RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.19281
NL25.19282
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser],
geboren op [geboortedag] 1979, van Egyptische nationaliteit, eiser/verzoeker (hierna: eiser),
(gemachtigde: mr. J. Singh),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. N.F. van der Gouw).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen en het verzoek om een voorlopige voorziening.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 20 februari 2025 (hierna: het primaire besluit) afgewezen. Met het besluit van 17 april 2025 (hierna: het bestreden besluit) is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep en de voorlopige voorziening op 24 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigden van partijen deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de minister de aanvraag van eiser op goede gronden heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, maar laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Achtergrond
4. Eiser is op 8 juni 2015 in Egypte getrouwd met mevrouw [naam] (hierna: referente). Referente heeft de Ierse nationaliteit. Met ingang van 28 november 2019 had eiser een verblijfsrecht als derdelander familielid van een Unieburger. Dit verblijfsrecht was afhankelijk van referente. Blijkens de Basisregistratie Personen is referente per 11 mei 2021 ingeschreven in de Registratie Niet-Ingezetenen, met daarbij een Iers adres. Volgens de Basisregistratie Personen was het huwelijk tussen eiser en referente op dat moment niet ontbonden. Op 17 mei 2021 heeft eiser verzocht om echtscheiding maar dit verzoek heeft hij op 17 juni 2021 weer ingetrokken. Op 14 december 2023 heeft eiser wederom verzocht om echtscheiding, die op 11 december 2024 is uitgesproken. Op 26 augustus 2024 heeft eiser een aanvraag voor langdurig ingezetenen ingediend.
Besluitvorming
5. In het primaire besluit heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat eisers verblijfsrecht als derdelander familielid van een Unieburger op 11 mei 2021 is geëindigd. Derdelanders die familieleden van een Unieburger zijn, kunnen het verblijfsrecht alleen inroepen in de lidstaat waar die Unieburger woont en niet in een andere lidstaat. Uit vorenstaande volgt dat vanwege de emigratie van referente, het afgeleide verblijfsrecht van eiser met dat vertrek is komen te vervallen. Eiser komt ook niet in aanmerking voor een ‘EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen’ of een reguliere verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd omdat eiser niet vijf jaar onafgebroken op basis van een geldige verblijfsvergunning regulier voor een niet-tijdelijk verblijfsdoel in Nederland heeft verbleven. Verder wordt eisers verblijfsdocument niet vernieuwd. De beëindiging van eisers verblijfsrecht en de afwijzing van zijn aanvraag zijn niet in strijd met artikel 8 van het EVRM. Ook is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.
De minister heeft naar aanleiding van het bezwaar van eiser geen reden gezien om in het bestreden besluit anders te oordelen. Eisers verblijf is van rechtswege geëindigd vanwege de emigratie van de hoofdpersoon. Het verblijfsrecht is niet geëindigd vanwege de ontbinding of nietigverklaring van een huwelijk. Omdat eisers bezwaar kennelijk ongegrond is, heeft de minister afgezien van een hoorzitting. Eiser heeft in bezwaar de beëindigingsgrond niet betwist en een hoorzitting kan niks toevoegen aan de bekende vaststaande feiten, zoals de verblijfsduur.
Beëindiging verblijfsrecht
6. Eiser stelt dat het verblijfsrecht niet van rechtswege is vervallen op 11 mei 2021. Eisers verblijfsrecht is namelijk niet geëindigd omdat eiser aan de voorwaarden van artikel 8.15, vierde lid, van het Vb voldoet. Hij is sinds 2015 gehuwd met de Unieburger, en zij hebben ten minste één jaar samen in Nederland gewoond vóór het vertrek van zijn partner uit Nederland. De minister stelt ten onrechte dat de beschermingsbepalingen van artikel 8.15, vierde lid, van het Vb uitsluitend van toepassing zijn indien het huwelijk is ontbonden of een echtscheiding is uitgesproken. Deze beperkte interpretatie is onjuist en miskent de bedoeling en reikwijdte van het artikel, evenals van de achterliggende Richtlijn 2004/38/EG, vooral artikel 13, tweede lid, onder a, van deze Richtlijn. Het is onlogisch en onbegrijpelijk dat een vreemdeling minder bescherming zou genieten omdat het huwelijk nog in stand is gebleven, dan iemand van wie het huwelijk zou zijn ontbonden. Een dergelijk onderscheid is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en ook met de intentie van de wetgever om te voorzien in duurzame verblijfsrechten, juist om te voorkomen dat het verblijf van een vreemdeling automatisch eindigt door omstandigheden zoals vertrek of overlijden van de referent.
Subsidiair stelt eiser dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat eiser de echtscheidingsprocedure te laat heeft opgestart. Referente heeft op 11 mei 2021 Nederland verlaten. Zes dagen daarna, op 17 mei 2021 is eiser begonnen met de echtscheidingsprocedure. Op 17 juni 2021 is dit verzoek ingetrokken vanwege verzoeningspogingen. Dat de verzoeningspogingen zijn mislukt en dat eiser op 14 december 2023 weer de echtscheidingsprocedure heeft gestart, kan hem niet worden tegengeworpen. De in jurisprudentie vermelde redelijke termijn is niet numeriek vastgesteld en afhankelijk van concrete omstandigheden van het geval. Derhalve dient uit te worden gegaan van de eerste echtscheidingsprocedure die onmiddellijk na beëindiging van de samenwoning is opgestart.
