigheden die, gelet de duur van deze bewaring, voor de minister aanleiding hadden moeten zijn de bewaring bij een afweging van de belangen op te heffen. Eiser heeft geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht die maken dat de voortduring van de maatregel thans disproportioneel moet worden geacht. De beroepsgrond slaagt evenmin.
5. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van N. Dayerizadeh, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
29 mei 2026
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.