7. De rechtbank oordeelt als volgt.
Ten eerste oordeelt de rechtbank dat eiser niet aan de voorwaarden uit artikel 8.15, vierde lid, van het Vb voldoet. Dit artikel kan namelijk uitsluitend van toepassing zijn indien het huwelijk is ontbonden of een echtscheiding is uitgesproken. Daarvan was in 2021 geen sprake.
Ten aanzien van hetgeen eiser subsidiair heeft aangevoerd, overweegt de rechtbank dat in werkinstructie 2023/3 staat dat wanneer de Unieburger Nederland heeft verlaten om zich te vestigen in een andere lidstaat of in een derde land, vóór de datum van de aanvang van de gerechtelijke procedure tot scheiding, het verblijfsrecht van de derdelander niet eindigt voor zover de procedure tot scheiding is ingeluid binnen een redelijke termijn na het vertrek van de Unieburger. Dit volgt uit het arrest X van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Uit dit arrest volgt verder dat aan de derdelander een termijn moet worden geboden om te kiezen of hij de Unieburger volgt naar het land waar de Unieburger zich heeft gevestigd of dat hij een gerechtelijke procedure tot scheiding inleidt. De rechtbank oordeelt dat eiser deze keuze uiteindelijk pas heeft gemaakt toen hij de definitieve aanvraag tot echtscheiding heeft ingediend op 14 december 2023. De rechtbank volgt eiser niet dat deze termijn is begonnen bij het indienen van de eerste echtscheidingsaanvraag op 17 mei 2021 omdat eiser deze aanvraag een maand later weer heeft ingetrokken. Eiser heeft zijn definitieve aanvraag tot echtscheiding twee jaar en zeven maanden nadat referente Nederland heeft verlaten ingediend. Uit het arrest X volgt dat een termijn van drie jaar in ieder geval niet redelijk is. De rechtbank is van oordeel dat dit ook geldt voor een termijn van twee jaar en zeven maanden. Eiser had zijn keuze om te scheiden eerder kunnen en moeten maken.
De beroepsgrond slaagt niet.
Hoorplicht
8. Eiser voert verder aan dat de minister hem ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld om zijn standpunten tijdens een hoorzitting toe te lichten.
9. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 6 juli 2022 het toetsingskader van de hoorplicht in vreemdelingenzaken uiteengezet. Samengevat volgt uit deze uitspraak dat het uitgangspunt is dat de minister een vreemdeling hoort in bezwaar. Van deze hoorplicht kan worden afgezien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Uit vaste jurisprudentie volgt dat hiervan sprake is als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit is vervat.
10. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat hij van het horen heeft kunnen afzien. Er was namelijk op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt zou leiden dan in het primaire besluit is vervat. Eiser heeft de beëindigingsgrond van zijn verblijfsvergunning in bezwaar namelijk niet betwist. Ook kan een hoorzitting niks aan de bekende vaststaande feiten, zoals de verblijfsduur, toevoegen.
De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
11. Vervolgens toetst de rechtbank ambtshalve aan artikel 3 van het EVRM en overweegt als volgt. Artikel 9, aanhef en onder a, van de Terugkeerrichtlijn bepaalt dat lidstaten de verwijdering van een vreemdeling uitstellen in geval deze in strijd zou zijn met het beginsel van non-refoulement. De minister beoordeelt in dit kader altijd of sprake is van een situatie waarbij de vreemdeling bij terugkeer naar het land van herkomst een risico loopt op vervolging, of een reëel risico loopt op ernstige schade in het kader van artikel 3 van het EVRM.
12. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het bestreden besluit en uit hetgeen de gemachtigde van de minister ter zitting daarover heeft toegelicht dat een schending van artikel 3 van het EVRM in het geval van eiser in ieder geval niet kenbaar is beoordeeld. De rechtbank oordeelt daarom dat sprake is van een zorgvuldigheids- en een motiveringsgebrek.
13. De rechtbank heeft op de zitting aan eiser gevraagd waarvoor hij vreest bij terugkeer. Eiser heeft op zitting -samengevat- verklaard dat hij vanwege zijn leeftijd en zijn lange verblijf in het buitenland bang is om geen werk te kunnen vinden in Egypte en daarom economische schade zal leiden. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat niet blijkt van een dreigende schending van artikel 3 van het EVRM bij terugkeer van eiser naar Egypte. Daarom kunnen naar het oordeel van de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd omdat de minister niet kenbaar heeft beoordeeld of in geval van terugkeer van eiser naar Egypte sprake is van schending van artikel 3 van het EVRM. Gezien het onder 13. weergegeven oordeel zie de rechtbank echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Dat betekent dat de minister geen nieuw besluit hoeft te nemen.
15. Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep van eiser, is er voor het treffen van de voorlopige voorziening geen reden meer. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
16. Omdat het beroep gegrond is, moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden. Daarbij krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De minister moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 3 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- bij een wegingsfactor 1). Toegekend wordt € 2.802,-.
Beslissing
De rechtbank, in de zaak met zaaknummer NL25.19281:
-verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het bestreden besluit van 17 april 2025;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
De voorzieningenrechter, in de zaak met zaaknummer NL25.19282:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
De rechtbank/voorzieningenrechter, in beide zaken:
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 388,- aan eiser te vergoeden; en
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.802,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.C.L.M. Ficq, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. K.C. van der Vegt, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.